Heinrich Brüning, kanselier van de Weimarrepubliek

Heinrich Aloysius Maria Elisabeth Brüning (26 november 1885 – 30 maart 1970) was een Duitse politicus van de Centrumpartij, politicoloog en rijkskanselier van 1930 tot 1932. Tijdens de laatste crisisjaren van de Weimarrepubliek regeerde hij met bezuinigingen, deflatie en noodverordeningen. Daardoor bleef zijn rol omstreden: hij probeerde de republiek te behouden, maar verzwakte tegelijk het parlementaire stelsel.

Vroege leven en opleiding

Gezin en schooltijd

Brüning werd geboren in Münster in Westfalen en groeide op in een rooms-katholiek gezin. Zijn vader overleed toen hij één jaar oud was, waardoor zijn oudere broer Hermann Joseph een groot aandeel kreeg in zijn opvoeding. Die familiale en confessionele omgeving werkte door in zijn latere politieke opvattingen. Na zijn schooltijd aan het Gymnasium Paulinum oriënteerde hij zich eerst op de rechtenstudie, maar al vroeg verschoof zijn belangstelling naar geschiedenis, filosofie en staatsinrichting.

Universitaire vorming

Zijn academische opleiding verliep in Straatsburg, Londen en Bonn. Hij studeerde filosofie, geschiedenis, Duitse letterkunde en politieke wetenschap, en kwam daarbij in aanraking met verschillende intellectuele tradities. In Straatsburg oefende de historicus Friedrich Meinecke veel invloed op hem uit. In 1915 promoveerde Brüning in Bonn op een studie naar de financiële, economische en juridische gevolgen van de nationalisatie van het Britse spoorwegsysteem. Die combinatie van economie, recht en bestuur bleef daarna herkenbaar in zijn publieke optreden.

Deelname aan de Eerste Wereldoorlog

Frontdienst en bevordering

Brüning meldde zich tijdens de Eerste Wereldoorlog vrijwillig voor de infanterie. Dat gebeurde ondanks zijn bijziendheid en lichamelijke zwakte, die een militaire loopbaan niet vanzelfsprekend maakten. Hij diende van 1915 tot 1918 in infanterieregiment nr. 30 Graf Werder, werd bevorderd tot luitenant en was tegen het einde van de oorlog compagniescommandant. Zijn optreden aan het front leverde hem zowel het IJzeren Kruis tweede klasse als het IJzeren Kruis eerste klasse op.

Politieke gevolgen van de oorlog

De oorlog werkte sterk door in zijn latere levensloop. Na de wapenstilstand van 11 november 1918 werd Brüning nog gekozen in een soldatenraad, maar de Duitse Revolutie van 1918–1919 wees hij af. Hij keerde daardoor niet terug naar een zuiver academische loopbaan. In plaats daarvan richtte hij zich op de sociale en politieke herordening van Duitsland, vooral op de vraag hoe oud-frontsoldaten opnieuw een plaats konden krijgen in studie, arbeid en openbaar leven.

Interbellum: Politieke loopbaan en kanselierschap

Van sociaal werk naar partijpolitiek

Na de oorlog werkte Brüning samen met de katholieke hervormer Carl Sonnenschein in het sociale studentenwerk. Vervolgens trad hij in dienst van de Pruisische welzijnsadministratie, waar hij nauw ging samenwerken met Adam Stegerwald. Via Stegerwald kwam hij terecht in de christelijke vakbeweging. In 1920 werd hij algemeen directeur van de christelijke vakbonden, een functie die hij tot 1930 behield. Daarnaast redigeerde hij het blad Der Deutsche, waarin hij pleitte voor een christelijke democratie en een sociaal georiënteerde staat.

Opkomst binnen de Centrumpartij

Brüning speelde in 1923 een rol bij de organisatie van het passieve verzet tijdens de Ruhrbezetting. Kort daarna sloot hij zich aan bij de Centrumpartij. In 1924 werd hij voor Breslau in de Rijksdag gekozen, waar hij snel bekendstond als specialist in financiële en begrotingskwesties. Zijn naam werd verbonden aan een belastingwet die het aandeel van werknemers in de inkomstenbelasting begrensde. Tussen 1928 en 1930 was hij ook lid van de Pruisische Landdag, terwijl hij binnen zijn partij verder opklom.

