Walther Rathenau: industrie, oorlog en Weimarstaat

Walther Rathenau was een Duitse industrieel, schrijver en politicus die een rol speelde in de overgang van het Duitse Keizerrijk naar de Weimarrepubliek. Tijdens de Eerste Wereldoorlog organiseerde hij een deel van de Duitse grondstoffenvoorziening, en in 1922 werd hij minister van Buitenlandse Zaken. Zijn naam is vooral verbonden met het Verdrag van Rapallo, met scherpe antisemitische aanvallen van nationalistische tegenstanders en met zijn moord in Berlijn op 24 juni 1922.

Vroege leven en opleiding

Familie, studie en eerste loopbaan

Walther Rathenau werd op 29 september 1867 in Berlijn geboren als zoon van Emil Rathenau, oprichter van de Allgemeine Elektrizitäts-Gesellschaft, en Mathilde Nachmann. Hij groeide op in een welgesteld Joods ondernemersmilieu en studeerde natuurkunde, scheikunde en filosofie in Berlijn en Straatsburg. In 1889 promoveerde hij in de natuurkunde onder August Kundt. Vervolgens werkte hij als technisch ingenieur in een Zwitserse aluminiumfabriek en daarna als leidinggevende in een elektrochemisch bedrijf in Bitterfeld, waar hij zich ook met elektrolyse bezighield.

AEG en internationaal ondernemerschap

Rathenau keerde daarna terug naar Berlijn en trad in 1899 toe tot het bestuur van AEG. Binnen het concern hield hij zich bezig met herstructurering, investeringen en internationale expansie, onder meer via elektriciteitscentrales in Manchester, Buenos Aires en Bakoe. AEG verwierf ook belangen in een trammaatschappij in Madrid en in een Brits bedrijf in Oost-Afrika. In totaal was Rathenau betrokken bij 84 ondernemingen in verschillende landen. Zijn werkwijze legde veel nadruk op verticale integratie, strakke organisatie van aanvoer en productie en herinvestering van opbrengsten in nieuwe industriële activa.

Koloniale reizen en politiek ontwaken

Rathenau raakte in dezelfde jaren meer bij de politiek betrokken en bouwde een nauwe relatie op met Bernhard Dernburg, de Duitse staatssecretaris voor Koloniën. Via Dernburg reisde hij in 1907 naar Duits-Oost-Afrika en in 1908 naar Duits-Zuidwest-Afrika. Na terugkeer stelde hij rapporten op die invloed hadden op het koloniale beleid. Hij beschouwde Afrikaanse arbeidskrachten als economisch onmisbaar en vond dat hun gezondheid en rechtspositie beter beschermd moesten worden. Tegelijk veroordeelde hij in Zuidwest-Afrika de behandeling van de Herero en Nama, de deportaties en de concentratiekampen, die hij in verband bracht met een beleid dat de uiterlijke vorm van slavernij aannam.

Joodse afkomst, assimilatie en publieke positie

Rathenau zag scherp hoe sterk antisemitisme het openbare leven in Duitsland bepaalde en besefte dat zijn afkomst hem maatschappelijk begrensde, ondanks opleiding, rijkdom en invloed. In zijn geschriften benadrukte hij tegelijk zijn Duitse patriottisme en stelde hij dat loyaliteit aan Duitsland niet afhing van religie of herkomst. Hij pleitte in 1897 in Höre, Israel! voor een vergaande aanpassing van Duitse Joden aan de omgeving, een standpunt dat later veel debat heeft opgeroepen. Die opvatting ontstond in een samenleving waarin antisemitische partijen actief waren en Joden in het Pruisische officierskorps vrijwel afwezig bleven.

