
De Lorraine 37L was een Frans licht gepantserd rupsvoertuig voor de bevoorrading van tankeenheden. Het voertuig werd ontwikkeld vóór de Tweede Wereldoorlog en kwam in 1939 in productie. Tijdens de Slag om Frankrijk in 1940 diende het vooral voor munitie, brandstof en onderhoudsmateriaal. Na de Franse nederlaag gebruikten Duitse eenheden buitgemaakte voertuigen, onder meer als basis voor de Marder I en zelfrijdende artillerie.
Ontwikkeling
De ontwikkeling van de Lorraine 37L begon vanuit een Franse behoefte aan betere bevoorrading van zelfstandige tankeenheden. In 1934 werd opdracht gegeven voor een munitievoertuig dat het operationele bereik van tanks moest vergroten. De Renault 36R werd eerst gekozen voor verdere ontwikkeling, maar deze tractor was slechts gedeeltelijk gepantserd. Daarom stelde het Franse leger op 17 april 1936 nieuwe eisen op voor een volledig gepantserd voertuig dat brandstof en munitie tot dicht bij de frontlijn kon brengen.
Lorraine voltooide begin 1937 een prototype. Het voertuig was een verlengde versie van een ontwerp dat bedoeld was als vervanger van de Renault UE Chenillette, een kleine rupsvoertuigtrekker voor infanteriebevoorrading. De Commission de Vincennes kreeg opdracht om het prototype te testen en te beoordelen. Het voertuig werd op 9 juli 1937 gepresenteerd en tot 4 augustus beproefd. De eerste uitvoering gebruikte een Delahaye 124 F-motor van 2371 cc.
De eerste testritten lieten zien dat het voertuig aanpassing nodig had. Zonder aanhanger haalde het prototype ongeveer 30 kilometer per uur, maar met de bedoelde brandstofaanhanger zakte de snelheid naar 22,8 kilometer per uur. Dat werd onvoldoende gevonden voor de eisen van tankeenheden. Lorraine plaatste daarom een sterkere Delahaye 135-motor en een zwaardere koppeling. Tijdens nieuwe proeven tussen 22 september en 29 oktober 1937 bereikte het voertuig de gevraagde snelheid van 35 kilometer per uur.
Productie
De Franse keuringscommissie keurde het type eind 1937 goed. Daarbij speelde de betrouwbare ophanging een belangrijke rol, omdat Franse pantservoertuigen uit deze periode vaak last hadden van te zwakke of ingewikkelde veersystemen. In september 1939 werd besloten om de productiecapaciteit voor onderdelen van deze ophanging vooral te reserveren voor de langere Lorraine 37L. Daardoor ging een kortere Lorraine-vervanger voor de Renault UE niet in serieproductie.
In 1938 plaatste het Franse leger drie bestellingen voor de Tracteur de ravitaillement pour chars 1937 L, meestal afgekort als TRC 37L. Deze bestellingen bestonden uit 78, 100 en nogmaals 100 voertuigen. In 1939 volgden nieuwe orders voor 100 en 74 voertuigen, aangevuld met een verschoven bestelling van 100 voertuigen. Daarmee kwam het totaal vóór de uitbreiding van de oorlogsproductie op 552 voertuigen. Het eerste exemplaar werd op 11 januari 1939 geleverd.
Na het uitbreken van de oorlog werden de plannen vergroot. De uitbreiding van Franse pantserdivisies maakte meer bevoorradingsvoertuigen nodig, waardoor het aantal bestelde Lorraine 37L’s opliep tot 1.012. De geplande productie bedroeg eerst vijftig voertuigen per maand en moest later naar zeventig stijgen. Fouga bouwde in Béziers een tweede assemblagehal om de productie te ondersteunen. Deze aantallen werden in de praktijk niet gehaald. Op 26 mei 1940 waren 432 voertuigen aan het leger geleverd, terwijl ongeveer 480 tot 490 voertuigen waren voltooid rond 25 juni 1940.
