Home Schepen Torpedobootjagers HMAS Stuart – Australische flottieljeleider 1918–1947

HMAS Stuart – Australische flottieljeleider 1918–1947

HMAS Stuart, Scott-klasse flottieljeleider, actief 1918–1947 bij Royal Navy en Royal Australian Navy, inzet Middellandse Zee en Stille Oceaan.
HMAS Stuart, gebouwd in 1918, diende bij de Royal Navy en Royal Australian Navy en nam deel aan veldtochten in WOII.

HMAS Stuart (oorspronkelijk HMS Stuart) was een flottieljeleider van de Scott-klasse, gebouwd door Hawthorn Leslie & Company in Newcastle-upon-Tyne. Het schip werd in 1918 in dienst gesteld bij de Royal Navy en kwam eind 1933 in dienst van de Royal Australian Navy (RAN). Tijdens de Tweede Wereldoorlog speelde het schip een centrale rol in de Australische torpedobootjagergroep die door Duitse propaganda werd aangeduid als de “Scrap Iron Flotilla”. Stuart diende in de Middellandse Zee, nam deel aan gevechten bij Calabria en Kaap Matapan, ondersteunde de evacuaties uit Griekenland en Kreta, en leverde talrijke transporten naar het belegerde Tobroek. Vanaf 1944 werd het schip omgebouwd tot stores- en troepentransportschip en diende tot 1946. Daarna werd Stuart buiten dienst gesteld en in 1947 gesloopt.

Ontwerp en constructie

Stuart was een van de negen flottieljeleiders van de Scott-klasse die tijdens de Eerste Wereldoorlog voor de Royal Navy werden gebouwd. Het schip had een standaardwaterverplaatsing van 1.530 ton en een volle belading van 2.053 ton. De lengte bedroeg 101,38 meter over alles en 98 meter tussen de loodlijnen, met een breedte van 9,69 meter en een diepgang van 3,45 meter bij volle belading.

De voortstuwing bestond uit vier Yarrow-waterpijpketels en twee Brown-Curtis-stoomturbines, die samen 43.000 shp leverden op twee schroefassen. Dit gaf een ontwerpsnelheid van 34 knopen, terwijl tijdens proeven 34,669 knopen werd gehaald. Het bereik was 3.000 zeemijl bij 10 knopen.

De bemanning bestond aanvankelijk uit 183 personen, maar werd in de jaren dertig teruggebracht tot 167: 11 officieren en 156 matrozen.

Stuart werd op 18 oktober 1917 op stapel gezet, te water gelaten op 22 augustus 1918 en voltooid op 21 december 1918. Het schip werd dezelfde dag in dienst gesteld. De naam verwees naar het Schotse koningshuis Stuart. Het scheepswapen toonde een Stuart-kroon en een Yorkshire-roos, als verwijzing naar de claim van de Stuarts op de Engelse troon via hun afstamming van Edward IV.

Bewapening

De oorspronkelijke bewapening bestond uit vijf 4,7-inch/45 kanonnen en een enkel 3-inch luchtafweerkanon. Bij indienststelling in de RAN in 1933 had Stuart vijf 4,7-inch kanonnen, een QF 3-inch 20 cwt luchtafweerkanon, twee 2-ponder pom-poms, vijf .303-inch mitrailleurs, zes 21-inch torpedobuizen in twee drievoudige opstellingen, twee dieptebomschuiven en vier werpers.

Tijdens de oorlog werd de bewapening regelmatig aangepast. In 1941 werden twee 4,7-inch kanonnen verwijderd en vijf 20 mm Oerlikons en een Breda-luchtafweerkanon toegevoegd. De dieptebomschuiven werden vervangen door rails. In 1942 verdween een derde 4,7-inch kanon, samen met de torpedobuizen, lichte mitrailleurs en een deel van de Oerlikons. In plaats daarvan kreeg Stuart een Hedgehog-mortier. Bij de conversie in 1944 werd de bewapening teruggebracht tot een enkel 4-inch kanon, zeven Oerlikons, drie viervoudige pom-poms, een Hedgehog en dieptebommen.

Bepantsering

Zoals gebruikelijk bij torpedobootjagers uit de Eerste Wereldoorlog beschikte Stuart niet over zware bepantsering. Er was geen pantsergordel of zwaar gedekte bescherming. Het schip had slechts beperkte splinterbescherming voor de kanonnen en vitale posten. De overlevingsstrategie berustte op snelheid, manoeuvreerbaarheid en tactiek, niet op zware bepantsering.

