Anton Adriaan Mussert: Ingenieur en NSB-Leider (1894 – 1946)

Anton Adriaan Mussert (1894–1946) was een Nederlands ingenieur en politicus, medeoprichter en leider van de NSB. Tijdens de Duitse bezetting werkte hij samen met het nationaalsocialistische regime, terwijl hij tegelijk streefde naar een zelfstandig fascistisch Nederland. Na de bevrijding werd hij wegens hoogverraad en hulp aan de vijand ter dood veroordeeld en geëxecuteerd.

Vroege leven en opleiding

Anton Adriaan Mussert werd op 11 mei 1894 in Werkendam geboren als zoon van schoolhoofd Joannes Leonardus Mussert en Frederika Witlam. Hij groeide op in een hervormd gezin waarin gezag, Oranjegezindheid, spaarzaamheid en plichtsbesef centraal stonden. Na de lagere school bezocht hij de Rijks-HBS in Gorinchem, waar hij in 1912 afstudeerde. De nadruk op orde en hiërarchie uit zijn jeugd bleef later herkenbaar in zijn politieke taal en in zijn opvattingen over bestuur.

Mussert wilde aanvankelijk beroepsofficier worden, bij voorkeur bij de marine. Dat plan ging niet door, waarschijnlijk door zijn lengte of een oogafwijking; in de bronnen worden beide verklaringen genoemd. Vervolgens koos hij voor de studie weg- en waterbouwkunde aan de Technische Hogeschool in Delft. Kort na het begin van die studie stierf zijn vader, begin januari 1913. Biografen beschrijven dat verlies als een zware persoonlijke breuk, waarna studie, dienstplicht en herstel elkaar enkele jaren afwisselden.

In 1915 hervatte hij zijn studie en in 1918 behaalde hij cum laude het diploma civiel ingenieur. Zijn eerste werkzaamheden verrichtte hij bij Rijkswaterstaat, onder meer rond de nieuwbouw van de sluis bij IJmuiden. Vanaf 1920 werkte hij bij de Provinciale Waterstaat van Utrecht. Daar ontwikkelde hij zich tot een ambtenaar met grote belangstelling voor infrastructuur, waterbeheer en bestuurlijke ordening. Die technische loopbaan vormde de basis van zijn latere publieke uitstraling.

Deelname aan de Eerste Wereldoorlog

Bij het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog werd Mussert opgeroepen voor militaire dienst. Hij diende bij de vestingartillerie en bereikte de rang van korporaal. Een ernstige nierziekte maakte een voortijdig einde aan zijn actieve dienst. De combinatie van mobilisatie, ziekte en onderbroken studie versterkte zijn waardering voor discipline, staatsgezag en hiërarchie. Die elementen bleven later zichtbaar in zijn manier van spreken, organiseren en leidinggeven.

Tijdens zijn herstel werd hij verpleegd door Maria Witlam, een zuster van zijn moeder die achttien jaar ouder was dan hij. Beiden trouwden in 1917 in Rheden, na dispensatie van koningin Wilhelmina. Het huwelijk bleef kinderloos en werd later een terugkerend onderwerp van spot. De ongebruikelijke familieband kreeg extra aandacht zodra Mussert een publieke politieke rol ging vervullen.

Interbellum: Ingenieur, verdragspolitiek en de NSB

Ingenieur en bestuurder

Musserts loopbaan als ingenieur verliep snel. Na zijn start bij Rijkswaterstaat werd hij in Utrecht eerst ingenieur en in 1927 hoofdingenieur bij de Provinciale Waterstaat. Hij werkte aan bruggen, de afwatering van de Gelderse Vallei en de voorbereiding van het Amsterdam-Rijnkanaal. Ook de later zogenoemde Mussertpalen worden met zijn periode in Utrecht verbonden. Tijdgenoten en latere auteurs beschrijven hem als werklustig en dossiersterk, maar ook als eigengereid. Die combinatie van technische ambitie en behoefte aan controle werkte door in zijn politieke ontwikkeling.