Toegang tot de regering

In 1929 werd Brüning fractievoorzitter van het Zentrum in de Rijksdag. Tijdens de discussie over het Youngplan stelde hij de steun van zijn partij afhankelijk van een garantie op belastingverhogingen die tot een sluitende begroting moesten leiden. Die opstelling trok de aandacht van president Paul von Hindenburg. Toen de grote coalitie onder leiding van sociaaldemocraat Hermann Müller in maart 1930 uiteenviel, benoemde Hindenburg Brüning op 29 maart tot rijkskanselier.

Economische crisis en deflatiebeleid

Brüning trad aan op het moment dat de Grote Depressie Duitsland hard begon te treffen. Tegelijk drukten herstelbetalingen en buitenlandse schulden nog zwaar op de economie. Zijn kabinet koos daarom voor een beleid van strakke kredietbeheersing, begrotingssanering, loonmatiging en dalende overheidsuitgaven. Het doel was tweeledig: het begrotingstekort beperken en de geallieerden overtuigen dat Duitsland de resterende verplichtingen niet meer kon dragen. In economische termen kwam dit neer op interne devaluatie door deflatie.

Regeren per noodverordening

De Rijksdag verwierp al binnen een maand de eerste maatregelen van het kabinet. Daarna verlegde Brüning het zwaartepunt van de besluitvorming naar artikel 48 van de Weimar-grondwet, dat de president toestond per noodverordening in te grijpen. Met instemming van Hindenburg werden in de zomer van 1930 nieuwe maatregelen uitgevaardigd buiten het gewone parlementaire traject om. Deze werkwijze gaf de regering bestuurlijke ruimte, maar ondergroef tegelijk de parlementaire routine waarop de republiek formeel berustte.

Sociale gevolgen van het beleid

Het deflatiebeleid bracht op onderdelen een handelsoverschot dichterbij, maar de sociale kosten waren hoog. Werkloosheid en armoede namen verder toe, terwijl lonen, salarissen en steunuitkeringen werden verlaagd. Tegelijk stegen op verschillende punten belastingen en prijzen. Daardoor groeide onder arbeiders en werklozen het beeld van een regering die soberheid boven bestaanszekerheid plaatste. In het publieke debat werd Brüning dan ook vereenzelvigd met noodmaatregelen en economische ontbering.

Verkiezingen, persbeperking en politieke verschuiving

De Rijksdagverkiezingen van september 1930 verzwakten de partijen van de vroegere regeringscoalitie en leverden grote winst op voor communisten en nationaalsocialisten. Een stabiele meerderheid was daardoor niet meer haalbaar. Brüning bleef aan met gedoogsteun van de sociaaldemocraten, terwijl hij zelf sprak over een vorm van autoritaire democratie op basis van president en parlement. Tegelijk beperkte zijn regering de persvrijheid sterk; talrijke krantenedities werden verboden. Die combinatie van defensief bestuur en bestuurlijke dwang maakte zijn positie steeds kwetsbaarder.

Relatie met Hindenburg en de rechterzijde

Binnen de regering en rond het presidentschap groeide ondertussen de druk om de koers naar rechts te verleggen. Hindenburg, zijn vertrouwelingen en legerkringen, onder wie Kurt von Schleicher, wilden een herschikking van het kabinet en meer afstand tot het parlementaire midden. Brüning deelde hun afkeer van communistische en nationaalsocialistische straatpolitiek, maar hij wilde de nazi’s geen echte regeringsmacht geven. Gesprekken met Hitler over tolerantie of samenwerking liepen daarom vast. In april 1932 liet zijn regering zowel het communistische Rotfrontkämpferbund als de nationaalsocialistische SA verbieden.