Schrijver en denker

Naast zijn werk in de industrie trad Rathenau ook naar voren als essayist en politiek denker. Zijn boeken en pamfletten behandelden techniek, economie, staat, cultuur en sociale ordening. Tot zijn publicaties behoren Reflektionen, Zur Kritik der Zeit, Zur Mechanik des Geistes, Von kommenden Dingen, Vom Aktienwesen, An Deutschlands Jugend, Die neue Gesellschaft, Der neue Staat, Der Kaiser, Kritik der dreifachen Revolution en de utopische roman Was wird werden. In deze teksten keerde telkens dezelfde vraag terug: hoe een moderne industriële samenleving bestuurd moest worden zonder de sociale samenhang te verliezen.

Deelname aan de Eerste Wereldoorlog

De Kriegsrohstoffabteilung

Rathenau speelde vanaf het begin van de Eerste Wereldoorlog een directe rol in de Duitse oorlogseconomie. Hij overtuigde het Pruisische Oorlogsministerie ervan dat een centrale organisatie nodig was voor grondstoffen die door de Britse blokkade schaars dreigden te worden. In augustus 1914 kreeg hij de leiding over de Kriegsrohstoffabteilung. Deze dienst regelde prijzen, verdeelde schaarse materialen onder bedrijven die voor de oorlog produceerden en zocht naar vervangende grondstoffen. Ook voorraden uit bezet België en Frankrijk werden in dit systeem opgenomen, waardoor de staat meer grip kreeg op de industriële bevoorrading.

Grenzen van zijn oorlogsrol

Rathenau verliet de Kriegsrohstoffabteilung in maart 1915, maar zijn naam bleef verbonden aan de vroege organisatie van de Duitse oorlogseconomie. Kort daarna, in juni 1915, volgde hij zijn overleden vader op als president van AEG. Hij was geen militair en trad ook niet naar voren als frontcommandant. Zijn bijdrage lag in bestuurlijke coördinatie, industriële planning en het opzetten van procedures die de Duitse staat hielpen om schaarste te beheren. Zijn loopbaan laat daarmee zien dat de oorlog niet alleen aan het front, maar ook in fabrieken en ministeries werd uitgevochten.

Interbellum: politieke loopbaan en moord

Van ondernemer naar politicus

Na de oorlog schoof Rathenau duidelijker de politiek in en sloot hij zich aan bij de Deutsche Demokratische Partei. Hij bleef liberaal, maar bewoog in sociale kwesties naar links, vooral door de ontwrichting van de naoorlogse jaren. Staatseigendom van de industrie wees hij af, terwijl hij wel meer medezeggenschap van arbeiders in ondernemingen verdedigde. In de Weimar Nationalversammlung werd zijn naam in 1919 nog spottend ontvangen toen hij als mogelijke rijkspräsident ter sprake kwam. Rathenau zag in het extreemrechtse geweld van die jaren een erfenis van een staat waarin militair-feodale machtsvormen lang de toon hadden gezet.

Sociale ordening en herstelbeleid

Rathenau werkte in 1920 mee aan de Sozialisierungskommission, die moest onderzoeken of delen van de Duitse economie gesocialiseerd konden worden. In hetzelfde jaar nam hij deel aan de Conferentie van Spa, waar ontwapening en herstelbetalingen werden besproken. Zijn internationale reputatie en onderhandelingsvermogen brachten hem in mei 1921 in het kabinet van rijkskanselier Joseph Wirth als minister van Wederopbouw. Daar ondersteunde hij de zogenoemde vervullingspolitiek, die erop was gericht de geallieerden te tonen dat Duitsland zijn verplichtingen serieus nam. In oktober 1921 sloot hij met Frankrijk het Akkoord van Wiesbaden over particuliere Duitse leveringen aan Franse oorlogsslachtoffers.