Ontwerp en technische kenmerken
De Lorraine 37L was een klein, laag en langwerpig rupsvoertuig. De breedte bedroeg 1,57 meter, de lengte 4,22 meter en de hoogte 1,215 meter. Het voertuig had geen geschutskoepel en geen hoge opbouw, waardoor het silhouet beperkt bleef. De bepantsering was licht: negen millimeter op de verticale geklonken platen, zes millimeter aan boven- en onderzijde en twaalf millimeter op het gegoten afgeronde neusdeel. Het lege basisvoertuig woog 5,24 ton.
De ophanging was een belangrijk onderdeel van het ontwerp. Aan iedere zijde zaten zes grote loopwielen, gegroepeerd in drie draaistellen. Deze verdeling gaf een lage gronddruk en een gunstige spreiding van het gewicht. Elk draaistel kon verticaal bewegen en werd geveerd door een omgekeerd bladveersysteem onder de bovenloop van de rupsband. De rupsbanden waren 22 centimeter breed. De aandrijfwielen zaten vooraan en werden aangedreven via een transmissie in de neus van het voertuig.
De bemanning bestond uit twee personen in het voorste compartiment. De bestuurder zat links, met de aandrijfas tussen de bemanningsleden. Toegang verliep via twee brede horizontale luiken. Het bovenste luik scharnierde omhoog en gaf de bestuurder bij opening beter zicht. Het onderste luik scharnierde naar beneden. Achter het bemanningscompartiment lag de motorruimte, gescheiden door een brandschot. De uitlaatdemper zat links aan de buitenzijde onder een gepantserde afdekking.
Alle serievoertuigen gebruikten een Delahaye Type 135 zescilindermotor van 3,556 liter. Deze motor leverde 70 pk bij 2.800 toeren per minuut. De maximumsnelheid bedroeg 35 kilometer per uur, met een gemiddelde snelheid van ongeveer 20 kilometer per uur. Het voertuig kon door 60 centimeter water rijden, een greppel van 130 centimeter oversteken en een helling van 50 procent nemen. De brandstofvoorraad bedroeg 114 liter, goed voor een bereik van ongeveer 137 kilometer.
Bevoorradingsuitrusting
De Lorraine 37L was gebouwd om tanks in het veld te voorzien van brandstof, munitie en onderhoudsmateriaal. Achter op het voertuig bevond zich een gepantserde munitiebak met een laadvermogen van 810 kilogram. Daarmee kwam het gewicht van het voertuig beladen op ongeveer 6,05 ton. Net als de Renault UE trok de Lorraine 37L een gepantserde rupsaanhanger, die vooral werd gebruikt voor brandstof.
De aanhanger had twee loopwielen per zijde en droeg meestal een brandstoftank van 565 liter. Het laadvermogen van de aanhanger bedroeg 690 kilogram, terwijl de totale laadcapaciteit van voertuig en aanhanger samen ongeveer 1,5 ton was. De complete combinatie werd 6,9 meter lang. De aanhanger bevatte bovendien een Vulcano-brandstofpomp en bergvakken voor olie, vet, water en onderhoudsgereedschap. Daarmee kon een tankeenheid op tactisch niveau sneller worden ondersteund.
De voertuigen waren geschilderd in het standaardgroen van het Franse leger. Deze kleur had een grijzige tint. Daaroverheen werd een donker aardebruin patroon aangebracht. De beschildering paste bij Franse camouflagegebruiken in de late jaren dertig. Het uiterlijk bleef daardoor functioneel en eenvoudig. Het voertuig was niet bedoeld voor gevechtsoptreden als tank, maar voor beschermde ondersteuning van tanks die zich onder artillerievuur of in moeilijk terrein bevonden.
Tactische rol in Franse tankeenheden
De Lorraine 37L werd vanaf 1939 ingevoerd bij bevoorradingseenheden van Franse tankbataljons. Deze invoering viel samen met een verandering in het Franse denken over pantseroorlog. In de vroege jaren dertig lag de nadruk vooral op diepe verdedigingszones en nauwe samenwerking tussen tanks en infanterie. Later groeide het besef dat moderne tankeenheden na een doorbraak ook snel moesten kunnen blijven bewegen. Daarvoor was brandstofbevoorrading in het veld noodzakelijk.