Van het Belgisch Verdrag naar politieke radicalisering

Een keerpunt vormde het Belgisch-Nederlandse verdrag van 1925 over waterwegen en scheepvaart. In nationalistische kring leefde de overtuiging dat de voorgestelde verbinding van Antwerpen met de Rijn de positie van Rotterdam zou schaden. Mussert organiseerde met medestanders een buitenparlementaire campagne tegen het verdrag en werd secretaris van het Nationaal Comité. De actie droeg bij aan de verwerping van het verdrag door de Eerste Kamer op 24 maart 1927, waarna minister H.A. van Karnebeek aftrad.

Dat succes versterkte zijn gevoel van politieke roeping. In het comité werkte hij samen met Cornelis van Geelkerken, later zijn medeoprichter binnen de NSB, en met mr. Johannes Zaaijer, die in 1946 de doodstraf tegen hem zou eisen. Na 1927 richtte Mussert zich formeel weer op zijn ambtelijke werk, maar de gedachte aan een beweging voor nationaal herstel bleef bestaan. De crisis na 1929 verscherpte zijn overtuiging dat het parlementaire stelsel faalde en dat Nederland zonder ingrijpen naar het communisme zou afglijden.

Oprichting en groei van de NSB

Voor zijn breuk met de gevestigde politiek was Mussert korte tijd actief binnen de Liberale Staatspartij De Vrijheidsbond en vervolgens in de Nationale Unie van Carel Gerretson. In 1931 richtte hij samen met Cornelis van Geelkerken de Nationaal-Socialistische Beweging in Nederland op. Aanvankelijk presenteerde hij die beweging als een Nederlandse vorm van autoritair nationalisme en wees hij de Duitse rassenleer en openlijk antisemitisme af. Midden jaren dertig behaalde de NSB bijna 8 procent van de stemmen, maar vanaf 1937 verloor de partij steun door het ambtenarenverbod, het verbod op de WA en de groeiende afkeer van haar oriëntatie op Duitsland.

Met de komst van Meinoud Rost van Tonningen verschoof de NSB verder in nationaalsocialistische richting. De partij werd radicaler en antisemitischer, terwijl Mussert formeel leider bleef. In 1936 ontmoette hij Adolf Hitler en later onderhield hij ook contacten met Joachim von Ribbentrop en Heinrich Himmler. Hij probeerde zijn gezag te onderbouwen met een leiderscultus en met publicaties die zijn loopbaan als ingenieur benadrukten. Dat vergrootte zijn zichtbaarheid, maar niet zijn werkelijke machtsbasis binnen de partij of tegenover Duitsland.

Nederlands-Indië en het Guyanaplan

In 1935 reisde Mussert naar Nederlands-Indië om de positie van de NSB daar te versterken. De beweging telde er toen al ongeveer 5.000 leden en Mussert werd tweemaal ontvangen door gouverneur-generaal Bonne de Jonge. Drie jaar later kwam hij met het zogeheten Guyanaplan, bedoeld als antwoord op de Joodse vluchtelingencrisis in Europa. Hij stelde voor om Suriname, Brits-Guyana en Frans-Guyana samen te voegen tot een Joods nationaal tehuis, terwijl Nederland in ruil een deel van Portugees Mozambique zou krijgen. Het voorstel werd besproken, maar niet overgenomen.

Deelname aan de Tweede Wereldoorlog

Positie onder de Duitse bezetting

Toen Duitsland in mei 1940 Nederland binnenviel, dook Mussert onder. Later stelde hij dat hij daarmee de eerste onderduiker van de oorlog was geweest. Na de capitulatie trad hij weer naar voren als leider van de NSB en als spreekbuis van een nieuw, door Duitsland gedomineerd Europa. Op de Hagespraak der Bevrijding van 22 juni 1940 betuigde hij publiek steun aan Hitlers nieuwe orde. Zelf hoopte hij op een positie als regeringsleider of regent naar het voorbeeld van Vidkun Quisling in Noorwegen.

