
Het West-Karpatenoffensief (Russisch: Западно-Карпатская наступательная операция) was een offensief van het Rode Leger, uitgevoerd van 12 januari tot 18 februari 1945. Sovjet-, Roemeense en Tsjechoslowaakse troepen drongen Duitse en Hongaarse legers terug. Zij veroverden onder meer Jasło, Prešov en Košice. De terreinwinst in Zuid-Polen en Slowakije verbeterde de uitgangsposities voor verdere operaties richting Moravië.
Militaire en Politieke Situatie
Begin 1945 bereidde de Sovjetleiding offensieven voor over een groot deel van het oostfront. In Polen lagen de voornaamste aanvalsrichtingen naar het Duitse kerngebied, terwijl verder zuidelijk nog om Boedapest werd gevochten. Tussen deze strijdtonelen vormden de Karpaten een gebied waarin Duitse en Hongaarse legers hun verdediging voortzetten. De bergketens en verbindingswegen waren van belang voor de samenhang tussen de Duitse legergroepen ten noorden en ten zuiden van Slowakije.
De politieke verhoudingen waren sinds de zomer van 1944 veranderd. Roemenië had het bondgenootschap met Duitsland verlaten en vocht inmiddels aan Sovjetzijde. De Slowaakse Nationale Opstand was in het najaar militair onderdrukt, waarna Duitse troepen hun bezetting van Slowakije hadden uitgebreid. Tsjechoslowaakse eenheden die in de Sovjet-Unie waren gevormd, namen deel aan de strijd voor het herstel van Tsjechoslowakije.
Het West-Karpatenoffensief begon op dezelfde dag als het grotere Wisła-Oderoffensief, op 12 januari 1945. Een dag later openden Sovjettroepen het Oost-Pruisische offensief. De aanvallen in de Karpaten ondersteunden vooral de zuidelijke flank van de Sovjetopmars door Polen. Tegelijkertijd moesten zij de Duitse en Hongaarse verdediging in het oosten en midden van Slowakije terugdringen.
Locatie
Het operatiegebied omvatte de noordelijke uitlopers van de Karpaten in Zuid-Polen en berggebieden in het huidige Slowakije. In Polen liep de opmars vanuit de omgeving van Jasło via Gorlice en Nowy Sącz naar het gebied rond Bielsko en Biała. Deze laatste plaatsen vormen tegenwoordig samen Bielsko-Biała. Zuidelijker lagen aanvalsrichtingen via Prešov en Košice naar de Spiš, de Tatra en het dal van de Váh.
Rivieren, beboste hellingen en bergpassen bepaalden waar grote eenheden konden oprukken. De Ondava vormde een verdedigingslijn in Oost-Slowakije, terwijl de Soła verder westelijk in Polen een obstakel was. In het zuiden verliepen gevechten langs de Slaná, in Hongarije Sajó genoemd, en richting de Hron. De plaatsen Liptovský Hrádok en Liptovský Mikuláš lagen aan de oost-westverbinding door het Váhdal, tussen de Hoge en Lage Tatra.
De winter beperkte het gebruik van voertuigen buiten de bestaande wegen. Sneeuw, gladheid en vernielde verbindingen vertraagden de verplaatsing van geschut en voorraden. Door de smalle dalen konden de aanvallers hun numerieke sterkte niet overal tegelijk inzetten. De verdedigers benutten hoogten en toegangswegen om naderende eenheden onder vuur te nemen.
Militaire Leiders
Generaal Ivan Petrov voerde het bevel over het 4e Oekraïense Front. Een Sovjetfront was een groepering van meerdere legers, vergelijkbaar met een legergroep. Onder Petrov stonden onder anderen Kirill Moskalenko bij het 38e Leger, Andrej Gretsjko bij het 1e Gardeleger en Anton Gastilovitsj bij het 18e Leger. Ludvík Svoboda leidde het 1e Tsjechoslowaakse Legerkorps, dat binnen deze Sovjetbevelstructuur opereerde.
