Kurt Hubert Franz was een Duitse SS-officier die via Aktion T4 terechtkwam in Aktion Reinhardt. Hij diende in Bełżec en Treblinka, waar hij plaatsvervangend commandant en in 1943 laatste commandant werd. In 1965 veroordeelde het Landgericht Düsseldorf hem tot levenslange gevangenisstraf wegens massamoord en afzonderlijke moordzaken. Zijn loopbaan geldt als een gedocumenteerd voorbeeld van daderschap binnen de Holocaust.
Vroege leven en opleiding
Kurt Hubert Franz werd geboren op 17 januari 1914 in Düsseldorf. Zijn vader was koopman en overleed vroeg; Franz groeide op met zijn moeder en een zus. Zijn moeder werd beschreven als streng katholiek. Na haar tweede huwelijk kwam Franz in een gezin terecht waarin zijn stiefvader een rechts-nationalistische houding had, wat aansloot bij politieke stromingen die in Duitsland na de Eerste Wereldoorlog sterker zichtbaar werden.
Franz bezocht van 1920 tot 1928 de volksschool in Düsseldorf. Daarna werkte hij korte tijd als loopjongen. In 1929 begon hij een opleiding tot kok in het Düsseldorfer restaurant Hirschquelle en vervolgde die later in het Wittelsbacher Hof. Hij legde geen afsluitend vakexamen af. Naast zijn werkervaring in de keuken volgde hij tot oktober 1935 een praktische opleiding bij slager Stollmann in Düsseldorf-Oberkassel.
In zijn jeugd sloot Franz zich aan bij rechts-nationalistische groepen. Hij was ongeveer een half jaar lid van de Kyffhäuser-Jugend en meldde zich in oktober 1932 bij een kamp van de Freiwilliger Arbeitsdienst in Ratingen, ingericht door de organisatie Stahlhelm. In 1934 werd hij overgeplaatst naar een kamp in Honnef. Hij verliet deze arbeidsdienst in oktober 1934 met de rang Truppführer.
Interbellum: politieke radicalisering en SS-dienst
Franz trad in 1932 toe tot de NSDAP. In oktober 1935 werd hij opgeroepen voor dienstplicht bij Artillerieregiment 6 in Minden. Tijdens deze tweejarige militaire dienst werd hij ook als kok ingezet. Hij sloot zijn diensttijd af met de rang Oberkanonier. Deze periode markeerde zijn overgang van burgerlijke beroepen naar militaire en paramilitaire structuren binnen nationaalsocialistisch Duitsland.
Nog tijdens zijn dienstplicht meldde Franz zich bij de SS-Totenkopfverbände. Eind 1937 werd hij opgenomen in de 3. SS-Totenkopfstandarte Thüringen, met SS-nummer 319.906. Na zijn basisopleiding werkte hij opnieuw als kok en daarnaast als opleider van rekruten. Ook werd hij tijdelijk ingezet bij de bewaking van concentratiekamp Buchenwald. Op 30 januari 1940 bereikte hij de rang SS-Unterscharführer.
Deelname aan de Tweede Wereldoorlog
Aan het begin van de Tweede Wereldoorlog werd Franz betrokken bij Aktion T4, het nazistische moordprogramma dat onder het voorwendsel van medische selectie werd uitgevoerd. In 1939 werd hij naar Berlijn geroepen, waar hij via de kanselarij van Hitler werd ingedeeld bij een dekmantelorganisatie die met dit programma verbonden was. Op 17 oktober 1939 nam hij deel aan een inspectie van de instelling Grafeneck, die daarna als een van de eerste T4-locaties werd gebruikt.
Franz werkte binnen Aktion T4 als kok in Grafeneck, Brandenburg, Hartheim en Sonnenstein. Deze instellingen maakten deel uit van het systeem waarin patiënten werden gedood door personeel dat later deels naar vernietigingskampen in bezet Polen werd overgeplaatst. Rond de jaarwisseling 1941 en 1942 keerde Franz terug naar de kanselarij in Berlijn, waar hij in de keuken van de dienst aan de Wilhelmstraße 40 werkte. In 1940 was hij getrouwd; het huwelijk bleef kinderloos. Daarnaast had hij vier buitenechtelijke kinderen bij vier vrouwen.
