
HMS Jamaica was een lichte kruiser van de Fiji-klasse in dienst bij de Royal Navy. Het schip werd genoemd naar het eiland Jamaica, destijds een Britse kroonkolonie. Tijdens de Tweede Wereldoorlog was HMS Jamaica voornamelijk actief in het Noordpoolgebied, waar zij konvooien begeleidde en deelnam aan meerdere maritieme operaties. Het schip speelde een rol in de Slag in de Barentszzee (1942) en de Slag bij Noordkaap (1943), waarbij de Duitse slagschip Scharnhorst tot zinken werd gebracht. In de naoorlogse periode nam Jamaica deel aan operaties in het Verre Oosten en tijdens de Koreaanse Oorlog. Het schip bleef in dienst tot eind jaren vijftig en werd in 1960 gesloopt.
Ontwerp en constructie
HMS Jamaica werd gebouwd door Vickers-Armstrongs in Barrow-in-Furness als onderdeel van het Britse marineprogramma van 1938. De kiel werd gelegd op 28 april 1939, gevolgd door de tewaterlating op 16 november 1940. Het schip werd officieel in dienst genomen op 29 juni 1942. De Fiji-klasse was ontworpen als een verkorte versie van de eerdere Town-klasse kruisers, waarbij bezuinigingen op lengte en bepantsering waren doorgevoerd om het ontwerp lichter en goedkoper te maken.
De totale lengte van HMS Jamaica bedroeg 169,3 meter, met een breedte van 18,9 meter en een diepgang van 6 meter. De standaard waterverplaatsing was 8.631 ton. De voortstuwing bestond uit vier Parsons tandwielreductie-stoomturbines, elk verbonden met een afzonderlijke schroefas, gevoed door vier Admiralty 3-drum ketels. Dit leverde in totaal 80.000 asvermogen op, goed voor een maximumsnelheid van 32,25 knopen. Het brandstofbereik was 6.520 zeemijlen bij een kruissnelheid van 13 knopen. De bemanning bestond uit 733 personen in vredestijd en 900 tijdens oorlogsomstandigheden.
Bewapening
De hoofdartillerie van HMS Jamaica bestond uit vier drievoudige geschutstorens met 152 mm (6-inch) kanonnen, opgesteld in twee supervuurparen voor en achter de opbouw. De secundaire bewapening omvatte vier tweelingopstellingen van 102 mm (4-inch) dubbelrolkanonnen, geschikt voor zowel oppervlakte- als luchtdoelen. Voor luchtafweer op korte afstand beschikte het schip over twee viervoudige 40 mm “pom-pom”-opstellingen en tien enkele 20 mm Oerlikon-kanonnen. Daarnaast had HMS Jamaica twee drievoudige torpedolanceerinrichtingen voor 533 mm (21-inch) torpedo’s.
Tijdens latere oorlogsjaren werd de luchtafweer uitgebreid, waarbij meerdere 20 mm-kanonnen werden vervangen of aangevuld door 40 mm Bofors-kanonnen voor een betere vuurkracht tegen vijandelijke vliegtuigen.
Bepantsering
De Fiji-klasse beschikte niet over een volledige pantsergordel langs de waterlijn. In plaats daarvan waren de vitale delen van het schip, zoals de machinekamers en munitieopslagplaatsen, beschermd door pantserplaten van 83–89 mm. De dekbepantsering boven deze secties varieerde van 51 tot 89 mm. De geschutstorens hadden een bepantsering van 25 tot 51 mm. Deze bepantsering bood bescherming tegen lichte en middelzware artillerie, maar was minder effectief tegen zwaar kaliber scheepsgeschut.
Sensoren en dataverwerking
HMS Jamaica werd bij indienststelling uitgerust met het Admiralty Fire Control Table Mk VII-systeem voor de hoofdartillerie. Dit analoge, mechanische vuurleidingssysteem verwerkte gegevens over afstand, koers en snelheid van het doelwit, waarbij automatisch correcties werden toegepast voor factoren als wind, scheepsbewegingen en munitieballistiek. Voor de secundaire artillerie tegen luchtdoelen gebruikte het schip het High Angle Control System (HACS Mk IV), dat optische richtmiddelen en afstandsmeters combineerde voor gecoördineerd luchtafweervuur.
In de loop van de oorlog werd Jamaica voorzien van Type 274 “lock and follow” oppervlaktewaarnemingsradar. Dit systeem kon doelen automatisch volgen en verhoogde de kans op treffers bij de eerste salvo’s, met name onder slechte zichtomstandigheden in het Arctische gebied. Daarnaast werd Type 273-radar gebruikt voor langeafstandsdectie van oppervlaktecontacten, en in sommige periodes Type 281 of vergelijkbare vroege luchtwaarschuwingsradars voor luchtdoelen.