Gewone vrachtwagens konden tanks niet altijd volgen op een slagveld met granaattrechters, loopgraven en slecht terrein. Bovendien waren zij kwetsbaar voor granaatscherven en vuur in gebieden waar artillerie actief was. De eerdere methode, waarbij tanks terugkeerden naar hun uitgangspositie om te worden bijgevuld, paste slecht bij het tempo van moderne operaties. De Lorraine 37L moest dit probleem verminderen door als gepantserd rupsvoertuig dichter bij de tanks te kunnen komen.
Binnen de infanterietankbataljons, de Bataillons de Chars de Combat, was een vaste verdeling voorzien. Een zelfstandig bataljon kreeg twaalf Lorraine-tractoren, vier in het bevoorradingspeloton van elk van de drie compagnieën. Bataljons in pantserdivisies met Char B1 of Char B1 bis kregen 27 TRC 37L’s. Deze hogere toewijzing hing samen met het grote brandstofverbruik en het beperkte bereik van deze zware tanks. Per groep van drie tanks volgde in dat geval een eigen brandstofvoertuig.
Ook de Franse cavalerie gebruikte de Lorraine 37L in bepaalde gemechaniseerde verbanden. Per eskadron van twintig tanks waren drie Lorraine-tractoren voorzien, wat neerkwam op 24 voertuigen per gemechaniseerde lichte divisie. Eenheden met AMR 35 of Panhard 178 gebruikten het voertuig niet, omdat de snelheid te laag werd gevonden. Er bestond een plan om een sterkere motor te plaatsen en de snelheid naar 50 kilometer per uur te verhogen, maar dit werd niet in gewone dienst ingevoerd.
Inzet tijdens de Slag om Frankrijk
Bij de Duitse aanval op 10 mei 1940 beschikten Franse tankeenheden op papier over 606 Lorraine 37L’s. Dat aantal was onvoldoende om alle eenheden hun volledige voorziene aantal te geven. Ongeveer een derde van de eenheden moest het zonder het volledige aantal doen. De Franse legerleiding besloot op dezelfde dag de sterkte van de 1e en 2e Division Cuirassée aan TRC 37L’s met de helft te verhogen, omdat deze divisies als reserve waren voorzien tegen een verwachte Duitse doorbraak bij Gembloux.
De Franse verwachting kwam niet overeen met het werkelijke verloop van de Duitse operatie. De hoofdaanval vond plaats bij Sedan, waardoor de 3e Division Cuirassée naar dat gebied werd gestuurd. Deze divisie had eerder twaalf TRC 37L’s moeten afstaan aan de 1e Division Cuirassée. Op 15 mei werd de 1e Division Cuirassée tijdens het bijtanken verrast door de Duitse 7. Panzerdivision. Dit voorval liet zien dat bevoorrading in beweging kwetsbaar bleef, ook wanneer gespecialiseerde voertuigen aanwezig waren.
In de praktijk reden de bevoorradingsvoertuigen vaak over wegen naar afgesproken verzamelpunten. Daar ontmoetten zij de tanks om brandstof over te pompen. De Vulcano-pomp kon theoretisch 565 liter in vijftien minuten verplaatsen. Een zware tank volledig vullen duurde gewoonlijk veertig tot zestig minuten. De brandstofaanhangers werden aangevuld vanuit compagnievrachtwagens met 3.600 liter benzine. Op grotere afstanden bleven vrachtwagens daarom onmisbaar voor de totale bevoorradingsketen.
Tijdens de campagne merkten bemanningen dat de Lorraine 37L weinig eigen bescherming had tegen directe aanvallen. Het voertuig was wel gepantserd tegen scherven en licht vuur, maar had oorspronkelijk geen vaste bewapening. Daarom begonnen sommige bemanningen met geïmproviseerde mitrailleuropstellingen. Deze aanpassingen veranderden de functie niet wezenlijk. De Lorraine 37L bleef in de eerste plaats een bevoorradingsvoertuig voor tankeenheden, geen gevechtsvoertuig voor frontale inzet.
