Home Schepen Onderzeeboten USS Trigger (SS-237): Gato-onderzeeboot 1942–1945

USS Trigger (SS-237): Gato-onderzeeboot 1942–1945

USS Trigger (SS-237) Gato-onderzeeboot vaart voor Mare Island Navy Yard, Californië, 6 april 1942, net na indienststelling.
USS Trigger (SS-237) tijdens proefvaart bij Mare Island Navy Yard op 6 april 1942, kort na indienststelling.

USS Trigger (SS-237) was een onderzeeboot van de Gato-klasse in dienst bij de United States Navy tijdens de Tweede Wereldoorlog. Het schip nam deel aan meerdere patrouilles in de Stille Oceaan, opereerde rond Japan, de Palau-eilanden en Formosa, en behaalde bevestigde successen tegen koopvaardij en oorlogsschepen. Tussen 1942 en 1945 voerde Trigger twaalf oorlogspatrouilles uit. In maart 1945 ging de boot met bemanning verloren. Postwar-onderzoek schreef haar achttien scheepsverliezen toe met een totaal van 86.552 bruto-ton en kende haar elf battle stars en een Presidential Unit Citation toe voor drie patrouilles.

Ontwerp en constructie

Ontstaansgeschiedenis en werf

Trigger werd besteld als onderdeel van het Amerikaanse bouwprogramma voor oceaanonderzeeboten. De kiellegging vond plaats op 1 februari 1941 op Mare Island Navy Yard, Californië. De tewaterlating volgde op 22 oktober 1941, en de indienststelling op 30 januari 1942. De Gato-klasse was ontworpen voor langeafstandspatrouilles in de Grote Oceaan en combineerde een grote actieradius met een robuuste, drukvaste romp en diesel-elektrische voortstuwing. De bouw volgde gestandaardiseerde USN-specificaties om onderhoud en modernisering tijdens oorlogsomstandigheden te vereenvoudigen.

Rompontwerp en afmetingen

Het rompontwerp bestond uit een drukromp met een lichte buitenscheepsromp, wat drijfvermogen en hydrodynamica verbeterde. De lengte bedroeg circa 95 meter, met een breedte van ongeveer 8,3 meter en een diepgang van circa 5,2 meter. Het verplaatsingsvermogen lag rond 1.525 ton boven water en 2.400 ton onder water, afhankelijk van configuratie en latere wijzigingen. De testdiepte was ongeveer 90 meter, met operationele veiligheidsmarges daaronder. De indeling omvatte torpedoruimen voor en achter, machinekamers, batterijkamers, bemanningsverblijven en de commandoruimte met conning tower.

Voortstuwing en prestaties

De voortstuwing bestond uit vier dieselmotoren die generatoren aandreven voor elektrische voortstuwing via twee schroefassen. Dit diesel-elektrische systeem maakte stil varen onder water mogelijk en vereenvoudigde de mechanische configuratie. De maximumsnelheid lag rond 20 knopen boven water en ongeveer 9 knopen onder water. De actieradius bedroeg ongeveer 11.000 zeemijl bij kruissnelheid boven water, passend bij lange oorlogspatrouilles. Het energiebeheer berustte op grote accubatterijen, opgeladen door de diesels aan de oppervlakte of bij snorkelloze oppervlakteloop in rustige zee.

Bemanning en leefomstandigheden

De bemanning telde doorgaans 60 tot 80 personen, waaronder officieren, onderofficieren en specialisten. De leefruimten waren compact en functioneel, met focus op inzetduur en reparatiemogelijkheden aan boord. Voorraadbeheer, brandstofplanning en munitiebeheer waren integraal onderdeel van de patrouillevoorbereiding. Training in noodprocedures, diepteaanvallen en stille vaart vormde een permanent onderdeel van de routines tijdens uitvoer op oorlogsgebied, waarbij het schip voortdurend moest kunnen schakelen tussen aanval, verkenning en ontsnapping.

Bewapening

Torpedobewapening en vuurleiding

Trigger beschikte over tien 533-mm torpedobuizen, zes in de boeg en vier in de achtersteven. De standaardlading bedroeg circa 24 torpedo’s, aangevuld met reservekoppen en onderhoudsuitrusting. De torpedovuurleiding werd ondersteund door de mechanisch-analoge Torpedo Data Computer (TDC), waarmee koers, snelheid en diepte van het doel in real-time konden worden verwerkt. Het systeem maakte salvo-vuren, “down-the-throat” schoten tegen aanstormende escorteschepen en gekruiste banen tegen konvooien mogelijk.