Sensoren en dataverwerking

Stuart werd tijdens de oorlog uitgerust met ASDIC-sonar voor onderzeebootopsporing. Dit systeem maakte het mogelijk om onderzeeboten akoestisch te detecteren en aanvallen met dieptebommen te coördineren. De ASDIC-installatie was operationeel tijdens de acties tegen de Italiaanse onderzeeboot Gondar, waarbij Stuart een belangrijke rol speelde.

Vanaf 1940 werd Stuart voorzien van radarapparatuur. Aanvankelijk ging het om een Type 286-radar, een vroege luchtwaarschuwingsradar met beperkte nauwkeurigheid. Later werd ook een Type 271-radar geïnstalleerd, een kortegolfradar die effectief was voor het opsporen van oppervlakteschepen en periscopen. Dit gaf Stuart een beter nachtgevechtsvermogen en versterkte haar rol als escorte. Mogelijk ontving het schip ook een Type 290-radar voor verbeterde luchtwaarschuwing en HF/DF-apparatuur (High Frequency Direction Finding) voor het opsporen van vijandelijke radio-uitzendingen.

Wat betreft dataverwerking beschikte Stuart niet over een volwaardig Combat Information Center (CIC), zoals later bij Amerikaanse marineschepen werd toegepast. In de Royal Navy werd tijdens de oorlog de Action Information Organisation (AIO) ontwikkeld. Dit was zowel een organisatorisch concept als een fysieke ruimte, bedoeld om de informatie uit radar, sonar, uitkijkposten en communicatiesystemen te bundelen. Op slagschepen en vliegdekschepen bestond dit uit aparte ruimten met meerdere plottafels en gespecialiseerde teams. Op kruisers waren deze ruimten kleiner, maar functioneel vergelijkbaar.

Op torpedobootjagers als Stuart waren de mogelijkheden beperkter. Door ruimtegebrek werd informatie vaak verwerkt op de brug of in de kaartenkamer. Radarbeelden en sonarcontacten werden direct doorgegeven aan de commandant. Nieuwere destroyers kregen vanaf 1942 kleine plotruimten met radarschermen en een overzichtskaart, maar Stuart, gebouwd in 1917, had slechts elementaire voorzieningen.

De sensoruitrusting maakte het schip bruikbaar voor escortetaken en nachtoperaties, maar vanaf 1943 werd duidelijk dat de afwezigheid van een volwaardig CIC de gevechtskracht beperkte. Moderne destroyers konden informatie centraliseren en sneller reageren, terwijl Stuart afhankelijk bleef van traditionele commandovoering via de brug.

Modificaties

Stuart onderging in de loop der jaren verschillende modificaties:

  • In 1933 had het schip vijf 4,7-inch kanonnen, een QF 3-inch luchtafweerkanon, lichte mitrailleurs, torpedobuizen en dieptebomuitrusting.

  • In 1941 werden twee hoofdbatterijkanonnen verwijderd, luchtafweer toegevoegd en de dieptebomuitrusting aangepast.

  • In 1942 werd een derde 4,7-inch kanon verwijderd, samen met de torpedobuizen. Het schip kreeg een Hedgehog-mortier.

  • In 1944 werd Stuart omgebouwd tot stores- en troepentransportschip, waarbij de bewapening werd teruggebracht tot lichte luchtafweer, een enkel kanon en dieptewapens.

Status schip tijdens de oorlog

Bij het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog was Stuart al meer dan twintig jaar oud en technisch verouderd in vergelijking met modernere destroyers. Door regelmatige modernisering, zoals de installatie van radar, ASDIC en nieuwe luchtafweer, bleef het schip inzetbaar. In 1941 liep Stuart ernstige motorproblemen op en werd teruggestuurd naar Australië voor een langdurige reparatie. Daarna werd het schip voornamelijk ingezet voor escortetaken in Australische wateren. De conversie tot transportschip in 1944 weerspiegelde de verminderde waarde van het schip als frontlijn-destroyer.

Operationele geschiedenis

Royal Navy (1918–1933)

Na indienststelling in 1918 werd Stuart ingedeeld bij de Mediterranean Fleet. Het schip nam deel aan operaties in de Zwarte Zee tijdens de Russische Burgeroorlog, waaronder de evacuatie van geallieerde troepen uit Novorossiysk. Ook ondersteunde Stuart Griekse operaties in Smyrna en Panderma. In de jaren twintig voerde het schip routine-oefeningen en patrouilles uit in de Middellandse Zee. In mei 1933 werd Stuart uit dienst genomen bij de Royal Navy.

