HMS Decoy was een torpedobootjager van de D-klasse, gebouwd voor de Royal Navy in de vroege jaren dertig. Het schip werd later tijdens de Tweede Wereldoorlog overgedragen aan de Royal Canadian Navy als HMCS Kootenay. Gedurende haar actieve diensttijd nam zij deel aan operaties in de Middellandse Zee, de Atlantische Oceaan en de Indische Oceaan. Decoy werd ingezet voor konvooibegeleiding, evacuaties, onderzeebootbestrijding en gevechtsoperaties, en illustreert de evolutionaire ontwikkeling van destroyers tijdens de oorlogsjaren.
Ontwerp en constructie
HMS Decoy werd besteld in 1931 en gebouwd door John I. Thornycroft & Company in Woolston, Southampton. De kiel werd gelegd op 25 juni 1931 en het schip werd te water gelaten op 7 juni 1932. De indienststelling vond plaats op 17 januari 1933.
De D-klasse destroyers waren ontworpen als opvolgers van de C-klasse met verbeterde prestaties op het gebied van snelheid, bereik en vuurkracht. HMS Decoy had een standaard waterverplaatsing van 1.375 long tons (1.397 ton) en een maximale waterverplaatsing van 1.890 long tons (1.920 ton). De lengte bedroeg 100,3 meter, de breedte 10,1 meter en de diepgang 3,8 meter.
Voor de voortstuwing was Decoy uitgerust met Parsons stoomturbines, aangedreven door drie Admiralty 3-drum waterpijpketels. Deze combinatie leverde 36.000 shaft horsepower (27.000 kW) en stelde het schip in staat een snelheid te behalen van 36 knopen (67 km/u). De brandstofcapaciteit bedroeg 473 long tons (481 ton) stookolie, wat een actieradius van 5.870 zeemijlen bij 15 knopen mogelijk maakte. De bemanning bestond uit 145 officieren en matrozen.
Bewapening
De oorspronkelijke hoofdbewapening van Decoy bestond uit vier QF 4.7-inch (120 mm) Mk IX kanonnen, opgesteld in enkele opstellingen op de posities ‘A’, ‘B’, ‘X’ en ‘Y’. Voor luchtafweer was het schip uitgerust met één QF 3-inch 20 cwt luchtafweerkanon en twee viervoudige .50 inch Vickers Mark III machinegeweren.
Daarnaast beschikte het schip over twee viervoudige torpedolanceerinrichtingen voor 21-inch (533 mm) torpedo’s. Voor onderzeebootbestrijding werden bij aanvang twintig dieptebommen aan boord genomen; dit aantal werd kort na het uitbreken van de oorlog verhoogd tot 35.
Later in de oorlog onderging het schip modificaties waarbij het 12-ponderkanon werd toegevoegd, ‘Y’-kanon werd verwijderd en de luchtafweer werd versterkt met Oerlikon 20 mm-kanonnen.
Bepantsering
Destroyers van de D-klasse waren licht bepantserd, met beperkte pantsering rond kritieke onderdelen zoals de brug en machinekamers. Er was geen uitgebreide bepantsering aanwezig zoals op kruisers of slagschepen. De overlevingsstrategie van het schip was vooral gebaseerd op snelheid, manoeuvreerbaarheid en actieve verdediging.
Sensoren en dataverwerking
Radars en sonars
Tijdens haar carrière werd Decoy, en later Kootenay, voorzien van meerdere types radar en sonar. In de vroege oorlogsjaren beschikte het schip waarschijnlijk over een Type 286 radar, een eenvoudige oppervlaktezoekradar afgeleid van de RAF ASV-technologie. Deze radar had een beperkt bereik en was vast gericht in de vaarrichting, wat betekende dat het hele schip moest draaien om een ander gebied te scannen.
Gedurende haar ombouw tot escortdestroyer in 1943 werden de sensoren verbeterd. De Type 286 werd vervangen door een Type 290 radar, met betere zoekmogelijkheden voor oppervlakteschepen. Bovendien werd de boven de brug geplaatste director-control tower en rangefinder vervangen door een Type 271 radar, een radar met een kort bereik en hoge resolutie, geschikt voor doelindicatie.
Ook werd het schip uitgerust met een ASDIC-sonar voor onderzeebootdetectie. Dit was een actieve sonar die geluidsgolven uitzond om onderzeeboten onder water te lokaliseren. Later werd deze gecombineerd met Hedgehog-dieptebommenwerpers, die voor de boeg konden worden afgevuurd.
Action Information Organisation (AIO)
Op destroyers zoals Decoy was de AIO beperkt van opzet door ruimtegebrek. Voor 1942 werden radar- en sonarwaarnemingen vaak direct op de brug geïnterpreteerd door de commandant. Met de opkomst van het AIO-concept kregen destroyers een basisinrichting voor informatieverwerking.
Tijdens de refit in 1943 werd Kootenay voorzien van een rudimentaire AIO-inrichting, mogelijk in de kaartenkamer. Deze ruimte bevatte één of twee radarschermen en een overzichtskaart waarop de tactische situatie werd bijgehouden. De installatie stelde het schip in staat om effectiever als escortschip en radar picket te functioneren, met kortere reactietijden bij onderzeebootdreiging en luchtgevaar.