Dekgeschut en luchtafweer

Als dekbewapening voerde Trigger aanvankelijk een 3-inch/50-kanon, later bij eenheden van de Gato-klasse vaak vervangen of aangevuld door een 4-inch/50-stuk. Voor korteafstandsbescherming en aanvallen op kleine doelen waren 20-mm Oerlikon-mitrailleurs aanwezig; sommige schepen kregen later 40-mm Bofors-bewapening. De inzet van dekgeschut vond plaats bij gunstige zeetoestand, beperkte vijandelijke luchtbedreiging en wanneer munitie- of tactische overwegingen een torpedo-aanval niet rechtvaardigden.

Mijnenlegoptie

Op specifieke patrouilles werd mijnenlegcapaciteit toegepast. Trigger legde in december 1942 mijnen bij Inubō Saki, wat tot explosies en waarschijnlijke verliezen in het doorvaartgebied leidde. Het mineren vereiste nauwkeurige navigatie en hydrografische inschattingen, omdat mijnvelden effectief moesten zijn zonder eigen ontsnappingsroutes te blokkeren. De operatie illustreerde de veelzijdigheid van Gato-onderzeeboten in verstorings- en interdictiontactieken naast conventionele torpedo-aanvallen op scheepvaartroutes.

Bepantsering

Beschermingsfilosofie

Gato-onderzeeboten, waaronder Trigger, hadden geen zware bepantsering naar oppervlaktescheepsnormen. De primaire bescherming was de drukvaste romp, ontworpen om waterdruk te weerstaan op operationele dieptes en om structurele integriteit te behouden onder dieptebomaanvallen. Lokale bescherming bestond uit schotten, compartimentering en verende opstellingen voor vitale apparatuur. Overlevingskansen berustten vooral op detectie-ontwijking, diepte, manouvreersnelheid, geluidsdiscipline en tactiek, niet op passieve pantsering.

Sensoren en dataverwerking

Radar, sonar en hydrafonen

Trigger beschikte, conform de uitrusting van Gato-onderzeeboten, over luchtwaarschuwingsradar (SD) en later oppervlaktesurveillance-radar (SJ of SJ-1) met PPI-weergave, wat nachtelijke en slechte-weerinzet bevorderde. Sonarsensoren omvatten passieve hydrafonen en actieve apparatuur uit de QC-/QCB-familie. De periscopen van Kollmorgen, in aanval- en observatievariant, fungeerden als optische sensoren met afstandsschaal en gyro-hoekreferenties. Radioapparatuur verzorgde navigatieberichten, Ultra-gebaseerde aanwijzingen en rapportage van contactmeldingen. Elektronische tegenmaatregelen, zoals eenvoudige radarontvangers, kwamen gaandeweg beschikbaar.

Commandoruimte en informatieverwerking

De commandoruimte vormde het centrale zenuwstelsel van de boot, waar navigatie, sonar-beeld, radarplot en vuurleiding samenkwamen. De TDC verwerkte doelgegevens continu en maakte brug- en periscoopinvoer tot een schietoplossing. Plottingtafels, logboeken en mondelinge procedures ondersteunden het tactisch overzicht. Historisch vervulde de commandotoren boven de commandoruimte tijdens aanvallen een rol in observatie en commando-voering; na de jaren vijftig zijn functies geïntegreerd. Tijdens de oorlog werkte Trigger zonder een formeel Combat Information Center zoals op oppervlakteschepen, maar met een effectief, geconcentreerd informatie-knooppunt in de commandoruimte.

Modificaties

Oorlogsaanpassingen

Tijdens de oorlog ontving Trigger, in lijn met vlootstandaarden, updates aan radar, sonar en communicatie. De installatie of verbetering van SJ-radar met PPI-scherm vergrootte de detectieafstand voor oppervlakteschepen en hielp bij nachtelijke benaderingen. Luchtafweer werd aangepast naarmate de luchtbedreiging veranderde, waarbij 20-mm-bewapening werd gestandaardiseerd en op sommige eenheden aangevuld. Interne upgrades betroffen brandveiligheid, elektrische systemen en reservedelen voor veldreparaties na diepte-aanvallen.

Bewapening en munitie

Aanpassingen in torpedo-apparatuur weerspiegelden de ervaring met de Mark 14-torpedo en de Mark 6-ontsteker. Na vastgestelde defecten zijn exploders gedeactiveerd of gewijzigd, wat de betrouwbaarheid verbeterde. Deze wijzigingen beïnvloedden het succes van latere patrouilles. Inzetpraktijken werden herzien, met nadruk op schootsafstand, hoeken, en tactieken tegen zigzaggende konvooien. Aanpassingen aan opslag en handling verminderden storingskansen en versnelden herladen in gevechtssituaties.