Maarschalk Rodion Malinovski leidde het 2e Oekraïense Front, waarvan de rechtervleugel aan het offensief deelnam. Filipp Zjmatsjenko commandeerde het 40e Leger en Sergej Trofimenko het 27e Leger. Het Roemeense 4e Leger stond onder Nicolae Dăscălescu. Nicolae Macici voerde aanvankelijk het bevel over het Roemeense 1e Leger en werd op 12 februari 1945 vervangen door Vasile Atanasiu.
Aan Duitse zijde waren Gotthard Heinrici, Hans Kreysing en Friedrich Schulz verantwoordelijk voor respectievelijk het 1e Pantserleger, het 8e Leger en het 17e Leger. Het Hongaarse 1e Leger stond onder Dezső László. Op korpsniveau waren Matthias Kleinheisterkamp bij het XI SS-Armeekorps, Rudolf von Bünau bij het XI Legerkorps en Karl von Le Suire bij het 49e Bergkorps betrokken. Generaal Carl Becker commandeerde de Duitse 253e Infanteriedivisie.
Doelstelling en planning
De Sovjetleiding wilde de vijandelijke verdediging in de West-Karpaten doorbreken en de toegangen naar Moravië naderen. Daarbij moest het 4e Oekraïense Front de opmars van het noordelijker opererende 1e Oekraïense Front ondersteunen. Het veroveren van wegen, spoorwegen en rivierovergangen maakte deel uit van deze opdracht. Het industriegebied rond Moravská Ostrava vormde een verder gelegen doel, dat tijdens deze operatie nog niet werd bereikt.
De planning verdeelde de aanvallen over verschillende richtingen en startmomenten. Het 18e Leger begon op 12 januari, het 38e Leger op 15 januari en het 1e Gardeleger op 18 januari. De hoofdaanval van het 4e Oekraïense Front lag bij het 38e Leger in Zuid-Polen, waar het terrein meer ruimte bood voor artillerie en pantservoertuigen. Aanvallen zuidelijker moesten de verdediging in Slowakije onder druk zetten en terugtrekkende troepen achtervolgen.
Voor het 38e Leger waren het 101e en 67e Schutterskorps voor de eerste aanval bestemd. Het 52e Schutterskorps stond daarachter gereed om het succes uit te bouwen. Artillerie moest vooraf Duitse vuurposities en versterkingen uitschakelen, waarna infanterie en tanks de doorbraak zouden verbreden. De rechtervleugel van het 2e Oekraïense Front viel vanuit Noord-Hongarije en zuidelijk Slowakije in noordelijke en noordwestelijke richting aan.
Militaire eenheden
De landstrijdkrachten van het 4e Oekraïense Front bestonden voornamelijk uit het 38e Leger, het 1e Gardeleger en het 18e Leger. Het 1e Tsjechoslowaakse Legerkorps was aanvankelijk aan het 1e Gardeleger verbonden en kwam op 22 januari onder het 18e Leger. Het 8e Luchtleger verzorgde luchtsteun. De Tsjechoslowaakse inzet was verdeeld: infanteriebrigades vochten in Slowakije, terwijl artillerie en delen van de tankbrigade tijdelijk bij Jasło opereerden.
Voor het 4e Oekraïense Front worden bij de voorbereiding 215 tanks en gemechaniseerde kanonnen genoemd. Daarvan waren 134 bij het 38e Leger, 42 bij het 1e Gardeleger en 39 bij het 18e Leger ingedeeld. Deze verdeling weerspiegelde de mogelijkheden om pantservoertuigen op de verschillende aanvalsrichtingen te gebruiken. Vooral in het berggebied dienden zij als directe vuursteun voor de infanterie.
Bij het 2e Oekraïense Front namen onder meer het 40e, 27e en 53e Leger, een cavalerie-gemechaniseerde groep en Roemeense eenheden deel. Het Roemeense 4e Leger werkte samen met het Sovjet-40e Leger. De inzet van het Roemeense 1e Leger veranderde door de verplaatsing en samenvoeging van korpsen die eerder op verschillende frontgedeelten hadden gevochten. Tegenover de aanvallers stonden onderdelen van de Duitse 17e en 8e Legers, het Duitse 1e Pantserleger en het Hongaarse 1e Leger.