De Fiji-klasse, inclusief Jamaica, beschikte tijdens de oorlog niet over een volwaardig Combat Information Center (CIC) of Action Information Centre (AIC). Evenmin was er een centrale radar plot aanwezig zoals bij sommige latere Britse schepen en bij Amerikaanse kruisers en slagschepen. De verwerking van radar- en optische gegevens vond verspreid plaats in afzonderlijke vuurleidingsposten en brugposities, zonder centrale coördinatie of geïntegreerde presentatie. Hierdoor was de tactische besluitvorming sterk afhankelijk van afzonderlijke commandoposten en mondelinge communicatie, wat in complexe gevechtssituaties minder efficiënt was.
In de naoorlogse periode onderging Jamaica moderniseringen waarbij verbeterde versies van Type 274-radar werden geïnstalleerd en extra luchtdoelradars werden toegevoegd voor de secundaire artillerie. Deze upgrades werden uitgevoerd tijdens grote onderhoudsperiodes in de jaren vijftig. Hoewel deze verbeteringen het detectievermogen en de vuurprecisie verhoogden, bleven de structurele beperkingen van het ontwerp bestaan doordat geen volwaardig CIC of radar plot werd toegevoegd.
Modificaties
Tijdens haar diensttijd onderging HMS Jamaica meerdere modificaties. In 1943–1944 werden extra luchtafweerkanonnen geplaatst en kreeg het schip verbeterde radarsystemen. Tijdens een grote refit in 1944 werd de ‘X’-toren verwijderd en de luchtafweer verder uitgebreid met onder andere 40 mm Bofors-kanonnen. Na de oorlog kreeg Jamaica aanvullende radarapparatuur, waaronder verbeterde versies van Type 274. In de jaren vijftig werden enkele geschutstorens buiten gebruik gesteld om de bemanning te verkleinen en de leefomstandigheden te verbeteren.
Status schip tijdens de oorlog
Bij indienststelling in 1942 voldeed HMS Jamaica aan de toenmalige operationele eisen voor lichte kruisers. Het schip was uitgerust met moderne vuurleidingssystemen voor zijn hoofd- en secundaire bewapening. Echter, vanaf 1943 werd de afwezigheid van een geïntegreerd Combat Information Center (CIC) of Action Information Centre (AIC) een beperking in vergelijking met nieuwere ontwerpen. Ondanks deze beperking bleef Jamaica effectief ingezet in escortetaken, konvooibescherming en offensieve operaties in de noordelijke wateren.
Operationele geschiedenis
HMS Jamaica begon haar actieve dienst in september 1942 met deelname aan de bescherming van het Arctische konvooi PQ 18. In november maakte zij deel uit van de Centre Task Force tijdens Operatie Torch, de geallieerde landingen in Noord-Afrika. Kort daarna werd zij toegewezen aan Force R voor de bescherming van het konvooi JW 51B. Op 31 december 1942 nam Jamaica deel aan de Slag om de Barentszzee, waarbij zij samen met HMS Sheffield de Duitse kruiser Admiral Hipper bestreed en de torpedobootjager Z16 Friedrich Eckoldt tot zinken bracht. Het konvooi bereikte de Kola Inlet zonder verlies van koopvaardijschepen, ondanks het verlies van enkele escorteschepen.
Begin 1943 keerde Jamaica terug naar de Home Fleet en nam deel aan de bescherming van meerdere Arctische konvooien. Op 26 december 1943 speelde zij een rol in de Slag bij Noordkaap. Samen met HMS Duke of York onderschepte zij de Duitse slagschip KMS Scharnhorst tijdens een poging om konvooi JW 55B aan te vallen. Na een langdurig gevecht, waarbij de Scharnhorst zwaar beschadigd raakte door artillerievuur en torpedo’s, lanceerde Jamaica meerdere torpedo’s in de eindfase. De Scharnhorst zonk met vrijwel haar gehele bemanning.
In 1944 diende Jamaica als escorte voor vliegdekschepen die aanvallen uitvoerden op de Duitse slagschip KMS Tirpitz in Noorwegen, waaronder Operatie Tungsten in april en Operatie Mascot in juli. Daarnaast begeleidde zij Arctische konvooien JW 59 en RA 59. In oktober 1944 onderging het schip een grote refit, waarbij onder meer de ‘X’-toren werd verwijderd en de luchtafweer werd versterkt.
Na voltooiing van de refit in april 1945 werd Jamaica ingezet voor ceremoniële taken, waaronder het vervoer van koning George VI naar de Kanaaleilanden. In september 1945 werd zij toegewezen aan het 5e kruisereskader van de East Indies Fleet en later aan het 4e kruisereskader. In 1948 werd zij overgeplaatst naar de North America and West Indies Station.