De Duitse bezetters gaven hem echter geen zelfstandige macht. Mussert pleitte voor een Groot-Nederland binnen het Duitse Rijk, waarin ook Vlaanderen, Frans-Vlaanderen en later Wallonië een plaats zouden krijgen. Tegelijk verzette hij zich tegen volledige opname van Nederland in een Groot-Duits of Groot-Germaans rijk. In 1941 legde hij persoonlijk een eed van trouw aan Adolf Hitler af, iets wat voor veel Nederlanders verborgen bleef. In 1942 kreeg hij de eretitel leider van het Nederlandse volk en in 1943 een adviserend staatspolitiek secretariaat, maar feitelijke macht kreeg hij niet.

Conflicten binnen de NSB

Binnen de NSB voerde Mussert strijd met radicalere leden, vooral met Rost van Tonningen. Waar Mussert vasthield aan een formeel zelfstandig fascistisch Nederland binnen een door Duitsland beheerste orde, streefde de SS-gerichte vleugel naar nauwere inpassing in het Duitse systeem. In die strijd verloor Mussert geleidelijk terrein. Zijn pogingen om zich als nationale leider naar Italiaans voorbeeld te presenteren maakten weinig indruk op de bezetter en werden ook binnen eigen kring geregeld als geforceerd ervaren.

Toch bleef hij tot het einde toe aan Hitler verbonden. De NSB werkte mee aan werving voor Nederlandse vrijwilligers aan het oostfront en ondersteunde de bestuurlijke doelen van de bezetter. Na Dolle Dinsdag in september 1944 liet Mussert grote groepen partijleden en hun gezinnen naar Duitsland evacueren. In de slotfase van de oorlog zette hij Van Geelkerken en Rost van Tonningen nog uit de partij. Toen het nieuws van Hitlers dood op 1 mei 1945 kwam, sprak Mussert nog steeds waarderende woorden over hem.

Privéleven, bezit en omstreden kwesties

Tijdens de bezetting bouwde Mussert persoonlijk vermogen op. In naoorlogse studies wordt dat geschat op ongeveer 900.000 gulden, mede verkregen via financiële druk op Joodse bedrijven en toe-eigening van Joods onroerend goed. In dezelfde periode trok zijn privéleven aandacht door zijn relatie met zijn achternicht Marietje Mijnlieff. Met zijn financiële steun werd in 1943 het landhuis Eik en Linde in Naarden gekocht, waar hij geregeld verbleef. Over zijn rol bij het Plan-Frederiks en de plaatsing van een kleine groep Joden in Villa Bouchina bestaat onzekerheid. Wel staat vast dat deze bewoners in april 1943 alsnog naar Theresienstadt werden gedeporteerd.

Na de oorlog

Arrestatie en proces

Op 7 mei 1945, een dag na de capitulatie van de Duitse troepen in Nederland, werd Mussert in Den Haag gearresteerd op zijn kantoor in het voormalige Kabinet der Koningin aan de Vijverberg. Hij probeerde niet te vluchten. Tijdens zijn gevangenschap schreef hij op 20 november 1945 aan minister-president Willem Schermerhorn over een vermeende uitvinding op het gebied van de scheepvaart, die volgens hem van groot militair belang was. Hij hoopte zelfs op contact met de Amerikaanse president Truman, maar daarop werd niet ingegaan.

Het proces vond plaats op 27 en 28 november 1945 voor het Bijzonder Gerechtshof in Den Haag. Na het overlijden van zijn eerste advocaat trad mr. C.R.C. Wijckerheld Bisdom als raadsman op. Mussert werd op 12 december 1945 ter dood veroordeeld wegens het bevorderen van een aanslag om het rijk onder vreemde heerschappij te brengen, het voorbereiden van een aanslag op de grondwettige regeringsvorm en het opzettelijk hulp verlenen aan de vijand. Op 20 maart 1946 bevestigde de Bijzondere Raad van Cassatie het vonnis.

Hoewel Mussert geen voorstander was van volledige annexatie van Nederland door Duitsland, maar van een zelfstandig fascistisch Nederland binnen een door Berlijn beheerste orde, veranderde dat niets aan de strafrechtelijke beoordeling van zijn handelen. Door zijn samenwerking met Hitler, de NSB en de bezettingsmacht had hij de vijand geholpen en de constitutionele orde ondermijnd. Daarom gold hij na de bevrijding in brede kring als het meest zichtbare symbool van Nederlandse collaboratie.