Buitenlandse politiek en herstelbetalingen

In de buitenlandse politiek combineerde Brüning financiële soberheid met een nationaal georiënteerde koers. Hij wilde twee slagkruisers voor de Reichsmarine laten bouwen, streefde naar verlichting van de herstelbetalingen, verlangde militaire gelijkberechtiging voor Duitsland en zocht economische ruimte in Midden- en Oost-Europa, onder meer via handelsverdragen met Hongarije en Roemenië. Zijn plannen voor een Duits-Oostenrijkse douane-unie stuitten op Frans verzet. De daaropvolgende spanningen droegen bij aan een bankencrisis in 1931, waarna de Reichsbank het financiële systeem tijdelijk sloot, importcontrole instelde en de band met de goudstandaard losliet. Na zijn vertrek werd op de Conferentie van Lausanne het resterende herstelbedrag verder verlaagd.

Hindenburgs herverkiezing en de val van Brüning

Bij de presidentsverkiezingen van 1932 voerde Brüning actief campagne voor Hindenburg, samen met vrijwel het gehele centrum en links van de Duitse politiek. Hindenburg werd herkozen tegenover Hitler, maar de president wilde daarna minder afhankelijk zijn van katholieke en sociaaldemocratische steun. Het conflict verscherpte verder door Brünings plan om in het kader van de Osthilfe grootgrondbezit in Oost-Duitsland deels te herverdelen ten gunste van werklozen. Vooral conservatieve landadel verzette zich daar fel tegen. Hindenburg, zelf eigenaar van een zwaar met schulden belast landgoed, weigerde vervolgens nog langer nieuwe noodverordeningen te ondertekenen. Daarop trad Brüning op 30 mei 1932 af.

Laatste maanden van de republiek

Na zijn aftreden bleef Brüning politiek actief. Hij verzette zich tegen het kabinet van Franz von Papen en hoopte nog op herstel van een werkbare Rijksdag. In zijn later gepubliceerde memoires stelde hij bovendien dat hij in 1932 een herstel van de monarchie had overwogen, met Hindenburg als regent, maar voor dat plan ontbreken eigentijdse bewijsstukken. Na Hitlers benoeming tot kanselier op 30 januari 1933 voerde Brüning campagne tegen de nieuwe regering. Toch stemde hij in maart 1933, na zware partijdruk en na toezeggingen van Hitler aan het Zentrum, vóór de Machtigingswet.

Einde van het Zentrum en vertrek uit Duitsland

In mei 1933 werd Brüning voorzitter van de Centrumpartij, nadat Ludwig Kaas naar Rome was vertrokken. De partij probeerde zich nog aan te passen aan de nieuwe machtsverhoudingen, onder meer met een afgezwakte vorm van het Führerprinzip, maar arrestaties, intimidatie en ontslagen maakten zelfstandig voortbestaan vrijwel onmogelijk. Op 5 juli 1933 ontbond Brüning het Zentrum. Het jaar daarop werd hij door vrienden gewaarschuwd voor gevaar tijdens de zuiveringen rond de Nacht van de Lange Messen. Op 3 juni 1934 verliet hij Duitsland via Nederland en koos uiteindelijk voor ballingschap.

Na de oorlog

Ballingschap, onderwijs en terugkeer

Brüning verbleef na zijn vertrek eerst in Zwitserland en het Verenigd Koninkrijk en vestigde zich in 1935 in de Verenigde Staten. Vanaf 1937 doceerde hij aan Harvard University; tussen 1939 en 1952 was hij daar Lucius N. Littauer Professor of Government. In 1938 werd hij lid van de American Academy of Arts and Sciences. Tijdens en na de Tweede Wereldoorlog waarschuwde hij in lezingen en publicaties voor Hitlers oorlogsplannen en later voor Sovjet-expansie. In 1951 keerde hij terug naar West-Duitsland om politieke wetenschap te doceren aan de Universiteit van Keulen, waar hij tot 1953 actief bleef.

Memoires en historische discussie

De terugkeer naar Duitsland bleek niet blijvend. Uit onvrede over de koers van kanselier Konrad Adenauer vertrok Brüning in 1955 opnieuw naar de Verenigde Staten. Daar werkte hij met zijn assistente Claire Nix aan de herziening van zijn memoires over de jaren 1918–1934. Die memoires verschenen pas na zijn dood en riepen direct discussie op. Historici hebben erop gewezen dat delen ervan moeilijk te verifiëren zijn en dat de tekst op punten het karakter heeft van politieke zelfrechtvaardiging.

