Home Schepen Escort aircraft carrier USS Ommaney Bay CVE-79 inzet en ondergang

USS Ommaney Bay CVE-79 inzet en ondergang

USS Ommaney Bay CVE-79 varend bij Hawaï juli 1944 met neergelaten liften en camouflage Measure 33 Design 15A
USS Ommaney Bay onderweg bij Hawaï in juli 1944 met neergelaten vliegtuigliften en camouflage Measure 33, Design 15A.

USS Ommaney Bay (CVE-79) was een Casablanca-klasse escortcarrier van de U.S. Navy (1944–1945). Het schip leverde luchtsteun bij de Marianen, Palau en in de Filipijnen en voer begin 1945 richting Lingayen Gulf (Luzon). Op 4 januari 1945 werd zij door een kamikaze getroffen en afgezonken; 95 bemanningsleden kwamen om. Het wrak werd in 2023 geïdentificeerd.

Ontwerp en constructie

Ommaney Bay behoorde tot de Casablanca-klasse, gebouwd in serie met geprefabriceerde secties. De standaardisatie diende om verliezen snel te vervangen. De schepen waren bedoeld voor konvooibescherming en steun aan amfibische operaties met een compacte luchtgroep. Door de afmetingen kreeg de klasse een boegkatapult en twee liften.

Technische gegevens van USS Ommaney Bay:

KenmerkGegevens
Lengte over alles512 ft 3 in (156,13 m)
Breedte (beam)65 ft 2 in (19,86 m)
Diepgang20 ft 9 in (6,32 m)
Waterverplaatsing8.188 long tons standaard; 10.902 long tons volbeladen
Hangardek257 ft (78 m)
Vliegdek477 ft (145 m)
Voortstuwing2 Uniflow stoommachines, 2 schroefassen, 9.000 shp (6.700 kW)
Snelheid19 knopen (35 km/h)
Actieradius10.240 zeemijl bij 15 knopen
Vliegtuigafhandeling1 katapult op de boeg; 2 liften (voor en achter)

De kiellegging vond plaats op 6 oktober 1943 bij Kaiser Shipbuilding Company in Vancouver (Washington), als MC hull 1116. Het schip liep van stapel op 29 december 1943 en werd op 11 februari 1944 in dienst gesteld. Commodore Howard L. Young voerde het commando. De naam verwees naar Ommaney Bay aan de zuidzijde van Baranof Island (Alaska).

Bewapening

Ommaney Bay was ingericht voor luchtverdediging en bescherming van eigen vliegoperaties. De hoofdbewapening bestond uit één 5 inch (127 mm)/38-caliber dual-purpose kanon op het achterschip. Voor luchtafweer waren 16 Bofors 40 mm-kanons geplaatst in dubbelopstellingen, aangevuld met 12 Oerlikon 20 mm-kanons. Bij Casablanca-klasse escortcarriers werd het aantal 20 mm-kanons later vaak vergroot; in overzichten voor het einde van de oorlog wordt een uitbreiding tot 30 stuks genoemd.

Bepantsering

Voor de Casablanca-klasse is geen zware pantsergordel of gepantserd vliegdek kenmerkend. De schepen waren ontworpen voor snelle bouw en voor luchtoperaties, niet voor gevechten met zwaar geschut op korte afstand. Bescherming bestond vooral uit de staalconstructie en lokale splinterwering rond vitale ruimtes. Specifieke pantserdiktes voor USS Ommaney Bay worden in de beschikbare beschrijvingen niet uitgewerkt.

Vliegtuigen aan boord

Casablanca-klasse escortcarriers waren ontworpen voor 27 vliegtuigen, maar aantallen wisselden per operatie. Ommaney Bay voerde vooral FM-2 Wildcat-jagers en TBM Avenger-torpedobommenwerpers. Deze toestellen werden ingezet voor luchtdekking, verkenning en aanvallen op zee- en landdoelen. De samenstelling werd aangepast aan de opdracht en aan verliezen of versterkingen binnen de luchtgroep.

Tijdens de Marianen- en Palau-operaties en tijdens de Slag bij Samar bestond de groep uit 16 FM-2’s en 11 TBM-1C’s (totaal 27). Bij de operatie rond Mindoro werd tijdelijk een grotere groep ingezet: 24 FM-2’s en 9 TBM-1C’s (totaal 33). Tijdens de verplaatsing richting Lingayen Gulf waren 19 FM-2’s en 10 TBM-1C’s aan boord, aangevuld met een TBM-3-variant en een TBM-1CP waarnemingsvliegtuig (totaal 31). De aantallen wisselden dus per operatie.