Op 20 april 1942 werd Franz bevorderd tot SS-Oberscharführer. Kort daarna werd hij toegewezen aan de SS- en politieleider in het district Lublin, Odilo Globocnik. Daarmee kwam hij terecht in Aktion Reinhardt, de operatie waarmee de nazi’s de systematische moord op Joden in het Generalgouvernement uitvoerden. Franz diende eerst in vernietigingskamp Bełżec, waar hij tot midden of eind augustus 1942 bleef.
Na Bełżec werd Franz overgeplaatst naar vernietigingskamp Treblinka. Daar werkte hij aanvankelijk onder commandant Franz Stangl en kreeg hij een positie als plaatsvervangend commandant. In de kamporganisatie hield hij zich bezig met bewaking, werkcommando’s, transporten en de dagelijkse gang van zaken. Volgens latere verklaringen had hij vooral invloed op de Oekraïense wachtmannen en op de uitvoering van bevelen binnen het kampterrein.
Treblinka was ingericht als vernietigingskamp en maakte gebruik van misleiding bij de aankomst van gedeporteerden. De omgeving van het spoor werd zo vormgegeven dat zij op een normaal station kon lijken. Samuel Rajzman verklaarde in 1946 tijdens het proces van Neurenberg dat Franz in verband werd gebracht met deze schijninrichting. In dezelfde verklaring werd ook de dood van Rosa Graf, een zus van Sigmund Freud, genoemd binnen de gebeurtenissen rond Treblinka.
Franz kreeg onder gevangenen de bijnaam Lalka, in sommige weergaven Lalke, wat pop betekent. Die bijnaam verwees naar zijn uiterlijk, niet naar zijn handelen. Getuigen en rechtbankstukken beschrijven dat hij betrokken was bij het ontladen van treinen, de selectie van gedeporteerden, het toezicht op ontkleding en de doorgeleiding naar de gaskamers. Ook inspecteerde hij het onderste en bovenste kamp en de verschillende werkcommando’s.
Een vast onderdeel van de latere verklaringen over Franz was zijn hond Barry. Deze sint-bernard kwam eerder uit Sobibór en werd in Treblinka met Franz verbonden. Verklaringen beschrijven dat Franz de hond tegen gevangenen inzette. De hond werd daardoor onderdeel van aanklachten over mishandeling en dodelijk geweld in het kamp. Het onderwerp kwam ook terug in latere juridische beschrijvingen van het Treblinka-proces.
Franz was ook betrokken bij appèls en straffen. Bij vluchtpogingen liet hij gevangenen naar het kampziekenverblijf brengen, dat in Treblinka ook als executieplaats werd gebruikt. In verklaringen werd beschreven dat hij bij ontsnappingen collectieve vergelding aankondigde. Daarnaast werden individuele schietpartijen, mishandelingen, ophangingen en het gebruik van de hond Barry genoemd in de aanklachten die later tegen hem werden ingebracht.
Naast fysiek geweld werd Franz verbonden met een kamptekst die bekend werd als het Treblinka-lied. Lagere SS’ers verklaarden later dat Franz de tekst leverde en dat gevangene Walter Hirsch deze opschreef. Nieuwe gevangenen die niet meteen werden gedood, maar als dwangarbeiders moesten werken, moesten het lied leren. De functie ervan lag binnen het kampregime van dwang, vernedering en controle.
Op 21 juni 1943 werd Franz bevorderd tot SS-Untersturmführer. Na de gevangenenopstand van 2 augustus 1943 vertrok Stangl en nam Franz de leiding over. Hij verklaarde later dat er daarna geen vergassingen meer plaatsvonden, maar reconstructies van de kampgeschiedenis beschrijven dat de gaskamers intact bleven en dat transporten nog enige tijd doorgingen. De laatste grote groep uit het getto van Białystok kwam op 19 augustus 1943 aan.
