Home Voertuigen Gemechaniseerde artillerie ISU-152: Sovjet 152mm zelfrijdend kanon, 1943–1970

ISU-152: Sovjet 152mm zelfrijdend kanon, 1943–1970

ISU-152 Sovjet zelfrijdend kanon uit de Tweede Wereldoorlog, tentoongesteld in Berlijn-Karlshorst museum
De ISU-152, een Sovjet 152 mm zelfrijdend kanon uit WO2, tentoongesteld in Berlijn-Karlshorst.

De ISU-152 was een Sovjet zelfrijdend kanon op basis van de zware IS-tank, ontwikkeld in 1943 en ingezet in de Tweede Wereldoorlog. Het voertuig droeg een 152,4 mm kanon-houwitser in een gesloten opbouw en werd gebruikt voor vuursteun, doorbraakacties en soms antitanktaken. Door de beperkte richtsector werd het doel vaak benaderd door het hele voertuig met de rupsbanden te verplaatsen. De ISU-152 bleef na 1945 in dienst en werd in meerdere landen gebruikt.

Wat is de ISU-152?

De ISU-152 is een zwaar gepantserd artillerievoertuig met een vast ingebouwd 152,4 mm-geschut in een casematte-opbouw. Het systeem was bedoeld om versterkte posities, gebouwen en voertuigen te bestrijden met direct of indirect vuur, terwijl de bemanning in een volledig gesloten romp bleef. De officiële Russische benaming verwijst naar een zelfrijdende installatie op een IS-tankbasis met een 152 mm-kanon. In westerse indelingen wordt het type doorgaans beschreven als self-propelled gun of assault gun.

De ISU-152 kreeg ook de informele bijnaam Zveroboy, meestal vertaald als “beestendoder”. Die term werd gekoppeld aan gevechten met zwaar gepantserde Duitse voertuigen, waaronder Tiger- en Panther-tanks en enkele zware tankjagers. De bijnaam had geen officiële status en veranderde de taakstelling niet. Het voertuig bleef in de eerste plaats zware zelfrijdende artillerie met meerdere mogelijke doelen.

Hoe begon de ontwikkeling in 1943?

De ontwikkeling van de ISU-152 kwam voort uit de SU-152, een 152 mm-geschut op het KV-1S-tankchassis dat in januari 1943 als prototype werd getoond. Dit voertuig, Object 236, werd gebouwd bij Fabriek nr. 100 in Tsjeljabinsk en getest van 24 januari tot 7 februari 1943. Op 14 februari werd het type aangenomen voor productie onder de naam KV-14, waarna in april 1943 de aanduiding SU-152 werd ingevoerd. Daarmee was het concept van een gesloten, zwaar geschut op een tankchassis vastgelegd.

De overstap naar het IS-chassis volgde omdat de productie van de KV-1S afliep en de zware tankbouw naar de IS-serie verschoof. Op 25 mei 1943 werd opdracht gegeven om de SU-152 te moderniseren, met meer pantser en praktische verbeteringen. Het werk startte in juli 1943 onder leiding van Josef Kotin, met G. N. Moskvin als hoofdontwerper. Na tests van september tot november 1943 werd de verbeterde variant op 6 november 1943 aangenomen als ISU-152. In december 1943 begon de serieproductie bij de Tsjeljabinsk Kirov-fabriek.

Hoe zag het ontwerp en de indeling eruit?

Het ontwerp van de ISU-152 bestaat uit een gepantserde romp met voorin de gevechtsruimte en achterin motor en transmissie. Het hoofdgeschut stond in een vaste opbouw, iets rechts van het midden, met een beperkte horizontale richtsector van ongeveer 12 graden naar beide zijden. Daarom werd in de praktijk vaak met kleine stuurcorrecties bijgericht, waarbij het voertuig zelf het richtwerk deels overnam. Dit paste bij inzet vanuit voorbereide posities en korte verplaatsingen tijdens ondersteuning. Het concept bood bescherming, maar stelde eisen aan samenwerking tussen bestuurder en richtschutter.