Het verloop van het West-Karpatenoffensief
De opening en de doorbraak bij Jasło
Op 12 januari begon het 18e Leger zijn aanval in de richting van Košice. De Duitse en Hongaarse verdediging bood weerstand vanuit voorbereide posities in het berggebied. Drie dagen later volgde de aanval van Moskalenko bij Jasło. Het 38e Leger richtte zich daar tegen de verdediging van het Duitse 17e Leger, waaronder het XI SS-Armeekorps.
Op 15 januari namen alle vijf Tsjechoslowaakse artillerieregimenten deel aan de vuurvoorbereiding. Hun geschut opende om 08.45 uur Moskouse tijd het vuur, samen met Sovjetartillerie en raketwerpers. Omstreeks 09.50 uur ging de infanterie voorwaarts, ondersteund door tanks. Het 101e en 67e Schutterskorps braken door de voorste verdediging, waarna de opmars op de eerste dag plaatselijk ongeveer achttien kilometer bereikte.
Op 16 januari werd Jasło ingenomen. De 70e Gardeschuttersdivisie en de 140e Schuttersdivisie van het 101e Schutterskorps namen aan deze gevechten deel. Daarna zette het 38e Leger de opmars voort naar Gorlice en Nowy Sącz. De doorbraak bedreigde de verbindingen van de verdedigers in de aangrenzende berggebieden en droeg bij aan hun terugtocht.
De gevechten aan de Ondava
Het 1e Gardeleger begon op 18 januari zijn aanval en achtervolging vanuit de stellingen bij de Ondava. Het 11e en 107e Schutterskorps en delen van het Tsjechoslowaakse korps namen aan deze beweging deel. Tegenover hen stonden onder meer eenheden van het Duitse XI Legerkorps. In de sector tussen Polany en Stropkov werd de verdediging van de 253e Infanteriedivisie doorbroken.
De Sovjetopmars bedroeg op sommige gedeelten in één dag ongeveer twintig tot tweeëntwintig kilometer. De verdedigers trokken terug om te voorkomen dat hun verbindingen werden afgesneden. Op 19 januari kwam Prešov in geallieerde handen. De inname van dit verkeersknooppunt opende verdere verbindingen naar het westen en noordwesten van Slowakije.
Košice en de opmars naar de Tatra
Zuidelijker zette Gastilovitsj de aanval van het 18e Leger voort. In dit gebied opereerden onder meer het Duitse 49e Bergkorps en Hongaarse formaties, waaronder het V Legerkorps. Op 19 januari werd ook Košice ingenomen. Vervolgens verplaatsten de gevechten zich naar de routes via Margecany en Spišská Nová Ves en naar de toegangen tot de Tatra.
Het Tsjechoslowaakse korps werd na zijn opmars vanaf de Ondava naar het gebied ten westen van Prešov verplaatst. Vanaf 22 januari vocht het onder bevel van het 18e Leger verder in de richting van het Braniskogebergte. Na het doorbreken van de verdediging volgde een opmars via Levoča en de zuidelijke hellingen van de Hoge Tatra. Op 31 januari werd Liptovský Hrádok bevrijd, waarna de aanvallers begin februari vastliepen voor Liptovský Mikuláš.
De rechtervleugel van het 2e Oekraïense Front
Het 40e Leger en het Roemeense 4e Leger rukten op door het Slowaakse Ertsgebergte. De gevechten verliepen onder meer via Plešivec en Rožňava en langs de Slaná. Rožňava werd op 23 januari ingenomen en Brezno op 31 januari. Deze aanvallen, ook aangeduid als de operatie Plešivec-Brezno, drongen de Hongaarse en Duitse verdediging terug naar het binnenland van Slowakije.
Het 27e Leger onder Trofimenko vocht aanvankelijk in de richting van Lučenec en Halič. Het werd later in januari uit deze sector teruggenomen voor inzet bij Boedapest. Het 53e Leger en Roemeense eenheden zetten de beweging in de richting van Zvolen voort. De inname van Zvolen en de verdere gevechten langs de Hron behoorden tot de daaropvolgende strijd in maart.