Royal Australian Navy (1933–1939)

Op 11 oktober 1933 werd Stuart in dienst gesteld bij de Royal Australian Navy als vervanging voor de HMAS Anzac. Het schip arriveerde in december in Sydney en voer de rest van de jaren dertig in Australische wateren. Op 1 juni 1938 werd het schip in reserve geplaatst, maar in september 1939 bij het uitbreken van de oorlog opnieuw in dienst genomen onder bevel van Commander Hector Waller.

Middellandse Zee (1939–1941)

In oktober 1939 vertrok Stuart met vier andere Australische destroyers naar Malta, waar zij bekend kwamen te staan als de “Scrap Iron Flotilla”. In juli 1940 leidde Stuart de flottielje in de Slag bij Calabria. Het schip verleende vuursteun tijdens de Westelijke Woestijncampagne en nam deel aan de vernietiging van de Italiaanse onderzeeboot Gondar in september 1940.

In maart 1941 nam Stuart deel aan de Slag bij Kaap Matapan, waarbij Italiaanse zware kruisers tot zinken werden gebracht. Kort daarna assisteerde het schip bij de evacuatie van geallieerde troepen uit Griekenland en Kreta. Tijdens de zomer van 1941 voer Stuart in de Tobruk Ferry Service, waarbij het 24 bevoorradingstochten maakte naar de belegerde havenstad.

Terugkeer naar Australië (1941–1943)

Door motorproblemen moest Stuart in augustus 1941 terug naar Australië voor reparaties. Het schip arriveerde in Melbourne in september en onderging een grote refit tot april 1942. Daarna werd het ingezet voor konvooibegeleiding en anti-onderzeebootpatrouilles langs de oostkust van Australië. Tot eind 1943 bleef Stuart actief als escorteschip.

Conversie en laatste oorlogsjaren (1944–1946)

Begin 1944 werd Stuart omgebouwd tot stores- en troepentransportschip. In deze rol opereerde het schip in Australische en Nieuw-Guinese wateren tot januari 1946.

Voor haar inzet tijdens de oorlog ontving Stuart acht battle honours: Mediterranean 1940, Calabria 1940, Libya 1940–41, Matapan 1941, Greece 1941, Crete 1941, Pacific 1942–43 en New Guinea 1942–44.

Na de oorlog

Stuart werd op 27 april 1946 uit dienst gesteld en op 3 februari 1947 verkocht voor sloop aan T. Carr & Company. De sloop vond plaats bij Ryde, nabij Sydney. De kiel van het schip werd later begraven in Kissing Point Bay in Putney, New South Wales.

Conclusie

HMAS Stuart was een product van de Eerste Wereldoorlog dat door voortdurende modernisering ook tijdens de Tweede Wereldoorlog bruikbaar bleef. Het schip beschikte over sonar en radar, maar had geen volwaardig Combat Information Center. Hierdoor was Stuart vanaf 1943 technologisch verouderd volgens de toenmalige normen. Toch vervulde het schip waardevolle taken als flottieljeleider, escorteschip en later als transportschip. De loopbaan van Stuart illustreert hoe oudere schepen in de RAN door aanpassingen konden bijdragen aan de oorlogsinspanningen.

Bronnen en meer informatie

  1. Afbeelding: Green, Allan C., 1878-1954, photographer., Public domain, via Wikimedia Commons
  2. Bennett, Geoffrey (2003). Naval Battles of World War II. Barnsley: Pen & Sword. ISBN 0850529891.

  3. Bertke, Donald A.; Smith, Gordon; Kindell, Don (2012). The Royal Navy is Bloodied in the Mediterranean. World War II Sea War, Volume 3. Lulu. ISBN 9781937470012.

  4. Cassells, Vic (2000). The Destroyers: Their Battles and Their Badges. East Roseville, New South Wales: Simon & Schuster. ISBN 0-7318-0893-2.

  5. English, John (2019). Grand Fleet Destroyers: Part I: Flotilla Leaders and ‘V/W’ Class Destroyers. Windsor, UK: World Ship Society. ISBN 978-0-9650769-8-4.

  6. Gillett, Ross; Graham, Colin (1977). Warships of Australia. Adelaide, South Australia: Rigby. ISBN 0-7270-0472-7.

  7. Halpern, Paul, ed. (2011). The Mediterranean Fleet 1920–1929. Navy Records Society Publications. Vol. 158. Farnham, Surrey: Ashgate. ISBN 978-1-4094-2756-8.

  8. Bronnen voor historisch onderzoek 1800–1946