Status schip tijdens de oorlog

Onderhoud en levensduur

Trigger onderging meerdere tussenbeurten en een grote overhaul in de Verenigde Staten in 1944. Het reguliere onderhoud herstelde schade na diepte-aanvallen en herkalibreerde sensor- en vuurleidingssystemen. Naar ontwerpstandaard van 1942 bleef de boot operationeel relevant, maar de snelle technische ontwikkeling in radar, sonar en vuurleiding bij beide partijen vereiste continue updates. De kernsystemen werden functioneel gehouden, met veldreparaties en onderdelenruil op zee, zoals vastgelegd tijdens gecoördineerde patrouilles met andere onderzeeboten.

Operationele veroudering

Tegen 1944 waren verbeterde detectiemiddelen en escorttactieken van de tegenstander merkbaar. Trigger beschikte niet over een formeel Combat Information Center of Air Information Center naar oppervlaktescheepsnormen. De commandoruimte fungeerde desondanks als geïntegreerde taktische kern. Vanuit een 1943-norm bezien kan het ontbreken van een afzonderlijk CIC/AIC als verouderingselement worden aangemerkt, al compenseerden TDC-integratie en radar-plotting deels voor deze lacune in procedures en apparatuur.

Operationele geschiedenis

Vroege inzet en Slag bij Midway (mei–juni 1942)

Trigger vertrok eind mei 1942 naar Hawai en nam positie in ten noordoosten van Midway met Task Group 7.2. Tijdens de Slag bij Midway werd haar inzet beperkt door aan de grond lopen, waarna ze zich vrijwerkte en op 9 juni terugkeerde in Pearl Harbor. Kort daarna werd koers gezet naar de Aleoeten voor de eerste patrouille. De boot meldde meerdere contacten, maar voerde geen bevestigde aanvallen uit en keerde via Dutch Harbor terug naar Hawaï voor verdere inzet en training.

Tweede en derde patrouille: Empire Waters en minelaying (sept 1942–jan 1943)

Onder bevel van Roy S. Benson opereerde Trigger in de wateren rond Japan. In oktober 1942 werden een klein konvooi en een 4.000-tons doel aangevallen, waarbij één treffer werd gehoord maar zonder bevestigde ondergang. Voor Bungo Suido werd op 17 oktober Holland Maru tot zinken gebracht. Later volgden aanvallen op tankers met waargenomen explosies, waarvan enkele niet door JANAC zijn bevestigd. In december 1942–januari 1943 legde de boot mijnen bij Inubō Saki en bracht Teifuku Maru tot zinken; een derde doel met vliegtuiglading werd mogelijk getroffen.

Het zinken van Okikaze en Palaus (jan–apr 1943)

Op 10 januari 1943 torpedeerde Trigger de Japanse torpedobootjager Okikaze, die na treffers voor- en achterin zonk. In februari–april patrouilleerde de boot bij de Palaus. Aanvallen op konvooien leverden treffers op en de zinking van Momoha Maru werd bevestigd. Een poging om een gesleept doel te bestrijden mislukte door een cirkelende torpedo die de eigen romp passeerde. De patrouille eindigde met meerdere niet-doorslaggevende aanvallen en een veilige terugkeer naar Pearl Harbor.

Vijfde patrouille en torpedokwestie (apr–juni 1943)

In mei 1943, geleid door Ultra-inlichtingen, positioneerde Trigger zich tegen een terugkerende Japanse taakgroep, die buiten bereik zigzagde. Eind mei en begin juni werden verscheidene vrachtschepen aangevallen, waarbij Noborikawa Maru zonk na een aktertreffer. Op 10 juni schoot Trigger zes torpedo’s op het vliegdekschip Hiyō vanaf circa 1.200 yards. Explosies werden gehoord, maar postwar-analyse wees op missers en falende ontstekers. Kort daarna volgde de deactivering van de defecte Mark 6-ontsteker in de vlootprocedures.

Zesde en zevende patrouille: Oost-Chinese en Gele Zee (sept–dec 1943)

Na overhaul nam Robert “Dusty” Dornin het commando. In september 1943 bracht Trigger Yowa Maru tot zinken. Op 21 september volgde een reeks aanvallen op een konvooi, waarbij twee tankers, Shiriya en Shōyō Maru, en de vrachtvaarder Argun Maru verloren gingen. In oktober–november 1943 werden konvooien aangevallen met bevestigde verliezen, waaronder Yawata Maru en Delagoa Maru. Ondanks hevige dieptebommen en luchtbombardementen bleef de boot inzetbaar, met meerdere treffers op escorteerde doelen en voortzetting van patrouilles.