Minister van Buitenlandse Zaken

Toen de Deutsche Demokratische Partei later uit de coalitie stapte, trad Rathenau als minister af, maar hij bleef betrokken bij internationale besprekingen in Londen en Cannes. In 1922 werd hij in het tweede kabinet-Wirth minister van Buitenlandse Zaken. Zijn lijn bleef dat Duitsland de bepalingen van Versailles formeel moest nakomen, terwijl het tegelijk langs diplomatieke weg op herziening moest aansturen. Dat standpunt riep felle weerstand op bij nationalistische tegenstanders, die elke samenwerking met de overwinnaars als verraad zagen. Voor hen was Rathenau niet alleen een republikeins minister, maar ook een Joodse politicus die gemakkelijk doelwit werd van complottheorieën.

Antisemitisme in de republiek

Rathenau was in de republiek niet alleen om zijn beleid omstreden. Zijn Joodse afkomst en grote vermogen maakten hem in brede delen van rechts tot mikpunt van vijandige beeldvorming. Tegenstanders stelden hem voor als bewijs dat de republiek door vreemden en financiers werd geleid, terwijl zijn politieke positie juist liberaal-nationalistisch bleef. Die aanvallen sloten aan bij oudere antisemitische tradities uit het keizerrijk en verscherpten na 1918 door nederlaag, revolutie en herstelbetalingen. Daardoor kreeg elk compromis dat hij verdedigde al snel een ideologische lading die verder ging dan gewone partijpolitiek.

Het Verdrag van Rapallo

Rathenaus buitenlandse politiek kwam scherp naar voren tijdens de conferentie van Genua in april 1922. Op 16 april sloot Duitsland daar met de Sovjet-Russische regering het Verdrag van Rapallo. Beide staten herstelden hun diplomatieke betrekkingen en legden een basis voor nauwere economische samenwerking. Voor Duitsland betekende dit een terugkeer naar het internationale onderhandelingsterrein buiten de directe kaders van Versailles. Tegelijk vergrootte het verdrag het wantrouwen bij westerse mogendheden en leverde het binnen Duitsland extra argumenten voor radicaal-nationalistische kringen, die Rathenau in antisemitische propaganda afschilderden als deel van een vermeende Joods-communistische samenzwering.

De aanslag van 24 juni 1922

Op de ochtend van 24 juni 1922 werd Rathenau in Berlijn-Grunewald vermoord terwijl hij vanuit zijn woning aan de Königsallee naar het ministerie in de Wilhelmstraße reed. Een andere auto haalde zijn wagen in; Ernst Werner Techow zat achter het stuur, terwijl Erwin Kern en Hermann Fischer op de achterbank zaten. Kern opende van dichtbij het vuur met een machinepistool en trof Rathenau dodelijk. Fischer gooide daarna een handgranaat in de auto, waarna de daders vluchtten. De aanslag werd voorbereid in kringen rond de ultranationalistische Organisation Consul, een geheime organisatie die al eerder met politiek geweld in verband was gebracht.

Onderzoek en proces

De opsporing kwam snel op gang doordat medeplichtigen openlijk over hun rol spraken. Willi Günther werd gearresteerd en legde een uitgebreide bekentenis af. Kort daarna volgden Hans Gerd Techow en Ernst Werner Techow. Kern en Fischer bleven nog enige tijd voortvluchtig, maar werden uiteindelijk ontdekt bij kasteel Saaleck in Thüringen. Tijdens de confrontatie werd Kern door een politiekogel gedood; Fischer pleegde vervolgens zelfmoord. Bij het proces in oktober 1922 was Ernst Werner Techow de enige verdachte die wegens moord terechtstond. Anderen, onder wie Ernst von Salomon, Karl Tillessen en Hartmut Plaas, werden veroordeeld voor medeplichtigheid of het niet melden van het complot.