De bemanning bestond uit vier of vijf militairen. Links zaten bestuurder, richtschutter en lader; rechts zaten commandant en sluitstukbediener, die bij vier man ook laadtaken uitvoerde. Luiken hadden periscopen en richten kon via ST-10 (telescopisch) of een panoramisch vizier. Brandstof was opgeslagen in drie interne tanks (twee bij de bemanning, één bij de motor) en vaak vier losse externe tanks; stroom kwam van een generator van 1 kW met vier accu’s (12/24 volt). Communicatie verliep via TPU-4-BisF en 10R/10RK; voor nabijverdediging waren twee PPSh (1.491 patronen) en 20 F-1 handgranaten aanwezig.

Welke bewapening en munitie waren beschikbaar?

De standaardbewapening was het 152,4 mm ML-20S kanon-houwitser, geladen met gescheiden munitie: projectiel en kruitlading afzonderlijk. Deze laadwijze beperkte de vuursnelheid tot ongeveer twee à drie schoten per minuut en maakte doelkeuze en vuurdiscipline belangrijk. De interne voorraad lag doorgaans op 20 of 21 schoten, waardoor inzetduur afhankelijk was van munitieaanvoer. In beschrijvingen wordt voor vroege uitvoeringen een maximaal bereik van circa 6,2 km genoemd; latere uitvoeringen werden in documentatie tot ongeveer 13 km weergegeven. De ISU-152 kon zowel brisantgranaten voor vuursteun als pantser- en betondoorborende projectielen gebruiken.

Veelgenoemde brisantmunitie woog 43,56 kg, terwijl pantsermunitie rond 48,78 kg woog en in gegevens bij circa 600 m/s tot 125 mm pantserstaal op 500 meter bij loodrechte inslag kon doorboren. Voor versterkingen werden ook betondoorborende projectielen gebruikt, waaronder een type met 56 kg granaatgewicht. Er bestond bovendien een holle-ladingprojectiel met een opgegeven pantserwerking tot 250 mm, maar dit wordt niet als oorlogsinzet genoemd. Latere uitvoeringen kregen een 12,7 mm DShK-mitrailleur en konden externe brandstoftanks van ongeveer 90 liter per stuk meenemen, soms aangevuld met extra tanks op het achterdek.

Welke productieaantallen en modernisaties zijn bekend?

De serieproductie van de ISU-152 begon in december 1943 en liep in oorlogstijd door tot mei 1945, met 1.885 gebouwde voertuigen in die periode. Na de oorlog ging de productie nog door, waarna de massaproductie in 1947 stopte met een totaal van 3.242 exemplaren. Deze aantallen plaatsen het type als een veelgebruikt zwaar vuursteunmiddel naast verwante voertuigen op IS-basis. Door de combinatie van kaliber, bepantsering en mobiliteit bleef de ISU-152 ook na 1945 bruikbaar, vooral in ondersteunende rollen.

Modernisering na 1945 richtte zich op waarneming, betrouwbaarheid en logistiek, zonder het basisconcept te wijzigen. In beschrijvingen worden onder meer nachtzichtrichtmiddelen genoemd en een motorwissel van de V-2IS naar de V-54K. Ook nam de munitievoorraad toe tot 30 schoten, mede door het verwijderen van een interne brandstoftank uit de gevechtsruimte. Daarnaast werden pantserdelen en voertuigtechniek aangepast en werd de 12,7 mm-mitrailleur in latere uitvoeringen vervangen of verbeterd. De brandstofcapaciteit kon toenemen door herinrichting en extra tanks.

Welke varianten en prototypes bestonden er?

Serie-uitvoeringen van de ISU-152 verschilden vooral in chassisbasis, luikindeling en bepantsering rond het kanonschild. De basisvariant uit 1943 droeg de fabrieksaanduiding Object 241 en gebruikte het ML-20S model 1937, met een looplengte die in gegevens op ruim 4,2 meter wordt gezet. In de oorlog kwamen voertuigen voor op rompen van de IS-1 en later de IS-2, inclusief de IS-2 model 1944, waarbij een dikker kanonschild en grotere brandstofvoorziening werden genoemd. Vroege voertuigen hadden drie dakluiken; later verscheen een extra rond luik rechts voor toegang en bediening.