De vertraging in februari
Aan het einde van januari naderden Sovjeteenheden in Zuid-Polen de Duitse verdedigingsstellingen langs de Soła. Verder zuidelijk bleef weerstand bestaan in het gebied van Żywiec, Jabłonka en de toegangen tot het Liptovdal. Op 12 februari namen het 38e Leger en het 1e Gardeleger Bielsko en Biała in. Daarmee werd een volgende verdedigingspositie doorbroken, maar de Duitse frontlinie bleef westelijker bestaan.
In de gebruikelijke Sovjetindeling eindigde het West-Karpatenoffensief op 18 februari 1945. De aanvallers waren toen op nieuwe verdedigingsstellingen gestuit tussen het gebied van Strumień en de sector bij Liptovský Mikuláš. Plaatselijke gevechten gingen door; in de Slowaakse geschiedschrijving wordt ook 28 februari als einddatum gehanteerd. De strijd in Slowakije en de voorbereiding van het offensief richting Moravská Ostrava liepen daarna verder.
Resultaat
Tactische en strategische resultaten
De aanvallers doorbraken meerdere verdedigingslijnen en veroverden steden, rivierovergangen en verkeersknooppunten in Zuid-Polen en Oost-Slowakije. De Duitse en Hongaarse legers moesten terrein prijsgeven en hun front westwaarts verplaatsen. Het 4e Oekraïense Front verbeterde daardoor de dekking van de Sovjetlegers die verder noordelijk in Silezië oprukten. Ook ontstonden uitgangsposities voor verdere aanvallen richting Moravië.
Sovjetberichten meldden dat zeventien vijandelijke divisies en één brigade waren verslagen. Deze opgave betekent niet dat al die formaties volledig waren vernietigd of hadden opgehouden te bestaan. Duitse en Hongaarse eenheden zetten hun verdediging in nieuwe stellingen voort. Het terreinverlies verminderde bovendien de Duitse toegang tot delen van het Slowaakse Ertsgebergte en de daar aanwezige industrie en grondstoffen.
Politieke en maatschappelijke gevolgen
In de veroverde gebieden eindigde het gezag van de Duitse bezettingsmacht en haar plaatselijke bondgenoten. Voor Tsjechoslowakije maakte de opmars het herstel van staatsinstellingen op eigen grondgebied mogelijk. Košice werd later een vestigingsplaats van de nieuwe Tsjechoslowaakse regering. De aanwezigheid van Sovjettroepen bepaalde tegelijk de militaire machtsverhoudingen tijdens dit herstel.
Miltaire en burger slachtoffers
Militaire verliezen
De gepubliceerde Sovjetverliescijfers bedragen 78.988 militairen voor de operatie. Daarvan behoren 16.337 tot de categorie onherstelbare verliezen, waaronder gesneuvelden, andere overledenen, vermisten en krijgsgevangenen. De overige 62.651 vallen onder gewonden en zieken. Het eerste getal mag daarom niet zonder toelichting als uitsluitend gesneuvelden worden weergegeven, evenmin als het tweede uitsluitend gewonden omvat.
Voor de Roemeense 1e en 4e Legers worden gezamenlijk ongeveer 12.000 personeelsverliezen genoemd, waaronder circa 2.500 onherstelbare verliezen. Voor het 1e Tsjechoslowaakse Legerkorps worden ongeveer 970 uitgevallen militairen vermeld, onder wie circa 260 doden. Sovjetopgaven noemen daarnaast 137.000 gevangengenomen militairen van de tegenstander. Dit laatste aantal is niet onafhankelijk bevestigd en vormt geen betrouwbare basis voor een volledige berekening van de Duitse en Hongaarse verliezen.
De verliezen verminderden de beschikbare gevechtssterkte en maakten rust en aanvulling noodzakelijk. Het 38e Leger onderbrak zijn opmars bijvoorbeeld tijdelijk na de gevechten bij de Raba. De betrokken legers bleven vervolgens deelnemen aan nieuwe operaties, maar dat bewijst geen volledige vervanging van hun eerdere verliezen. De algemene verliesoverzichten geven geen voldoende gedetailleerd beeld van de beschikbare reserves of het opleidingsniveau van vervangers per divisie.