Sensoren en dataverwerking

De gevechtskracht van een carrier in 1944–1945 werd mede bepaald door sensoren en de verwerking van informatie. In de U.S. Navy gebeurde dit via het Combat Information Center (CIC). Op vliegdekschepen werd dezelfde functie vaak Combat Direction Center (CDC) genoemd, omdat er ook fighter direction en Combat Air Patrol (CAP) werd geleid. In CIC/CDC kwamen radarwaarnemingen, radioberichten en meldingen van uitkijkposten samen, waarna een actueel lucht- en oppervlaktebeeld aan brug en luchtgroep werd doorgegeven.

Als Casablanca-klasse escortcarrier beschikte Ommaney Bay over radar voor lucht- en oppervlaktewaarneming, bedoeld voor vroegtijdige waarschuwing en navigatie. Voor luchtbewaking werd in 1944 doorgaans een luchtzoekradar gebruikt, in veel schema’s aangeduid als SC-2, waarmee afstand, koers en bearing van contacten werden gemeld. Voor doelopsporing op zee en begeleiding bij nacht of beperkt zicht werd vaak een SG-oppervlaktezoekradar toegepast. Voor identificatie werd gebruikgemaakt van IFF (Identification Friend or Foe) in combinatie met radiocalls en herkenningsprocedures. Een sonarinstallatie voor onderzeebootdetectie hoorde meestal niet bij de carrier; destroyer escorts leverden die sensordekking en rapporteerden hun contactbeeld via radio aan de taakgroep.

De dataverwerking in CIC/CDC was grotendeels handmatig. Radaroperators volgden contacten op PPI-schermen (Plan Position Indicator) en gaven updates door via telefoon- en intercomlijnen aan plottafels, waar sporen werden uitgezet op kaarten en statusborden, vaak voorzien van tracknummers. Deze plot werd vergeleken met meldingen van andere schepen, waardoor het luchtbeeld van de taakgroep werd bijgewerkt. Op basis van dat beeld konden fighter directors CAP-jagers vectoren, terwijl de brug en Air Operations de timing van starts en landingen vastlegden. Voor luchtafweer bood CIC/CDC ook een centraal kanaal om doelinformatie, waarschuwingen en terugmeldingen over schade te verspreiden.

De praktijk combineerde techniek met visuele en procedurele lagen. Op Ommaney Bay waren meerdere uitkijkposten verdeeld over dek en opbouw; volgens het verslag werd een extra waarnemer op het signal platform met Polaroid-bril ingezet. Bij luchtalarm werd informatie uit radar, waarneming en radiocircuits vertaald naar acties: CAP herpositioneren, luchtafweer openen en schadebestrijding coördineren. In de Suluzee op 4 januari 1945 werd onderschepping bemoeilijkt door misleidende radarsignalen; de nadering van het toestel werd daarnaast beïnvloed door zoninval. Dit maakt duidelijk dat de waarde van CIC/CDC in de praktijk afhankelijk bleef van sensorkwaliteit, training en communicatie binnen de taakgroep.

Modificaties

Bij Casablanca-klasse escortcarriers verschoof tijdens de oorlog de nadruk naar zwaardere korteafstandsluchtafweer. Het aantal 20 mm-kanons werd bij verschillende schepen uitgebreid, mede als reactie op kamikaze-aanvallen. Daarnaast werden procedures voor luchtdoelalarm, brandbestrijding en munitiebehandeling aangescherpt. Deze wijzigingen waren bedoeld om de reactietijd te verkorten en schade te beperken.

Voor Ommaney Bay beschrijven bronnen vooral de standaardconfiguratie en de inzet in 1944–1945. Een lange werfperiode wordt niet genoemd, omdat de diensttijd beperkt bleef tot elf maanden. Kleine aanpassingen vonden plaats tijdens korte onderhoudsperiodes tussen operaties. Daarmee bleef de basisinrichting vergelijkbaar met andere schepen uit dezelfde serie.

Status schip tijdens de oorlog

Ommaney Bay was een nieuw schip dat in 1944 snel inzetbaar moest zijn voor amfibische campagnes. De inzetbaarheid hing af van training, aanvulling van brandstof en munitie en onderhoud na intensief vliegbedrijf. Tussen operaties lagen ankerplaatsen voor bevoorrading, zoals Manus en Kossol Passage. Het doel was het vliegdek en de luchtgroep zo snel mogelijk weer operationeel te krijgen.