Op de dag van de opstand waren Franz, vier SS’ers en zestien Oekraïense wachtmannen bij de Bug, waardoor de kampbeveiliging tijdelijk verminderde. Daarbij wordt het transport uit het getto van Białystok op 19 augustus 1943 genoemd, met ongeveer 7.600 overlevenden van de opstand daar. In september en oktober 1943 werd Treblinka ontmanteld. Franz beschikte toen over een kleine groep SS’ers, Oekraïense wachtmannen en ongeveer honderd Joodse gevangenen die na de opstand nog in leven waren.
De overgebleven gevangenen moesten de sporen van het kamp verwijderen. Een deel van hen werd naar Sobibór gestuurd voor afbraakwerk daar. De overige gevangenen werden volgens de overgeleverde gegevens op bevel van Franz gedood en gecremeerd. Daarmee eindigde zijn directe functie in Treblinka, maar niet zijn inzet binnen Duitse bezettingsstructuren. De ontmanteling hoorde bij de poging om de sporen van het vernietigingskamp te wissen.
Na de ontmanteling van Treblinka werd Franz in de late herfst van 1943 naar Triëst en Noord-Italië gestuurd. Hij werkte daar bij de Landesschutzschule in Triëst en later bij Görz, waar hij een vergelijkbare school moest opzetten. In dit gebied was hij betrokken bij vervolging van Joden en bij acties tegen partizanen. Eind 1944 raakte hij gewond. Na zijn herstel werd hij veiligheidsofficier op de spoorlijn Görz-Triëst.
Na de oorlog
Na de Duitse nederlaag ging Franz naar zijn vrouw, die naar Arnstadt in Thüringen was geëvacueerd. Hij kwam in Amerikaanse gevangenschap terecht, maar wist te ontsnappen en keerde terug naar Düsseldorf. Op 26 juni 1945 meldde hij zich daar onder zijn eigen naam bij het arbeidsbureau. Tot eind 1948 werkte hij als bruggenbouwer. Vanaf 1949 werkte hij opnieuw als kok, tot zijn arrestatie op 2 december 1959.
Bij een huiszoeking na zijn arrestatie werd een privéfotoalbum gevonden. Het album bevatte materiaal uit de periode van Aktion Reinhardt en Triëst en droeg de titel Schöne Zeiten. Het bestaan ervan was van belang, omdat het bewaren van dergelijk materiaal officieel verboden was. Het album werd later een bron voor onderzoek naar daders, zelfbeeld en beeldvorming rond de vernietigingskampen.
Franz stond terecht in het Treblinka-proces bij het Landgericht Düsseldorf. Op 3 september 1965 werd hij veroordeeld wegens gezamenlijke moord op minstens 300.000 mensen, moord in 35 afzonderlijke gevallen met minstens 139 slachtoffers en poging tot moord. Tijdens het proces ontkende hij dat hij iemand had gedood of zijn hond op gevangenen had afgestuurd. De rechtbank volgde deze ontkenningen niet en legde levenslange gevangenisstraf op.
De aanklachten tegen Franz omvatten een reeks afzonderlijk beschreven misdrijven. Daarin kwamen onder meer het doden van kinderen en volwassenen, schietpartijen, ophangingen, mishandelingen, executies bij het kampziekenverblijf en geweld door Barry voor. Ook werd hem betrokkenheid bij de dood van gevangenen na selecties en straffen verweten. Het vonnis plaatste zijn handelen binnen de organisatie van Treblinka en binnen afzonderlijke persoonlijke misdrijven.
Franz kreeg vanaf het einde van de jaren zeventig verlofregelingen en werd in 1993 wegens leeftijd en gezondheid vrijgelaten. Daarna woonde hij met zijn vrouw in Ratingen. Hij overleed op 4 juli 1998 in Wuppertal. In 1998 werd hij voor de documentaire Der Judenmord – Deutsche und Österreicher berichten geïnterviewd over zijn tijd in Treblinka. In 2014 verwierf het New England Holocaust Institute and Museum zijn uniform.