Varianten en afgeleide voertuigen
De eerste belangrijke afgeleide versie was de Voiture blindée de chasseurs portés 38L, meestal VBCP 38L genoemd. Dit was een gepantserde personeelsdrager op basis van de Lorraine 37L. Net als het bevoorradingsvoertuig gebruikte deze uitvoering een gepantserde rupsaanhanger. De totale capaciteit bedroeg twaalf personen: bestuurder en één passagier in het voorste compartiment, vier personen in de voormalige laadruimte en zes personen in de aanhanger. Hoge gepantserde opbouwen beschermden de infanteriegroep.
De VBCP 38L was bedoeld voor de Bataillons de Chasseurs Portés, de gemechaniseerde infanteriebataljons binnen Franse pantserdivisies. Er werden 240 voertuigen besteld. Op 1 september 1939 waren er negen geleverd en rond 25 juni 1940 ongeveer 150. De bestelling werd geplaatst voordat het prototype volledig was getest, vanwege de oorlogsdreiging. In mei 1940 werden de voertuigen haastig gebruikt door onder meer het 5e en 17e BCP. De 4e Division Cuirassée ontving deze voertuigen niet.
Een verbeterde uitvoering was de VBCP 39L. Hierbij werd de laadruimte vergroot zodat, naast twee bemanningsleden, acht passagiers konden worden vervoerd. Deze versie had geen aanhanger en een totale capaciteit van tien personen. De extra ruimte ontstond door het bovendek te verhogen en een meer naar voren hellende pantserplaat aan te brengen. Ongeveer tweehonderd VBCP 39L’s werden besteld als opvolger van de 38L, maar vóór juni 1940 bleef de productie beperkt tot één prototype.
Daarnaast werden experimentele en beperkt gebouwde modellen ontwikkeld. Daaronder vielen tankjagerontwerpen met 47 mm SA 47-kanonnen, bekend als Chasseur de Chars Lorraine, en commandovoertuigen. De Franse 47 mm-ombouw moet worden onderscheiden van de later genoemde Duitse aanduiding 4,7 cm Pak181(f) auf PanzerJäger Lorraine Schlepper (f). Foto’s die ooit met die Duitse benaming zijn verbonden, tonen volgens de aangeleverde gegevens de Franse noodombouw uit juni 1940.
Productie in Vichy-Frankrijk
De Lorraine 37L werd in 1939 en 1940 vooral gebouwd in de fabriek van Lorraine in Lunéville. In 1939 werd besloten een zuidelijker fabriek te gebruiken in Bagnères-de-Bigorre, omdat die minder kwetsbaar was voor Duitse bombardementen. Deze Atelier de Bagnères had nog geen enkel voertuig voltooid toen de wapenstilstand tussen Frankrijk en Duitsland werd gesloten. De fabriek lag, net als de Fouga-fabriek in Béziers, in het onbezette deel van Vichy-Frankrijk.
Na juni 1940 ging beperkte productie door, al werden militaire modellen officieel niet geproduceerd. In totaal ging het om ongeveer 150 voertuigen. Sommige hadden een verkort chassis met slechts twee draaistellen per zijde. Officieel werden Lorraine-tractoren aangepast voor bosbouw en bouwwerkzaamheden. In werkelijkheid konden deze voertuigen worden omgebouwd tot gepantserde voertuigen. AMX produceerde heimelijk pantserrompen voor deze chassis, die werden opgeslagen. Deze uitvoering stond bekend als Tracteur Lorraine 37 L 44.
Na de Duitse bezetting van Zuid-Frankrijk in november 1942 werden veel chassis verborgen. In het voorjaar van 1944 viel het Franse verzet de fabriek in Bagnères aan op instructie vanuit Londen, omdat werd aangenomen dat de fabriek voor Duitsland produceerde. Om nieuwe aanvallen te voorkomen, werd het verzet later bij de zaak betrokken. Na de bevrijding werden de eerste twintig voertuigen in januari 1945 geleverd. Daarna bleef de fabriek voertuigen aanpassen, vaak met een gepantserde opbouw en een lichte of zware mitrailleur.