Executie en nasleep

Mussert vroeg zelf geen gratie; een verzoek van zijn familie werd door koningin Wilhelmina afgewezen. Op 7 mei 1946, exact een jaar na zijn arrestatie, werd hij op de Waalsdorpervlakte geëxecuteerd door een vuurpeloton. Daarna werd hij in Den Haag in een ongemarkeerd graf begraven. In juni 1956 probeerden leden van de Vlaamse Militanten Orde zijn resten op te graven. De autoriteiten lieten de stoffelijke resten vervolgens zodanig herbegraven dat herkenning uitgesloten moest zijn.

Later bleven verhalen circuleren over een mogelijke verplaatsing van zijn gebeente, maar de officiële stukken ondersteunen die lezing niet. Ook andere onderdelen van de beeldvorming bleven omstreden. Spotliederen en propagandaliederen hielden zijn naam in omloop, terwijl later onderzoek afrekende met de populaire bewering dat zijn laatste woorden geheim waren gehouden. Van vastgelegde laatste woorden blijkt geen betrouwbare documentatie te bestaan. Zo bleef niet alleen zijn politieke rol, maar ook zijn herinnering na 1945 onderwerp van debat.

Conclusie

Anton Mussert verbond technische deskundigheid, autoritair nationalisme en collaboratie in één politieke loopbaan. Als ingenieur werkte hij zich op binnen de waterstaat, maar vanaf de jaren twintig verschoof zijn aandacht naar nationaal reveil en partijvorming. Tijdens de Duitse bezetting kreeg hij vooral symbolische status, zonder zelfstandige macht, terwijl zijn samenwerking met de vijand zijn historische positie bepaalde. Zijn levensloop laat zien hoe bestuurlijke ambitie, ideologische verharding en persoonlijke berekening samenkwamen in het Nederland van crisis, bezetting en naoorlogse berechting.

Bronnen en meer informatie

  1. Afbeelding: Bundesarchiv, Bild 183-S61074 / CC-BY-SA 3.0, CC BY-SA 3.0 DE, via Wikimedia Commons
  2. Havenaar, Ronald (1984). Anton Mussert, verrader voor het vaderland, een biografische schets. 2e aangevulde druk. Den Haag: Kruseman. ISBN 90-233-0539-6.
  3. Meyers, Jan (2005). Mussert, een politiek leven. 2e geheel herziene en uitgebreide druk. Soesterberg: Aspekt. ISBN 90-295-3113-4.
  4. Mussert, Anton; Groeneveld, Gerard (bezorgd en ingeleid) (2005). Nagelaten bekentenissen, verantwoording en celbrieven van de NSB-leider. Nijmegen: Vantilt. ISBN 90-77503-38-2.
  5. Tesselpollmannonderzoek – Voor diepgaand onderzoek naar de activiteiten en politieke bewegingen van Mussert.
  6. Loh, Werner; Wippermann, Wolfgang; Fritze, Lothar (2003). “Faschismus” kontrovers. Lucius & Lucius. ISBN 3-8282-0238-1.
  7. Bronnen voor historisch onderzoek 1800–1946.
Previous articleAntisemitisme: Oorzaken, Vormen en Gevolgen door de Tijd
Next articleDe Ontwikkeling van ASDIC: Van Begin tot Moderne Sonarsysteem
Redactie Mei 1940
De redactie van mei1940.org bestaat uit een diverse groep schrijvers met een gemeenschappelijke interesse in de Tweede Wereldoorlog. Sommigen hebben een militaire achtergrond en brengen praktijkervaring en strategisch inzicht mee, terwijl anderen een academische of wetenschappelijke opleiding hebben gevolgd, zoals aan de Koninklijke Militaire Academie (KMA) of in historisch onderzoek. Deze combinatie van expertise zorgt voor diepgaande, goed onderbouwde artikelen die zowel feitelijk accuraat als analytisch sterk zijn. De redactie streeft ernaar om objectieve en goed gedocumenteerde informatie te bieden, waarbij kennis en ervaring samenkomen om een genuanceerd beeld te schetsen van deze ingrijpende periode in de geschiedenis.