Burgerslachtoffers
Voor burgers bestaat in de gebruikte operationele verliesoverzichten geen afzonderlijk totaal voor uitsluitend deze offensiefperiode. De bevolking kreeg te maken met gevechten, verplaatsing en beschadiging van woningen en voorzieningen. Daarbij liep de schade van de winter van 1945 samen met gevolgen van eerdere bezetting en vernietiging. Zo waren de inwoners van Jasło al in 1944 verdreven en hadden Duitse troepen de stad grotendeels verwoest voordat het januari-offensief begon.
Materiele verliezen
De Sovjetverliesopgaven vermelden 359 tanks en gemechaniseerde kanonnen, 753 stukken geschut en mortieren en 94 vliegtuigen. Deze aantallen betreffen de operatie als geheel en kunnen niet rechtstreeks worden vergeleken met de 215 pantservoertuigen die aanvankelijk alleen bij het 4e Oekraïense Front werden genoemd. Het verschil in betrokken formaties en meetperiode is daarbij van belang. Bovendien geeft een verzameld verliescijfer zonder verdere uitsplitsing geen volledig beeld van tijdelijk uitgevallen en later herstelde voertuigen.
Voor de tegenstander meldden Sovjetbronnen 2.300 vernietigde of buitgemaakte stukken geschut, 320 tanks en 65 vliegtuigen. Ook deze gegevens blijven claims van de aanvallende partij. Vernietigd materieel en bruikbaar buitgemaakt materieel zijn verschillende categorieën, die in deze opgave worden samengenomen. Daaruit kan niet worden afgeleid hoeveel buit direct opnieuw kon worden ingezet.
Het voortzetten van de aanval vereiste naast vervangend materieel ook herstel van wegen en rivierovergangen. Achterblijvende artillerie beperkte plaatselijk de vuursteun, terwijl munitie en brandstof via een klein aantal bruikbare routes naar voren moesten worden gebracht. Reparatie en aanvoer maakten daarom deel uit van de voorbereiding op volgende aanvallen. Er is geen onderbouwde operatiebrede opgave waarmee kan worden vastgesteld hoeveel materieel direct herstelbaar was of hoeveel munitie en brandstof iedere eenheid beschikbaar had.
Conclusie
Het West-Karpatenoffensief dwong Duitse en Hongaarse troepen tot terugtrekking uit delen van Zuid-Polen en Slowakije. De terreinwinst ondersteunde de Sovjetopmars in Silezië en bracht de aanvallers dichter bij Moravië. De verder gelegen doelen waren op 18 februari echter nog niet bereikt, terwijl de personeels- en materieelverliezen verdere aanvulling noodzakelijk maakten. De operatie was daarmee een geallieerde overwinning binnen een nog voortgaande veldtocht, waarvan de resterende doelstellingen in latere offensieven moesten worden verwezenlijkt.
Bronnen en meer informatie
- Afbeelding: USSR Ministry of Defense, Public domain, via Wikimedia Commons
- Krivosheev, G. F. (red.) (1997). Soviet Casualties and Combat Losses in the Twentieth Century. Londen: Greenhill Books. ISBN 978-1-85367-280-4.
- Glantz, David M., en Jonathan M. House (1995). When Titans Clashed: How the Red Army Stopped Hitler. Lawrence: University Press of Kansas. ISBN 978-0-7006-0717-4.
- Bystrický, Jozef (2024). Západokarpatská operácia. Obrana, 32(6), p. 46. Bratislava: Ministerstvo obrany Slovenskej republiky. ISSN 1336-1910.
- Kopecký, Milan (2012). Československý sborový dělostřelecký pluk 5 (1944-1945). Praag: Ministerstvo obrany České republiky, Odbor komunikace a propagace. ISBN 978-80-7278-581-0.
- Šumichrast, Peter (2010). Nemecké vojnové hroby na území Slovenskej republiky. 2. časť. Vojenská história, 14(4), pp. 80–95. Bratislava: Vojenský historický ústav. ISSN 1335-3314.
- Bronnen voor historisch onderzoek 1800–1946









