Home Voertuigen Tanks A30 Challenger Britse tank 1944

A30 Challenger Britse tank 1944

Cruiser tank Challenger (A30) van het Britse leger tijdens de Tweede Wereldoorlog, voorzien van een 17-ponderkanon.
Cruiser tank Challenger (A30) van het Britse leger, ontwikkeld voor antitanksteun met het krachtige 17-ponderkanon.

De Tank, Cruiser, Challenger, A30 was een Britse kruisertank uit de Tweede Wereldoorlog, ontworpen om Cromwell-eenheden meer antitankkracht te geven. Het voertuig kreeg een 17-ponder kanon van 76,2 mm in een grote toren op een aangepast Cromwell-chassis. De productie bleef beperkt en de inzet begon pas in juli 1944.

Ontwikkeling

De Challenger ontstond uit de Britse behoefte aan zwaarder bewapende tanks. In 1941 bleek in Noord-Afrika dat Britse cavalerietanks en infanterietanks moeite hadden met Duitse pantservoertuigen op grotere afstand. De Tank Board kreeg daarom opdracht om voertuigen met een hogere mondingssnelheid en een groter kaliber te laten ontwikkelen. Voor de infanterie werd een Churchill-project met een 76,2 mm luchtafweerkanon onderzocht, maar dat leidde niet tot serieproductie.

Het A29-project, met de naam Clan, moest een doorontwikkeling van de cruiser tank opleveren. Dit voertuig moest het 17-ponder kanon dragen en tegelijk voldoende bescherming bieden tegen Duitse tankkanonnen. De eerste opzet werd te zwaar, waarna de eisen in januari 1942 werden aangepast. De bepantsering werd minder zwaar opgevat en het project kreeg de aanduiding A30. Birmingham Railway Carriage and Wagon Company kreeg de opdracht om op basis van de A27 Cromwell een prototype te bouwen.

De technische leiding lag bij William Arthur Robotham, die eerder betrokken was bij de toepassing van de Rolls-Royce Meteor-motor in de Cromwell. Stothert & Pitt kreeg de taak om een passende toren te ontwerpen. Daarbij werd gebruikgemaakt van ervaring met eerdere zware torenontwerpen. De naam Challenger paste in de Britse traditie waarbij cruiser tanks namen kregen die met de letter C begonnen. Het ontwerp moest snelheid, vuurkracht en bestaande productiecapaciteit combineren.

De eerste twee prototypen werden in 1942 gebouwd, waarna het eerste voertuig op 13 augustus 1942 aan het leger werd geleverd en getest. De beproevingen lieten zien dat het gewicht de ophanging zwaar belastte. Ook de kanonwieg, de torenaandrijving en de beperkte munitieruimte vroegen aanpassing. Daarom werd het rompmachinegeweer verwijderd, zodat er meer ruimte ontstond voor granaten. Het voertuig kon een Panzerkampfwagen IV op grote afstand doorboren, maar had zelf beperkte bescherming.

Het tweede prototype werd op 21 januari 1943 geleverd met verwerkte wijzigingen. Toch bleven er twijfels bestaan over de combinatie van het grote 17-ponder kanon met het relatief smalle Cromwell-chassis. In februari 1943 werd toch een bestelling van tweehonderd exemplaren geplaatst. Het Britse leger wilde snel beschikken over een tank die nieuwere Duitse pantservoertuigen kon bestrijden. In november 1943 werd besloten geen vervolgorders te plaatsen, omdat dezelfde bewapening ook in de M4 Sherman kon worden ingebouwd.

Ontwerp en bewapening

De Challenger leek in de basis op de Cromwell, maar was langer, hoger en zwaarder. De voorkant van de romp en de aandrijving bleven grotendeels gelijk. Om het grotere kanon en twee laders te kunnen plaatsen, werden de toren en romp aangepast. De tank kreeg een zesde loopwiel en een toren die ongeveer veertig procent hoger was dan die van de Cromwell. De voertuighoogte kwam uit op 2775 millimeter.