Duitse inzet en ombouw
Ongeveer 360 Lorraine-tractoren vielen in Duitse handen. Door de betrouwbare ophanging en het rupsvoertuigkarakter pasten zij bij de mobiele Duitse werkwijze in 1941 en 1942. Aanvankelijk werden zij gebruikt als Lorraine Schlepper (f). Omdat Duitsland zelf geen direct vergelijkbaar volledig rupsvoertuig voor bevoorrading had, werden de buitgemaakte voertuigen gebruikt als Gefechtsfeld-Versorgungsfahrzeug Lorraine 37L (f) en als Munitionstransportkraftwagen auf Lorraine Schlepper.
In juli en augustus 1942 leidde majoor Alfred Becker de ombouw van veel Lorraine-voertuigen. Van 170 exemplaren werd de 7,5 cm PaK40/1 auf Geschützwagen Lorraine Schlepper (f) gemaakt, beter bekend als Marder I. Dit was een zelfrijdend antitankkanon met een 75 mm-kanon. Tegelijk werden 106 voertuigen omgebouwd tot zelfrijdende artillerie. Daarvan kregen 94 een 15 cm sFH13/1-houwitser en twaalf een 10,5 cm leFH18-houwitser.
Duitse eenheden gebruikten daarnaast dertig voertuigen als Beobachtungswagen auf Lorraine Schlepper (f), bedoeld voor artilleriewaarneming. Eén voertuig werd omgebouwd met een Sovjet 122 mm-houwitser als 12,2 cm Kanone (r) auf Geschützwagen Lorraine (f). Ook de Franse VBCP 38L kwam in Duitse dienst onder de naam Lorraine 38L(f). Deze Duitse ombouwprojecten laten zien dat het oorspronkelijke Franse bevoorradingschassis technisch bruikbaar bleef voor andere militaire taken.

Na de Tweede Wereldoorlog
Na de Tweede Wereldoorlog werden Lorraine-tractoren nog gebruikt voor verschillende proefdoeleinden. Een aantal voertuigen kwam op de civiele markt terecht, waar zij werden ingezet als drager voor kranen en graafuitrusting. De fabriek probeerde opnieuw orders van het Franse leger te krijgen, maar dat lukte niet. Na de oorlog was er veel geallieerd materieel beschikbaar, waardoor nieuwe productie of herinvoering weinig kans kreeg.
Ook een exportpoging naar Zwitserland in 1946 leverde geen bestelling op. Sommige voertuigen bleven nog enkele jaren op Franse legerlijsten staan. De laatst bekende militaire gebruiker was Syrië. Overgebleven voertuigen bevinden zich in verschillende collecties. Het Musée Maurice Dufresne in Azay-le-Rideau en het State Military Technical Museum in Ivanovskoje tonen voertuigen van de verkorte uitvoering. Twee voertuigen van de lange uitvoering maken deel uit van de collectie van het Militärhistorisches Museum der Bundeswehr in Dresden.
Conclusie
De Lorraine 37L was een gespecialiseerd Frans rupsvoertuig dat ontstond uit de behoefte aan beschermde bevoorrading van tankeenheden. Het voertuig combineerde lichte bepantsering, een betrouwbare ophanging en een praktische aanhanger voor brandstof en onderhoudsmateriaal. In Franse dienst bleef de inzet beperkt door de snelle nederlaag van 1940 en door te lage productieaantallen. Toch kreeg het chassis een langere geschiedenis door Vichy-productie, Duitse buitgemaakte voertuigen en ombouw tot tankjager, artillerievoertuig en waarnemingsvoertuig.
Bronnen en meer informatie
- Afbeelding 1: Msgevans00, CC BY 4.0, via Wikimedia Commons
- Afbeelding 2: User:Fat yankey, CC BY-SA 2.5, via Wikimedia Commons
- Vauvillier, François; Touraine, Jean-Michel (1992). L’Automobile sous l’uniforme 1939–1940. Paris: Editions Ch. Massin. ISBN 2-7072-0197-9.
- Bronnen voor historisch onderzoek 1800–1946.