Het ontwerp was gericht op luchtsteun met een compacte luchtgroep, niet op zware bescherming. Radarwaarneming en een CIC/CDC maakten centrale meldingen en jachtleiding mogelijk, volgens de vanaf 1943 gangbare U.S. Navy-norm. Voor onderzeebootbestrijding en extra luchtafweer was het schip afhankelijk van destroyer escorts in de taakgroep. Dit samenspel bepaalde de tactische bescherming en de beschikbare reactietijd.

Operationele geschiedenis

Inbedrijfstelling

Na de indienststelling op 11 februari 1944 volgden afbouw en beproevingen aan de Amerikaanse westkust. Vanuit Astoria (Oregon) en Puget Sound doorliep Ommaney Bay shakedown en oefende zij vliegdekprocedures met haar luchtgroep. Op 19 maart vertrok het schip uit Oakland (Californië) naar Brisbane (Australië) met passagiers, voorraden en vliegtuigen. Op 27 april keerde zij terug naar San Diego. Daar volgden tien dagen carrier qualification landingen, drills en tests.

Na kleinere wijzigingen vertrok de carrier op 10 juni naar Pearl Harbor. Tot 12 augustus trainde zij daar luchtgroepen en squadrons en werden start- en landingsprocedures herhaald. Daarna voer Ommaney Bay naar Tulagi voor een repetitie van de aanval op de Palau-eilanden. De oefening richtte zich op luchtdekking, verkenning en steun voor amfibische troepen. Begin september verplaatste het schip zich naar het operatiegebied.

Palau

Van 11 september tot begin oktober 1944 opereerde Ommaney Bay voor Peleliu en Angaur. De luchtgroep leverde luchtdekking voor de vloot en voerde close support strikes uit voor de eenheden aan land. Op 18 september landde een TBM-1C van het schip, met lage brandstof, als eerste toestel op het vliegveld van Peleliu. Daarna voer de carrier naar Manus om brandstof en munitie aan te vullen. Vervolgens werd zij toegevoegd aan de taakgroepen voor de landing op Leyte.

Leyte

Ommaney Bay sloot zich aan bij Felix Stump’s “Taffy 2” (TU 77.4.2) en arriveerde op 22 oktober 1944 bij Leyte. In de nacht van 24 op 25 oktober gaf Admiral Thomas C. Kinkaid om 01:55 opdracht tot drie verkenningen bij zonsopkomst. Om 05:09 kreeg Ommaney Bay de sector 340° tot 30°. Door vertragingen volgde de lancering pas na ongeveer twee uur: vijf FM-2’s en zeven TBM’s. Na meldingen van vijandcontact vloog de groep naar Taffy 3; in overzichten wordt haar luchtgroep genoemd bij aanvallen die de zware kruiser Chokai uitschakelden.

Rond 08:20 vielen vijf Wildcats en zes Avengers Mogami aan en veroorzaakten schade. Ongeveer veertig minuten later voegden Avengers zich bij zeventien andere torpedobommenwerpers die Mogami uitschakelden; het schip zonk drie uur later na een afmakactie door Akebono. Ommaney Bay vloog die dag ongeveer zes strikes. Als onderdeel van Taffy 2 nam zij bovendien vliegtuigen over van andere task groups die beschadigd waren of weinig brandstof hadden. Om het vliegdek bruikbaar te houden werden enkele toestellen overboord gezet en op 30 oktober trok de taakgroep zich terug richting Manus.

Mindoro

In november verbleef Ommaney Bay bij Manus en in Kossol Passage voor beschikbaarheid en bevoorrading. Op 10 november 1944 lag zij in Seeadler Harbor, ongeveer 1,5 mijl (2,4 km) van het munitieschip Mount Hood, toen Mount Hood explodeerde. De carrier werd geraakt door metaalfragmenten en door een watergolf. Na herstel en aanvulling vertrok zij opnieuw naar zee. Van 12 tot 17 december opereerde zij in de Mindanao- en Suluzee ter ondersteuning van de landingen op Mindoro.