Militaire Rangen
De bekende rangen van Franz lopen van arbeidsdienst en Wehrmacht naar SS. Hij verliet de Freiwilliger Arbeitsdienst in oktober 1934 als Truppführer en diende tijdens zijn dienstplicht als Oberkanonier. Binnen de SS werd hij SS-Sturmmann op 30 januari 1938, SS-Rottenführer op 9 november 1938, SS-Unterscharführer op 30 januari 1940, SS-Scharführer in 1941, SS-Oberscharführer op 20 april 1942 en SS-Untersturmführer op 21 juni 1943.
Deze rangen tonen geen zelfstandig frontcommando, maar een loopbaan binnen kampbewaking, speciale programma’s en bezettingsstructuren. Zijn functies als kok, bewaker, opleider, plaatsvervangend commandant en commandant liepen in elkaar over binnen organisaties die door de SS werden aangestuurd. Daardoor kreeg hij vooral invloed binnen gesloten instellingen en kampen, waar bevel, toezicht en geweld rechtstreeks met elkaar verbonden waren.
Conclusie
Kurt Hubert Franz ontwikkelde zich van kok en dienstplichtige tot SS-officier binnen systemen van vervolging en massamoord. Zijn werkzaamheden in Aktion T4, Bełżec, Treblinka en Noord-Italië tonen hoe personeel uit eerdere nazistische moordprogramma’s werd ingezet in de vernietigingskampen van Aktion Reinhardt. Zijn rol in Treblinka was volgens het vonnis niet beperkt tot administratie, maar omvatte toezicht, bevelvoering en persoonlijk geweld.
De veroordeling van 1965 legde juridisch vast dat Franz medeverantwoordelijk was voor massamoord en voor afzonderlijke moorden. Zijn naoorlogse leven in Düsseldorf eindigde met arrestatie, berechting en levenslange gevangenisstraf, gevolgd door vrijlating wegens gezondheid en leeftijd. Voor historisch onderzoek blijft hij vooral van belang als gedocumenteerde dader binnen de organisatie en uitvoering van het vernietigingskamp Treblinka.
Bronnen en meer informatie
- Afbeelding: nieznany/unknown, Public domain, via Wikimedia Commons
- Friedlander, Henry (1995). The Origins of Nazi Genocide: From Euthanasia to the Final Solution. Chapel Hill: University of North Carolina Press. ISBN 0-8078-2208-6.
- Klee, Ernst; Dreßen, Willi; Rieß, Volker (1988). Schöne Zeiten. Frankfurt am Main: S. Fischer. ISBN 3-10-039304-X.
- Klee, Ernst; Dreßen, Willi; Rieß, Volker (1991). The Good Old Days: The Holocaust as Seen by Its Perpetrators and Bystanders. ISBN 1-56852-133-2.
- Klee, Ernst (1986). Was sie taten – Was sie wurden. Frankfurt am Main: Fischer Taschenbuch Verlag. ISBN 3-596-24364-5.
- Alexandre, Michel (1998). Der Judenmord – Deutsche und Österreicher berichten. Köln: Egmont VGS. ISBN 3-8025-2610-4.
- Zentner, Christian; Bedürftig, Friedemann (1991). The Encyclopedia of the Third Reich. New York: Macmillan. ISBN 0-02-897502-2.
- Kopówka, Edward; Rytel-Andrianik, Paweł (2011). Dam im imię na wieki. Drohiczyn: Drohiczyńskie Towarzystwo Naukowe. ISBN 978-83-7257-496-1.
- Chrostowski, Witold (2004). Extermination Camp Treblinka. London: Vallentine Mitchell. ISBN 0-85303-456-7.
- Willenberg, Samuel (2009). Treblinka – Treblinka. Lager, Revolte, Flucht, Warschauer Aufstand. Hamburg en Münster: Unrast. ISBN 9783897718203.
- Bronnen voor historisch onderzoek 1800–1946.