De keuze voor een grote toren had gevolgen voor de bepantsering. Het frontpantser van de toren werd bij de eerste uitvoering teruggebracht tot 63 mm en het zijpantser tot 40 mm. Bij de Cromwell lagen deze waarden hoger, terwijl latere Challengers weer extra pantser op kwetsbare delen kregen. De bemanning bestond uit vijf personen: commandant, bestuurder, richter en twee laders. Vier bemanningsleden bevonden zich in de toren, terwijl de bestuurder rechts in de romp zat.

De torenconstructie was ongebruikelijk voor een Britse tank uit deze periode. De Cromwell had een torenring van zevenenvijftig inch, die onvoldoende ruimte bood voor het 17-ponder kanon. Daarom werd de bovenbouw van de romp verbreed en werd de normale torenring vervangen door een centrale kogellager op de bodem. Deze oplossing gaf ruimte, maar maakte de toren gevoeliger voor kantelen en blokkeren. Semi-automatische krikken konden de toren heffen wanneer granaatscherven of kogels vast kwamen te zitten.

Het hoofdwapen was de Ordnance QF 17-pounder, een 76,2 mm antitankkanon. Met pantserdoorborende munitie had dit wapen een hoog doorslagvermogen. De APDS-granaat met afwerpbare slof behield op afstand een hoge snelheid en kon zwaar pantser doorboren. In de praktijk was gericht vuren op grote afstand lastig, omdat de tank geen optische afstandsmeter had. Bovendien kantelde de toren na elk schot licht naar achteren, wat het richten kon verstoren.

De Challenger had één coaxiaal machinegeweer aan de rechterzijde van het kanon. Het rompmachinegeweer was verwijderd om plaats te maken voor munitie, waardoor 48 granaten konden worden meegenomen. Naast pantsergranaten was er een brisantgranaat beschikbaar voor doelen zonder pantser. Deze munitie was bruikbaar tegen infanterie en veldstellingen, maar de werking van de ontsteking was niet altijd betrouwbaar. De torenventilatie was eveneens beperkt, waardoor rookontwikkeling na het vuren de bemanning kon hinderen.

Productie en aanpassingen

De productie begon pas in maart 1944, later dan het leger oorspronkelijk had bedoeld. In 1944 werden 145 voertuigen geleverd en tot april 1945 volgden er nog 52. Samen met de drie prototypen kwam het totaal op 200 bestelde voertuigen, waarvan 197 productievoertuigen. De bouw werd vertraagd door technische problemen en door de prioriteit die de normale Cromwell in de Britse tankproductie behield.

De bestelling was verdeeld in twee series. De eerste veertig voertuigen kregen een kanonmantel van 40 mm. Bij de tweede serie werd deze dikte vergroot tot 102 mm. Dit gebeurde omdat de voorste pantserplaat naast de mantel kwetsbaar bleek voor het Duitse 75 mm kanon. In veldwerkplaatsen werden extra platen van 25 mm aangebracht op zwakke delen en bij de laatste honderd voertuigen werd de versterking in het hoofdpantser verwerkt.

De ophanging bleef gebaseerd op het Christie-systeem van de Cromwell. Dit systeem gaf een hoge snelheid en een soepele rit, maar de langere romp van de Challenger veroorzaakte nieuwe problemen. Omdat er geen ondersteuningswielen waren voor het bovenste deel van de rupsband, kon bij hogere snelheid resonantie ontstaan. Daardoor werden rupsbanden soms afgeworpen. Het voorste geleidewiel werd later vergroot, omdat een kleinere uitvoering tot storingen en asbreuken leidde.