Overlijden

Brüning overleed op 30 maart 1970 in Norwich, Vermont. Hij werd begraven in zijn geboortestad Münster. Zijn latere reputatie bleef verdeeld. Voor de ene groep historici was hij de laatste kanselier die nog probeerde het constitutionele bestel tegen Hitler te beschermen. Voor de andere groep versnelde hij door deflatie en noodverordeningen juist de ontmanteling van de Weimarrepubliek. Die spanning is bepalend gebleven voor de beoordeling van zijn leven en beleid.

Militaire Rangen

Brüning diende tijdens de Eerste Wereldoorlog als luitenant in het Duitse leger. Aan het einde van de oorlog was hij compagniescommandant binnen infanterieregiment nr. 30 Graf Werder. Zijn militaire loopbaan bleef beperkt tot de oorlogsjaren 1915–1918, maar de ervaring van frontdienst en bevelvoering werkte daarna zichtbaar door in zijn politieke stijl, waarin discipline, orde en staatsgezag steeds een vaste plaats innamen.

Onderscheidingen

Voor zijn inzet in de Eerste Wereldoorlog ontving Brüning het IJzeren Kruis tweede klasse en het IJzeren Kruis eerste klasse. Deze onderscheidingen weerspiegelden zijn optreden als frontofficier. In latere politieke functies speelde zijn oorlogsverleden bovendien een rol in de wijze waarop conservatieve kringen en president Hindenburg hem aanvankelijk beoordeelden. Zijn status als veteraan vergrootte zijn aanvaardbaarheid in een politiek milieu waarin militaire dienst nog zwaar woog.

Conclusie

Heinrich Brüning stond op het kruispunt van economische crisis, constitutionele nood en partijpolitieke versplintering. Als rijkskanselier probeerde hij de Duitse staatsfinanciën te stabiliseren, de herstelbetalingen terug te dringen en de republiek overeind te houden zonder steun van de uiterste rechterzijde. Tegelijk bracht zijn afhankelijkheid van noodverordeningen een verschuiving teweeg van parlementair bestuur naar presidentieel ingrijpen.

Daarom is zijn plaats in de geschiedenis van de Weimarrepubliek omstreden gebleven. Zijn beleid verergerde de sociale druk waaronder de samenleving al stond, maar hij verwierp ook samenwerking met de nazi’s als volwaardige regeringspartner. Een terugkerend punt in het debat is hoeveel speelruimte hij tijdens de depressie werkelijk had. Historici verschillen dan ook van oordeel over de vraag of Brüning vooral moet worden gezien als een rem op de ontwrichting of als een bestuurder die onbedoeld de institutionele verzwakking van de republiek heeft versneld.