Er werden ook prototypes gebouwd om de antitankcapaciteit te vergroten. De ISU-152BM (Object 246) kreeg in 1944 de BL-8; in testgegevens wordt doorslag tot 203 mm op 2.000 meter bij loodrechte inslag genoemd, maar de uitvoering bleek niet betrouwbaar genoeg. De BL-10 leidde tot de ISU-152-2 (Object 247), eveneens zonder invoering. Object 704 uit 1945 was lager (circa 2,24 meter) en had rond het kanon zeer zware bescherming, met een genoemd maximum van 320 mm. Naoorlogse modernisering leverde de ISU-152K (1956) en ISU-152M (1959) op, met een T-54-achtige motor, nachtzicht en 920 liter interne brandstof.

Hoe werd de ISU-152 tactisch ingezet?

De ISU-152 vervulde in Sovjet inzetbeschrijvingen drie taken: zwaar aanvalskanon, zware tankjager en zelfrijdende artillerie. De gesloten bepantsering maakte inzet dichter bij de voorste lijn mogelijk dan bij getrokken artillerie, terwijl het zware kaliber effect gaf tegen versterkingen en voertuigen. De beperkte richtsector en de lage vuursnelheid vroegen om gedisciplineerd vuren en een duidelijke rolverdeling. Daarom werd inzet vaak gepland rond vuurstelingen, korte verplaatsingen en nauwe samenwerking met infanterie en tanks. In stedelijke gevechten werd het type ingezet in Berlijn, Boedapest en Königsberg, meestal in de tweede lijn achter tanks op ongeveer 100 tot 200 meter.

In antitankrollen werkte de ISU-152 vooral met schokwerking en het uitschakelen van mobiliteit, niet met snelle opvolgingsschoten. Er worden gevallen beschreven waarin een zware brisantinslag loopwerk en ophanging beschadigde of intern schade veroorzaakte door fragmentatie. Pantsermunitie werd na de Slag bij Koersk ontwikkeld, maar wordt beschreven als schaars en slechts beperkt beter dan brisantmunitie. Het frontpantser van de ISU-152 wordt genoemd als 90 mm onder hoek, tegenover 65 mm bij de SU-152, wat bescherming tegen 75 mm antitankvuur op afstand verhoogde. Camouflage, verplaatsing en salvo’s met meerdere voertuigen bleven daarom gebruikelijke methoden.

Tussen mei 1943 en 1945 werden 53 onafhankelijke zware zelfrijdende artillerieregimenten gevormd. Een regiment telde 21 voertuigen (vier batterijen van vijf plus het commandovoertuig) en vanaf december 1944 kwamen Garde-brigades met 65 ISU-152 of ISU-122’s. De interne voorraad van 20 of 21 schoten was beperkt en herbevoorrading duurde volgens beschrijvingen meer dan 40 minuten door granaten boven 40 kg. Als gebruikelijke lading worden 13 brisant en 7 pantser- of betondoorborende schoten genoemd. Voor direct vuur diende ST-10 tot circa 900 meter en het panoramische vizier tot circa 3.500 meter.

In welke landen bleef de ISU-152 in dienst?

Na 1945 bleef de ISU-152 bij de Sovjet-strijdkrachten in gebruik en werd het type ook geleverd of overgedragen aan andere staten. Moderniseringen hielden het voertuig inzetbaar als zwaar vuursteunmiddel, al verschoof de nadruk in veel legers naar nieuwere artilleriesystemen. In overzichten komt dienst voor in Europa, Azië en het Midden-Oosten, met grote verschillen in aantallen per gebruiker. Bij sommige gebruikers verdween het type in de jaren zestig uit actieve dienst, terwijl elders voertuigen langer in reserve of opleiding bleven.

Bij de Sovjet-strijdkrachten wordt inzet genoemd op het Oostfront en later in de Sovjet–Japanse oorlog, inclusief de invasie van Mantsjoerije. Ook de Hongaarse Opstand verschijnt in overzichten als latere inzetcontext. Buiten gevechtstaken werd de ISU-152 gebruikt als technisch hulpmiddel, onder meer bij sloop- en opruimwerkzaamheden rond Tsjernobyl. In zulke rollen diende het hoofdgeschut als werktuig voor gecontroleerde afbraak, met pantser als bescherming tegen puin.