Historische duiding van het complot

Historici hebben de politieke achtergrond van de moord uitvoerig onderzocht. Martin Sabrow legt de nadruk op Hermann Ehrhardt, leider van de Organisation Consul, die verwacht zou hebben dat de moord een crisis zou veroorzaken en de republiek verder zou verzwakken. Michael Kellogg heeft daarnaast gewezen op contacten tussen de daders en de Aufbau Vereinigung, een netwerk van Witte Russische ballingen en vroege nationaalsocialisten. Over de precieze mate van betrokkenheid bestaan verschillen in interpretatie. Wel staat vast dat de vervolging de volledige politieke samenhang achter de aanslag niet blootlegde en dat antisemitische vijandbeelden in de propaganda rond Rathenau een vaste plaats innamen.

Reactie van de Weimarrepubliek

De moord leidde tot massale publieke reacties in heel Duitsland. Miljoenen Duitsers kwamen de straat op voor rouwbetoon en om te protesteren tegen contrarevolutionair terrorisme. In de Rijksdag sloeg het nieuws om in grote onrust, en vooral Karl Helfferich kreeg harde reacties omdat hij kort daarvoor een scherpe aanval op Rathenau had gedaan. Rijkskanselier Joseph Wirth gebruikte de herdenkingszitting om de politieke verantwoordelijkheid nadrukkelijk aan de rechterzijde te leggen. Kort daarna trad op 22 juli 1922 de Wet ter Bescherming van de Republiek in werking, met zwaardere straffen voor politieke moorden en meer middelen om extremistische organisaties te bestrijden.

Na de oorlog

Herdenking onder Weimar en onderdrukking onder de nazi’s

In de resterende jaren van de Weimarrepubliek bleef 24 juni een vaste datum van herdenking, en Rathenau werd vaak gezien als een slachtoffer van geweld tegen de republikeinse orde. Dat veranderde na de machtsovername door de nationaalsocialisten in 1933. Herdenkingen werden verboden, monumenten verwijderd en instellingen of straten die zijn naam droegen kregen andere namen. Op sommige plaatsen werden juist de daders geëerd, wat laat zien hoe sterk de officiële herinneringspolitiek onder het nieuwe regime van richting veranderde.

Nalatenschap na 1945

Na 1945 keerde Rathenaus naam terug in het publieke landschap en in het historische debat. Op de plaats van de aanslag aan de Königsallee kwam een gedenksteen, en in Nürnberg draagt station Rathenauplatz zijn portret. Ook in de literatuur en populaire cultuur bleef hij aanwezig. Hij geldt mede als een model voor Paul Arnheim in Robert Musils Der Mann ohne Eigenschaften, verschijnt bij Thomas Pynchon en werd in de televisieserie Genius uitgebeeld. Daarnaast komt hij voor in het alternatieve geschiedenisscenario Kaiserreich voor Hearts of Iron IV.

Conclusie

Walther Rathenau verbond industrie, intellectueel werk en politiek op een manier die kenmerkend was voor het spanningsveld van het vroege twintigste-eeuwse Duitsland. Hij organiseerde tijdens de Eerste Wereldoorlog een deel van de grondstoffenvoorziening, werd daarna een vooraanstaand minister in de Weimarrepubliek en probeerde Duitsland via diplomatie uit zijn internationale isolement te halen. Zijn moord in 1922 liet zien hoe sterk antisemitisme, samenzweringsdenken en antirepublikeins geweld in de Duitse politiek aanwezig waren. Daarom blijft zijn loopbaan van belang voor de studie van oorlogseconomie, Weimarpolitiek en politieke radicalisering.