Inzet in West-Europa

De Challenger bereikte het front te laat om aan de landingen in Normandië deel te nemen. Na levering bleek dat een diepwaadinrichting ontbrak, terwijl tanks voor de landing vanaf vaartuigen door water moesten kunnen rijden. De voertuigen konden daarom pas na het gebruik van havenvoorzieningen naar Frankrijk worden gebracht. Na aanpassingen kon de tank door 137 centimeter water rijden, maar de eerste inzet bij fronteenheden begon pas in juli 1944.

Kort na aankomst moesten veel voertuigen worden teruggeroepen vanwege technische problemen met de geleidewielen. In september 1944 keerden aangepaste tanks terug naar Frankrijk. Daardoor speelde het type in de eerste fase van de geallieerde opmars weinig rol in directe gevechten met Duitse tanks. De combinatie van een hoge toren, beperkte bepantsering en technische storingen maakte de tank lastig in gebruik. Daartegenover stond dat hij sneller was dan de Sherman Firefly met dezelfde soort antitankrol.

De oorspronkelijke bedoeling was om Challengers als reserve in te zetten ter ondersteuning van Churchilltanks. Dat bleek organisatorisch weinig praktisch, omdat Churchill-eenheden in aparte brigades waren ingedeeld en de Challenger technisch meer aansloot bij Cromwell-eenheden. De Guards Armoured Division en de 11th Armoured Division kregen aantallen toegewezen, maar de geplande sterkte werd niet gehaald. Bij de Guards Armoured Division bereikte de sterkte in februari 1945 zestien voertuigen.

Vanaf 1945 werd de inzet beter afgestemd op de werkelijke organisatie. De Challenger werd vooral gebruikt in verkenningseenheden en pantserregimenten die met Cromwells waren uitgerust. Bij de Guards Armoured Division dienden Challengers in het 2nd Battalion Welsh Guards. Bij de 11th Armoured Division waren ze verbonden aan de 15/19th King’s Royal Hussars. Door gedeelde onderdelen werd onderhoud eenvoudiger en kon de tank zijn taak als antitankondersteuning naast Cromwells uitvoeren.

De tactische waarde lag vooral in verdedigende posities en steunvuur. Het sterke kanon maakte de Challenger geschikt om Duitse tanks te bestrijden wanneer afstand en dekking gunstig waren. De hoge toren gaf het kanon een neerwaartse hoek van 10°, waardoor rompgedekte posities achter lichte terreinverhogingen mogelijk waren. In aanvallende situaties bleef het voertuig kwetsbaar door zijn hoogte, dunne pantserdelen en de noodzaak om de bemanning goed te laten samenwerken.

In totaal gingen 39 Challengers verloren. De verliezen piekten in oktober 1944, tijdens zware gevechten bij de opmars richting de Maas. In de beginmaanden waren de verliezen lager, maar ze namen weer toe bij de gevechten in het Rijnland en bij het oversteken van de Rijn. Het kwam weinig voor dat een Challenger zelf een Duitse tank uitschakelde. Een deel van de voertuigen bleef in depots of verliet Groot-Brittannië nooit.

Poolse en Tsjecho-Slowaakse dienst

De 1st Polish Armoured Division kreeg in april 1945 dertien Challengers toegewezen. Deze divisie maakte deel uit van de Britse strijdkrachten in West-Europa. De voertuigen werden ingedeeld bij het 10th Mounted Rifles Regiment. Daarmee kreeg ook een Poolse formatie toegang tot de 17-ponder op een Cromwell-achtig chassis. De inzet viel in de laatste fase van de oorlog in Europa, toen Duitse pantserformaties sterk waren teruggedrongen.

De Czechoslovak Armoured Brigade kreeg eind mei 1945 Challengers toegewezen na het beleg van Duinkerke. Na de oorlog nam Tsjecho-Slowakije 22 voertuigen over. Zij dienden eerst in de 11e Pantserbrigade, daarna in de 23e Pantserbrigade en ten slotte in het 13e Onafhankelijke Tankbataljon. In 1951 gingen de tanks in opslag. In 1959 werden zij afgevoerd voor sloop, waarmee hun operationele gebruik definitief eindigde.