Achtste en negende patrouille: Truk–Guam en Palaus (jan–mei 1944)

Op 27 januari 1944 ontmoette Trigger een Japanse onderzeeboot van de Ro-klasse op korte afstand; beide schepen braken contact. Begin februari werd Nasami uitgeschakeld en Yasukuni Maru vernietigd met hoge explosies. In april 1944, nu onder Frederick J. Harlfinger II en met E.L. “Ned” Beach als XO, raakte Trigger zwaar beschadigd tijdens een langdurige dieptebommenaanval na een aanval op een groot konvooi. Met geïmproviseerde reparaties hervatte zij de patrouille en bracht Miike Maru tot zinken; andere schepen en escorte Kasado raakten beschadigd.

Tiende en elfde patrouille: Formosa en escortemissie (sept 1944–feb 1945)

In oktober 1944 voerde Trigger reddings- en verkenningstaken uit bij Formosa, waarbij een piloot van USS Bunker Hill werd opgepikt. Een torpedoaanval op Takane Maru beschadigde het schip zwaar; latere zinking volgde door andere onderzeeboten. Trigger escorteerde de beschadigde USS Salmon met Silversides en Sterlet naar Saipan. Tijdens de elfde patrouille begin 1945 trof de boot een zwaar bewaakt konvooi, maar luchtaanvallen dwongen haar te duiken, waarna de patrouille werd beëindigd en terugkeer naar Guam volgde.

Twaalfde patrouille en verlies (maart 1945)

Onder nieuw bevel van David R. Connole vertrok Trigger op 11 maart 1945 richting Nansei Shoto. Op 18 maart werd Tsukushi Maru No. 3 tot zinken gebracht en een tweede doel beschadigd. Laatste radiocontacten van 20 en 26 maart betroffen rapportage over een konvooi en een weerbericht; bevestiging van een bevel tot aansluiting bij “Earl’s Eliminators” bleef uit. Postwar-bronnen tonen de torpedering van Odate op 27 maart. Japanse lucht- en oppervlakteschepen voerden op 28 maart een intensieve aanval uit, waarna een olievlek werd waargenomen; Trigger keerde niet terug.

Na de oorlog

Status en herdenking

Trigger werd op 11 juli 1945 van het Naval Vessel Register geschrapt. Clay Blair beschreef haar inzet in zijn studie over de Amerikaanse onderzeebootoorlog, en E.L. Beach memoreerde de boot in Submarine!. De destroyer escort USS Connole werd genoemd naar Cdr. David R. Connole. Volgens JANAC werd Trigger gecrediteerd met achttien bevestigde scheepsverliezen en 86.552 ton, met elf battle stars en een Presidential Unit Citation voor de vijfde tot en met de zevende patrouille. Daarmee bleef haar operationele erfenis zichtbaar in de literatuur en vlootherinnering.

Conclusie

Trigger illustreert de capaciteiten en beperkingen van vroege oorlogsbouw van de Gato-klasse. De boot beschikte over SD- en SJ-radar, passieve en actieve sonar, hydrafonen, periscopen en de TDC, waardoor doeloplossingen effectief konden worden berekend. Er ontbrak echter een formeel CIC of AIC naar de normen die in 1943 op oppervlakteschepen golden. Op basis van dit criterium geldt de boot vanaf 1943 als verouderd in commandovoering-architectuur, hoewel praktische integratie in de commandoruimte de gevechtswaarde in belangrijke mate handhaafde tijdens de latere patrouilles.

Bronnen en meer informatie

  1. Afbeelding:USS Trigger;0823701, Public Domain, via Wiki Commons
  2. Friedman, Norman (1995). U.S. Submarines Through 1945: An Illustrated Design History. Annapolis: United States Naval Institute. ISBN 1-55750-263-3.

  3. Blair, Clay (1975). Silent Victory: The U.S. Submarine War Against Japan. Philadelphia: J.B. Lippincott. ISBN 978-0-397-01284-5.

  4. Bauer, K. Jack; Roberts, Stephen S. (1991). Register of Ships of the U.S. Navy, 1775–1990: Major Combatants. Westport: Greenwood Press. ISBN 978-0-313-26202-9.

  5. Beach, Edward L., Jr. (2003). Submarine! (reprint van 1952). Annapolis: United States Naval Institute Press. ISBN 978-1-59114-840-8.

  6. Friedman, Norman (2004). Naval Radar. London: Conway Maritime Press. ISBN 978-0-85177-973-8.

  7. Campbell, John (1985). Naval Weapons of World War Two. London: Conway Maritime Press. ISBN 978-0-85177-329-3.

  8. Roscoe, Theodore (1949). United States Submarine Operations in World War II. Annapolis: United States Naval Institute. ISBN 978-0-87021-731-3.

  9. Bennett, Geoffrey (2005). Naval Battles of the First World War. Barnsley: Pen & Sword Military Classics. ISBN 978-1-84415-300-8.

  10. Bronnen voor historisch onderzoek 1800–1946