Op 15 december stegen veertig Japanse vliegtuigen op vanaf Clark Field en Davao, verdeeld tussen kamikazes en escorttoestellen. De eerste waarnemingen kwamen om 07:00 binnen; de taakgroep kreeg meerdere aanvallen. Om 09:40 dook een groep op de carriers: één toestel miste met een bom en brak af, twee werden neergehaald. Een Yokosuka P1Y viel Ommaney Bay aan vanaf de bakboordboeg. Het toestel werd op 400 yard in brand geschoten, passeerde 30 yard boven het vliegdek en stortte in zee; op 19 december keerde het schip terug naar Kossol Passage.

Op 27 december vertrok Ommaney Bay naar de Filipijnen voor steun aan het 6th Army bij Lingayen Gulf. Na een stop in San Pedro Bay voer zij op 3 januari 1945 de Suluzee in. Op 4 januari werd om 17:00 op radar een groep van vijftien toestellen gezien, 45 zeemijl west van de taakgroep. Misleidende radarsignalen en een gemiste melding beperkten onderschepping; P-47’s schoten één toestel neer, een ander ontsnapte. Om 17:12 raakte een Yokosuka P1Y de carrier; bommen en brandstof zetten het schip in brand en communicatie en waterdruk vielen uit.

Door rook, explosies en hitte was assistentie beperkt; Bell raakte de carrier tijdens bluswerk. Om 17:45 begon evacuatie van gewonden; abandon ship volgde en kapitein ter zee Howard L. Young vertrok als laatste om 18:12. Om 18:18 ontploften opgeslagen torpedokoppen; brokstukken troffen een sloep van USS Eichenberger, waarbij twee opvarenden omkwamen. Om 19:58 werd het wrak op bevel van Admiraal Jesse B. Oldendorf door USS Burns getorpedeerd en afgezonken.  

Bij de kamikazeaanval op 4 januari 1945 kwamen 93 bemanningsleden van USS Ommaney Bay om het leven. Twee opvarenden van USS Eichenberger werden later gedood door rondvliegend puin. Op 6 en 9 januari 1945 kwamen zeven geredde overlevenden van Ommaney Bay om het leven toen USS Columbia door kamikazeaanvallen werd getroffen. USS Shamrock Bay werd daarna aangewezen als vervangende escortcarrier voor de operaties bij Lingayen Gulf.

Na de oorlog

Omdat Ommaney Bay in januari 1945 verloren ging, had het schip geen naoorlogse dienst. De wraklocatie bleef onzeker door de diepte en omstandigheden in de Suluzee. Op 10 juli 2023 meldde de Naval History and Heritage Command dat het wrak is gelokaliseerd en geïdentificeerd. De identificatie steunde op onderwateronderzoek en videobeelden van de Australische duikbedrijven Sea Scan Survey en DPT Scuba.

Conclusie

USS Ommaney Bay werd in 1944 ingezet als escortcarrier voor luchtdekking en directe steun bij amfibische operaties in de Stille Oceaan. Het schip nam deel aan campagnes rond Palau en de Filipijnen en behaalde twee battle stars. De ondergang op 4 januari 1945 na een kamikaze-aanval illustreert de kwetsbaarheid van escortcarriers met brandstof en munitie dicht bij het vliegbedrijf. In sensor- en dataverwerkingsopzicht sloot het ontwerp aan bij de vanaf 1943 gangbare norm, met radarwaarneming en een CIC/CDC voor centrale gevechtsleiding. Daarmee geldt Ommaney Bay volgens die norm niet als verouderd, ook al bleef de fysieke bescherming beperkt.

Bronnen en meer informatie

  1. Afbeelding: U.S. Navy Employee, Public domain, via Wikimedia Commons
  2. Chesneau, Robert; Gardiner, Robert (1980). Conway’s All the World’s Fighting Ships 1922–1946. London: Naval Institute Press. ISBN 978-0-87021-913-9.

  3. Rielly, Robin L. (2010). Kamikaze Attacks of World War II: A Complete History of Japanese Suicide Strikes on American Ships, by Aircraft and Other Means. Jefferson, North Carolina: McFarland & Company. ISBN 978-0-7864-5772-4.

  4. Smith, Peter (2014). Kamikaze: To Die for the Emperor. Barnsley: Pen and Sword Books. ISBN 978-1-4738-4782-8.

  5. Y’Blood, William T. (2014). The Little Giants: U.S. Escort Carriers Against Japan. Annapolis, Maryland: Naval Institute Press. ISBN 978-1-61251-247-1.

  6. Bronnen voor historisch onderzoek 1800–1946