Bronnen en meer informatie

  1. Afbeelding: Bain News Service, Public domain, via Wikimedia Commons
  2. Mendelsohn, Ezra; Cohen, Richard I.; Hoffman, Stefani (2014). Against the Grain: Jewish Intellectuals in Hard Times. Oxford; New York: Berghahn Books. ISBN 978-1-782-38003-0.
  3. Naranch, Bradley D. (2000). “Colonized Body”, “Oriental Machine”: Debating Race, Railroads, and the Politics of Reconstruction in Germany and East Africa, 1906–1910. Central European History 33 (3): 299–338. DOI 10.1163/156916100746356.
  4. Küppers, Heinrich (1997). Joseph Wirth: Parlamentarier, Minister und Kanzler der Weimarer Republik. Stuttgart: Franz Steiner Verlag. ISBN 978-3-515-07012-6.
  5. Kellogg, Michael (2005). The Russian Roots of Nazism: White Russians and the Making of National Socialism, 1917–1945. New York: Cambridge University Press. ISBN 978-0-521-84512-0.
  6. Sabrow, Martin (1999). Die verdrängte Verschwörung: der Rathenau-Mord und die deutsche Gegenrevolution. Frankfurt am Main: Fischer Taschenbuch Verlag. ISBN 978-3-596-14302-3.
  7. Sabrow, Martin (1998). Die Macht der Erinnerungspolitik. In: Die Macht der Mythen: Walther Rathenau im öffentlichen Gedächtnis: sechs Essays. Berlin: Das Arsenal. ISBN 978-3-931-10911-0.
  8. Jackisch, Barry A. (2016). The Pan-German League and Radical Nationalist Politics in Interwar Germany, 1918–39. London: Routledge. ISBN 978-1-317-02185-8.
  9. Sabrow, Martin (1998). Erstes Opfer des „Dritten Reichs“? In: Die Macht der Mythen: Walther Rathenau im öffentlichen Gedächtnis: sechs Essays. Berlin: Das Arsenal. ISBN 978-3-931-10911-0.
  10. Pächter, Henry Maximilian (1982). Weimar études. New York: Columbia University Press. ISBN 978-0-231-05360-0.
  11. Brecht, Arnold (1948). Walther Rathenau and the German People. The Journal of Politics 10 (1): 20–48. DOI 10.2307/2125816.
  12. Felix, David (1971). Walther Rathenau and the Weimar Republic: The Politics of Reparations. Baltimore, MD: Johns Hopkins University Press. ISBN 978-1-4214-3553-4.
  13. Henderson, W. O. (1951). Walther Rathenau: A Pioneer of the Planned Economy. The Economic History Review 4 (1): 98–108. DOI 10.2307/2591660. ISSN 0013-0117. JSTOR 2591660.
  14. Himmer, Robert (1976). Rathenau, Russia, and Rapallo. Central European History 9 (2): 146–183. DOI 10.1017/S000893890001815X. ISSN 0008-9389. JSTOR 4545767. S2CID 145269033.
  15. Kollman, Eric C. (1952). Walther Rathenau and German Foreign Policy: Thoughts and Actions. The Journal of Modern History 24 (2): 127–142. DOI 10.1086/237497. ISSN 0022-2801. JSTOR 1872561. S2CID 153956310.
  16. Sabrow, Martin (1994). Der Rathenaumord. Rekonstruktion einer Verschwörung gegen die Republik von Weimar. Munich: Oldenbourg. ISBN 978-3-486-64569-9.
  17. Sabrow, Martin (1996). Mord und Mythos. Das Komplott gegen Walther Rathenau 1922. In: Demandt, Alexander (red.). Das Attentat in der Geschichte. Cologne: Böhlau. ISBN 978-3-412-16795-0.
  18. Volkov, Shulamit (2012). Walther Rathenau: The Life of Weimar’s Fallen Statesman. New Haven: Yale University Press. ISBN 978-0-300-17847-0.
  19. Von Strandmann, Hartmut P. (red.); Von Strandmann, Hilary (vert.) (1985). Walther Rathenau: Industrialist, Banker, Intellectual, and Politician; Notes and Diaries 1907–1922. Oxford: Clarendon Press. ISBN 978-0-19-822506-5.
  20. Struve, Walter (1973). Elites Against Democracy: Leadership Ideals in Bourgeois Political Thought in Germany, 1890–1933. Princeton: Princeton University Press. JSTOR j.ctt13x11bp.
  21. Bronnen voor historisch onderzoek 1800–1946.