Toen de Koreaanse Oorlog uitbrak in juni 1950, was Jamaica onderweg naar Japan. Samen met HMS Black Swan en USS Juneau bombardeerde zij Noord-Koreaanse troepen langs de oostkust. Op 2 juli nam zij deel aan een zeeslag bij Chumunjin, waarbij meerdere Noord-Koreaanse patrouillevaartuigen tot zinken werden gebracht. In september 1950 verleende zij vuursteun bij de landing bij Inchon en ondersteunde zij het 1e Mariniersregiment. Op 17 september werd zij aangevallen door twee Noord-Koreaanse vliegtuigen, waarbij één bemanningslid omkwam.
In 1956 nam Jamaica deel aan Operatie Musketeer tijdens de Suez-crisis.
Na de oorlog
Na de Koreaanse Oorlog werd HMS Jamaica in 1953 vlaggenschip van de Reserve Fleet. In 1954 werd zij opnieuw in actieve dienst genomen voor inzet bij de Mediterranean Fleet, als onderdeel van het 1e kruisereskader. Tijdens deze periode onderging zij in 1955 een refit in Chatham Dockyard.
Eind 1955 en begin 1956 werd het schip gebruikt als filmdecor voor de rol van HMS Exeter in de speelfilm The Battle of the River Plate, samen met HMS Sheffield in de rol van HMS Ajax.
In november 1956 voerde Jamaica tijdens Operatie Musketeer het bevel over de bombardementsmacht die de landingen van Royal Marines bij Port Said ondersteunde. Door een besluit van het Britse kabinet mocht het hoofdgeschut van 6 inch niet worden ingezet; de artilleriesteun werd geleverd met secundair geschut.
In september 1958 werd zij uit actieve dienst genomen en in reserve geplaatst. Op 14 november 1960 werd zij verkocht voor sloop aan Arnott Young en op 20 december van dat jaar arriveerde zij op de werf in Dalmuir, waar de ontmanteling begon..
Conclusie
HMS Jamaica was tijdens haar indienststelling in 1942 een moderne lichte kruiser binnen de mogelijkheden van de Fiji-klasse. Het schip combineerde effectieve artilleriebewapening met degelijke vuurleidingssystemen, waaronder het Admiralty Fire Control Table voor de hoofdartillerie en het High Angle Control System voor luchtafweer. De installatie van Type 274-radar verhoogde de trefkans bij de eerste salvo’s, vooral in slechte weersomstandigheden, maar het ontbreken van een volwaardig Combat Information Center (CIC), Action Information Centre (AIC) en centrale radar plot maakte de informatieverwerking minder efficiënt dan bij schepen die vanaf 1943 aan de hoogste normen voldeden.
In de Tweede Wereldoorlog was Jamaica actief in het Arctische gebied, bij Operatie Torch, de Slag om de Barentszzee en de Slag bij Noordkaap. Na de oorlog diende zij in het Verre Oosten, de West-Indische wateren, de Koreaanse Oorlog en nam zij deel aan Operatie Musketeer. Ondanks meerdere moderniseringen bleven de beperkingen van het oorspronkelijke ontwerp bestaan.
Het schip bleef operationeel inzetbaar tot het einde van de jaren vijftig en werd in 1960 gesloopt. HMS Jamaica is daarmee een voorbeeld van een oorlogsschip dat zijn operationele waarde behield door inzet en onderhoud, maar technisch gezien verouderd raakte door het ontbreken van geïntegreerde informatieverwerking.
Bronnen en meer informatie
- Afbeelding: HMS Jamaica anchored. Public Domain, via wiki commons
- Brown, D. K. & Moore, George (2003). Rebuilding the Royal Navy: Warship Design Since 1945. Annapolis, Maryland: Naval Institute Press. ISBN 1-59114-705-0.
- Friedman, Norman (2010). British Cruisers: Two World Wars and After. Barnsley, UK: Seaforth Publishing. ISBN 978-1-59114-078-8.
- Raven, Alan & Roberts, John (1980). British Cruisers of World War Two. Annapolis, Maryland: Naval Institute Press. ISBN 0-87021-922-7.
- Rohwer, Jürgen (2005). Chronology of the War at Sea 1939–1945: The Naval History of World War Two (Third Revised ed.). Annapolis, Maryland: Naval Institute Press. ISBN 1-59114-119-2.
- Stephen, Martin (1988). Sea Battles in Close-Up: World War 2. Annapolis, Maryland: Naval Institute Press. ISBN 0-87021-556-6.
- Whitley, M. J. (1995). Cruisers of World War Two: An International Encyclopedia. London: Cassell. ISBN 1-86019-874-0.
- Bronnen voor historisch onderzoek 1800–1946