Europese gebruikers zijn onder meer Finland, Polen, Tsjechoslowakije, Roemenië en Joegoslavië. Finland zette in juni 1944 een buitgemaakte ISU-152 in, maar liet die bij Kärstilänjärvi achter na treffers van T-34-85’s. Polen kreeg in 1944 meer dan 30 voertuigen en vormde een regiment met 10 ISU-152 en 22 ISU-122, ingezet in 1945 en in dienst tot begin jaren zestig. Tsjechoslowakije gebruikte een klein aantal tot eind jaren vijftig, Roemenië ontving 20 T-152’s en Joegoslavië beschikte over één exemplaar voor opleiding.

Ook buiten Europa verscheen de ISU-152 bij meerdere strijdkrachten. China kocht in 1955 na de Sovjet-terugtrekking uit Dalian 67 voertuigen, waarvan 45 naar een gemechaniseerde divisie gingen. Noord-Korea gebruikte ISU-152’s tijdens en na de Koreaanse Oorlog; latere berichten noemen voortgezet gebruik zonder vaste aantallen. Egypte ontving begin jaren zestig ten minste één regiment en zette het type in tijdens conflicten tussen 1967 en 1973. Voor Irak worden meldingen genoemd van inzet in de Iran–Irakoorlog en de Eerste Golfoorlog, terwijl Algerije in de jaren zestig ISU-122 en ISU-152 ontving.

Waar staan bewaarde voertuigen en monumenten?

Van de ISU-152 zijn meerdere exemplaren bewaard gebleven in musea en als monument, vaak op plaatsen waar ook andere Sovjet pantser- en artillerievoertuigen worden getoond. Deze voertuigen maken vergelijking mogelijk tussen oorlogstijdse uitvoeringen en naoorlogse moderniseringen, bijvoorbeeld aan luiken, kanonschild en externe tanks. Sommige exemplaren staan binnen in musea en zijn gerestaureerd, terwijl andere als gedenkteken buiten staan en daardoor sporen van weersinvloed tonen. De verspreiding hangt samen met oorlogsbuit, naoorlogse leveringen en herdenkingscultuur. In een aantal gevallen veranderde de museumstatus door verplaatsing.

Voorbeelden van collecties zijn te vinden in Sint-Petersburg, Moskou en Kubinka, waar grote verzamelingen Sovjet materieel aanwezig zijn. In Polen zijn voertuigen bekend in musea in Warschau en Poznań en in Tsjechië in Lešany, terwijl ook Berlijn-Karlshorst en Parola in Finland exemplaren tonen. In Israël is een voertuig bekend in Latrun en buiten Europa bestaan voorbeelden in Beijing en in een museum in Cairns (Australië). Daarnaast staan voertuigen als monument in overwinningsparken en herdenkingslocaties, onder meer in Moskou en Saratov. Deze locaties bieden context voor inzetgeschiedenis en techniek.

Conclusie

De ISU-152 was een zwaar Sovjet zelfrijdend kanon dat vanaf december 1943 in productie kwam op het IS-chassis en dat een 152,4 mm kanon-houwitser in een casematte-opbouw droeg. Het voertuig bood frontale bescherming en een groot kaliber voor vuursteun, maar had een beperkte richtsector en een lage vuursnelheid door gescheiden munitie. Daardoor lag de nadruk op doelkeuze, geconcentreerd vuur en samenwerking met andere troepen. Met 3.242 gebouwde voertuigen, meerdere prototypes en naoorlogse moderniseringen bleef het type aanwezig in verschillende legers tot in de Koude Oorlog.

Bronnen en meer informatie

  1. Afbeelding: Franco Atirador, CC BY-SA 3.0, via Wikimedia Commons
  2. Forczyk, Robert (2014). Kursk 1943: The Northern Front. Oxford: Osprey. ISBN 978-1-78200-819-4; Zaloga, Steven J. (1994). IS-2 Heavy Tank, 1944–1973. London: Osprey. ISBN 978-1-85532-396-4; Stroea, Adrian & Băjenaru, Gheorghe (2010). Artileria româna în date si imagini. Editura Centrului Tehnic-Editorial al Armatei. ISBN 978-606-524-080-3.
  3. Bronnen voor historisch onderzoek 1800–1946