Modificaties
Tussen 1940 en 1943 onderging Decoy meerdere aanpassingen. De achterste torpedolanceerinrichting werd vervangen door een QF 12-ponder luchtafweerkanon. De achtermast en schoorsteen werden ingekort om het schootsveld van dit kanon te verbeteren. Verder werd het schip voorzien van extra Oerlikon-kanonnen op de brugvleugels en het zoeklichtplatform.
Bij de ombouw tot escortdestroyer in 1943 werden ‘Y’-kanon en torpedobuizen verwijderd om plaats te maken voor meer dieptebommen. Ook werd een Hedgehog-installatie toegevoegd en het schip voorzien van nieuwe radarsystemen en een basale AIO-ruimte.
Status schip tijdens de oorlog
Aan het begin van de oorlog was Decoy een modern schip met degelijke prestaties. Door voortdurende updates bleef het schip inzetbaar. Vanaf 1943, na de refit en overdracht aan de Canadese marine, beschikte zij over de vereiste uitrusting voor anti-submarine warfare. Het ontbreken van een volwaardige CIC maakte haar in 1944 echter minder geschikt voor complexe gevechtscoördinatie volgens de maatstaven van grotere oorlogsschepen.
Operationele geschiedenis
Pre-oorlogse inzet
Na oplevering in 1933 werd Decoy toegewezen aan de 1e Destroyer Flotilla in de Middellandse Zee. In 1935 werd zij verplaatst naar het China Station, met een tijdelijke inzet in de Rode Zee tijdens de Abessiniëcrisis. Ze bleef actief in Oost-Azië tot augustus 1939, toen ze werd teruggeroepen wegens oplopende spanningen in Europa.
Middellandse Zee en West-Afrika (1939–1941)
Met het uitbreken van de oorlog werd Decoy ingezet voor contrabandebestrijding en konvooibegeleiding. In 1940 escorteerde ze troepentransporten naar het Midden-Oosten en nam deel aan operaties zoals de aanval op Bardia en de slag bij Calabrië, waarbij ze lichte schade opliep. In juni 1940 nam ze deel aan de vernietiging van de Italiaanse onderzeeboten Console Generale Liuzzi en Argonauta.
Grieks front en evacuaties (1941)
Decoy speelde een rol in de evacuaties van Griekenland (Operation Demon) en Kreta (Operation Merkur). Op 22 mei 1941 evacueerde zij koning George II van Griekenland en diens gevolg naar Egypte. Later dat jaar escorteerde zij konvooien naar Tobroek.
Indische Oceaan en terugkeer (1942)
Na herstel van botsingsschade werd ze in 1942 overgeplaatst naar de Eastern Fleet. Ze escorteerde schepen tijdens Japanse luchtaanvallen op Ceylon. In september werd ze teruggestuurd naar Groot-Brittannië en onderging een refit tot escortdestroyer.
Atlantische Oceaan en Kanaal (1943–1945)
Als HMCS Kootenay opereerde het schip in de Atlantische Oceaan, waar zij onderzeebootbestrijding uitvoerde in Escort Group C5. In juli en augustus 1944 nam ze deel aan het tot zinken brengen van U-678, U-621 en U-984 in samenwerking met andere schepen. Na een refit in Canada hervatte zij in april 1945 patrouilles in het Kanaal.
Na de oorlog
Na de Duitse capitulatie werd Kootenay ingezet als troepentransportschip in Canadese wateren. In oktober 1945 werd zij buiten dienst gesteld en in 1946 gesloopt.
Conclusie
HMS Decoy / HMCS Kootenay had gedurende de Tweede Wereldoorlog een veelzijdige inzet. Door haar snelheid, moderniseringen en latere aanpassingen bleef zij tot het einde van de oorlog effectief als escortdestroyer. Toch ontbrak vanaf 1943 een volwaardige Combat Information Center, wat haar volgens de normen van dat moment technisch enigszins verouderd maakte. Desondanks droeg ze bij aan belangrijke operaties in meerdere oorlogstheaters.
Bronnen en meer informatie
- Afbeelding: Royal Navy official photographer, Public domain, via Wikimedia Commons
English, John (1993). Amazon to Ivanhoe: British Standard Destroyers of the 1930s. Kendal, England: World Ship Society. ISBN 0-905617-64-9.
Friedman, Norman (2009). British Destroyers From Earliest Days to the Second World War. Annapolis, Maryland: Naval Institute Press. ISBN 978-1-59114-081-8.
O’Hara, Vincent (2008). “The Action off Calabria and the Myth of Moral Ascendancy”. In Jordan, John (ed.). Warship 2008. London: Conway. ISBN 978-1-84486-062-3.
Rohwer, Jürgen (2005). Chronology of the War at Sea 1939–1945: The Naval History of World War Two (Third Revised ed.). Annapolis, Maryland: Naval Institute Press. ISBN 1-59114-119-2.
Whitley, M. J. (1988). Destroyers of World War 2. Annapolis, Maryland: Naval Institute Press. ISBN 0-87021-326-1.