Het Britse leger verving de Challenger na de oorlog snel door modernere typen. De A34 Comet bood een betere balans tussen mobiliteit, bewapening en constructie. Veel overgebleven Challengers werden naar het Verenigd Koninkrijk teruggebracht. De beperkte productie, het late verschijnen en de snelle vervanging zorgden ervoor dat het voertuig geen langdurige plaats kreeg in de naoorlogse Britse pantserstrijdkrachten.

Overlevende voertuigen

Er is nog één vrijwel complete Challenger bewaard gebleven. Dit voertuig bevindt zich in de collectie van Oorlogsmuseum Overloon. Het was afkomstig uit de verzameling van het Muzeeaquarium Delfzijl, dat in 1976 de militaire collectie van Arend Willem Ritzema afstootte. De tank werd aan het einde van de oorlog gebruikt door de 1e Poolse Pantserdivisie en kwam na de oorlog enige tijd in Nederlandse dienst.

Het Tank Museum in Bovington bezit een Challenger-koepel en een Challenger-romp, maar deze onderdelen horen niet bij elkaar. De toren kwam uit de collectie van het Isle of Wight Military Museum. Deze koepel had extra pantserplaten van 25 mm en was door het Britse leger aan de linkerzijde opengewerkt voor onderwijsdoeleinden. Daarnaast bewaart het Imperial War Museum een 17-ponder kanon met mantel uit een Challenger-toren.

Variant Avenger

De SP 17pdr, A30, beter bekend als Avenger, was een afgeleide van de Challenger. Deze tankjager kreeg een anders gevormde toren die aan de bovenkant open was om gewicht te besparen. Een lichte overkapping met luiken bood bescherming tegen regen. De romp was lager en het gewicht lag met ongeveer 31 ton rond 1,5 ton onder dat van de Challenger. Het ontwerp was bedoeld als tijdelijke antitankoplossing.

De Avenger werd ontwikkeld in 1943 en 1944, maar kwam te laat voor brede inzet in de oorlog in Europa. De productie vond plaats bij Vauxhall Motors, waar ook de Comet werd gebouwd. Omdat de Comet voorrang kreeg, waren er in 1945 slechts enkele Avengers gereed. De bestelling van 500 voertuigen werd na de oorlog eerst verlaagd tot 230 en daarna tot 80. De productie liep door tot in 1946.

De Avenger werd na de oorlog gebruikt door de British Army of the Rhine, de Britse bezettingsmacht in Duitsland. Enkele jaren waren twee antitankartilleriebataljons met het voertuig uitgerust. De variant laat zien dat het A30-chassis ook buiten de gesloten tanktoren werd benut. Toch bleef ook de Avenger een overgangstype. De snelle ontwikkeling van nieuwere tanks en tankjagers beperkte de duur van zijn dienst.

Conclusie

De Cruiser Mk VIII Challenger was een Britse poging om het 17-ponder kanon snel beschikbaar te maken voor cruiser tank-eenheden. Het voertuig bood sterke antitankbewapening, maar het aangepaste Cromwell-chassis bracht beperkingen mee op het gebied van hoogte, pantser, torenconstructie en betrouwbaarheid. De productie begon laat, de inzet bleef beperkt en de meeste voertuigen kwamen pas in actie in de laatste fase van de oorlog in West-Europa. Na 1945 werd de Challenger snel vervangen door modernere ontwerpen. De bewaard gebleven exemplaren en onderdelen tonen vooral de technische tussenstap die het voertuig vormde binnen de Britse tankontwikkeling.

Bronnen en meer informatie

  1. Afbeelding: See page for author, Public domain, via Wikimedia Commons
  2. Brojo, Petr (2007). Challenger Mk.VIII (A30). Army Wheels in Detail, No. 4. Capricorn Publications. ISBN 978-80-903945-2-0.
  3. Bronnen voor historisch onderzoek 1800–1946.