Bronnen en meer informatie

  1. Afbeelding: Bundesarchiv, Bild 183-1989-0630-504 / UnknownUnknown / CC-BY-SA 3.0CC BY-SA 3.0 DE, via Wikimedia Commons
  2. McElligott, Anthony (2013). Rethinking the Weimar Republic: Authority and Authoritarianism, 1916–1936. London: A & C Black. ISBN 9781849660273.
  3. Patch, William L. (2006). Heinrich Bruning and the Dissolution of the Weimar Republic. Cambridge: Cambridge University Press. ISBN 978-0521025416.
  4. Schui, Florian (2014). Austerität. Politik der Sparsamkeit: Die kurze Geschichte eines großen Fehlers. München: Karl Blessing Verlag. ISBN 978-3641140748.
  5. Klein, Fritz (1931). Chancellor Bruening of Germany. Current History 35 (1): 26–27. DOI 10.1525/curh.1931.35.1.25. JSTOR 45333803. S2CID 249078721.
  6. Adam, Thomas, red. (2005). Germany and the Americas: Culture, Politics, and History. Vol. 1. London: Bloomsbury Academic. ISBN 978-1851096282.
  7. Tooze, Adam (2007). The Wages of Destruction: The Making & Breaking of the Nazi Economy. London: Penguin. ISBN 978-0-14-100348-1.
  8. Mayer, Eugen (1962). Skizzen aus dem Leben der Weimarer Republik. Berliner Erinnerungen. Berlin: Duncker & Humblot. ISBN 978-3428009916.
  9. Koubik, Charles P. (2010). Son of Oldenburg. The Life and World War II Diary of Gerold Meyer. Bloomington, IN: Xlibris US. ISBN 978-1477171226.
  10. Evans, Richard J. (2003). The Coming of the Third Reich. New York: Penguin Press. ISBN 978-0141009759.
  11. Winkler, Heinrich August (2014). Der Lange Weg nach Westen. Deutsche Geschichte I. München: C.H. Beck. ISBN 978-3406660498.
  12. Kavanagh, Dennis; Riches, Christopher, red. (2013). A Dictionary of Political Biography. Oxford: OUP Oxford. ISBN 978-0192518439.
  13. Wehler, Hans Ulrich (2003). Deutsche Gesellschaftsgeschichte, Band 4. München: C.H. Beck. ISBN 3-406-32264-6.
  14. North, Michael (2005). Deutsche Wirtschaftsgeschichte. München: C.H. Beck. ISBN 3-406-50266-0.
  15. Backhaus, Jürgen Georg (2011). The Beginnings of Scholarly Economic Journalism. New York: Springer. ISBN 978-1-4614-0078-3.
  16. Büttner, Ursula (2008). Weimar: die überforderte Republik. Stuttgart: Klett-Cotta. ISBN 978-3-608-94308-5.
  17. Putnam, Robert D.; Leonardi, Robert; Nanetti, Raffaella Y. (1994). Making Democracy Work. Princeton: Princeton University Press. DOI 10.1515/9781400820740. ISBN 9781400820740.
  18. Berman, Sheri (1997). Civil Society and the Collapse of the Weimar Republic. World Politics 49 (3): 401–429. DOI 10.1353/wp.1997.0008. ISSN 0043-8871. S2CID 145285276.
  19. Reiter, Bernd (2009). Civil Society and Democracy: Weimar Reconsidered. Journal of Civil Society 5 (1): 21–34. DOI 10.1080/17448680902925604. ISSN 1744-8689. S2CID 143860485.
  20. Carothers, Thomas (1997). Think Again: Democracy. Foreign Policy 107: 11–18. DOI 10.2307/1149329. ISSN 0015-7228. JSTOR 1149329.
  21. Anderson, Kenneth; Rieff, David (2005). Global Civil Society: A Sceptical View. In: Global Civil Society 2004/5. London: Sage Publications. DOI 10.4135/9781446211908.n2. ISBN 9781412903073. S2CID 154745707.
  22. Weber, Peter C. (2015). The Paradoxical Modernity of Civil Society: The Weimar Republic, Democracy, and Social Homogeneity. VOLUNTAS 26 (2): 629–648. DOI 10.1007/s11266-014-9448-z. ISSN 1573-7888. S2CID 255101384.
  23. van Rahden, Till (2005). Jews and the Ambivalences of Civil Society in Germany, 1800–1933: Assessment and Reassessment. The Journal of Modern History 77 (4): 1024–1047. DOI 10.1086/499833. ISSN 0022-2801. S2CID 222445848.
  24. Eschenburg, Theodor (1972). The Role of the Personality in the Crisis of the Weimar Republic: Hindenburg, Brüning, Groener, Schleicher. In: Holborn, Hajo, red. Republic to Reich: The Making of the Nazi Revolution. New York: Pantheon Books. ISBN 0-394-47122-9.
  25. Hamilton, Richard (1982). Who Voted for Hitler? Princeton: Princeton University Press. ISBN 0691093954.
  26. Patch, William (1998). Heinrich Brüning and The Dissolution of the Weimar Republic. New York: Cambridge University Press. ISBN 0-521-62422-3.
  27. Wheeler-Bennett, Sir John (2005). The Nemesis of Power: German Army in Politics, 1918–1945. New York: Palgrave Macmillan. ISBN 1-4039-1812-0.
  28. Bronnen voor historisch onderzoek 1800–1946