
HMS Cumberland was een zware kruiser van de County-klasse, gebouwd voor de Royal Navy volgens de bepalingen van het Verdrag van Washington van 1922. Deze klasse werd ontworpen met een nadruk op langeafstandspatrouilles, bewapening en snelheid, bedoeld om het Britse maritieme gezag wereldwijd te behouden.
De kiel van Cumberland werd gelegd op 18 oktober 1924 bij de scheepswerf van Vickers-Armstrongs in Barrow-in-Furness. Het schip werd te water gelaten op 16 maart 1926 en in dienst genomen op 23 februari 1928. De kruiser had een standaard waterverplaatsing van 9.750 ton en een volle belasting van 13.450 ton. Met een lengte van 190 meter en een breedte van 20,8 meter behoorde zij tot de grotere kruisers van haar tijd.
Het schip werd aangedreven door acht Admiralty-driedrumketels in combinatie met vier Brown-Curtis tandwielreductieturbines, die samen 80.000 pk produceerden. Dit maakte een topsnelheid van ruim 31,5 knopen mogelijk, wat belangrijk was voor haar rol als escorte- en patrouilleschip.
Bewapening en pantser
De oorspronkelijke bewapening van Cumberland bestond uit acht 8-inch (203 mm) kanonnen in vier dubbeltorens. Ter verdediging tegen luchtaanvallen beschikte zij over vier 4-inch (102 mm) luchtdoelkanonnen en diverse kleinere automatische wapens, waaronder twee 2-ponder “pom-pom” viervoudige opstellingen. Verder waren er twee viervoudige torpedolanceerinrichtingen voor 21-inch torpedo’s.
Het pantser van het schip was beperkt, met een gordelpantser van maximaal 114 mm en een dekpantser van 35 mm. De geringe bepantsering was het resultaat van verdragsbeperkingen en maakte deze schepen kwetsbaar in zware gevechten, maar hun snelheid en bereik compenseerden dit deels.
Vroege loopbaan en interbellum
Na indienststelling werd Cumberland ingedeeld bij de 5e kruisersquadron van het China Station, waar zij van 1928 tot 1938 diende. Tijdens deze periode patrouilleerde het schip in de Aziatisch-Pacifische regio, voornamelijk ter bescherming van Britse belangen in het Verre Oosten. In maart 1935 keerde zij terug naar Groot-Brittannië voor een uitgebreide onderhoudsbeurt.
In 1938 werd Cumberland toegewezen aan het Zuid-Amerikaanse station als onderdeel van de 2e kruisersquadron. Deze herplaatsing weerspiegelde het Britse marinestrategisch belang in de Atlantische regio aan de vooravond van het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog.
Operaties in de Zuid-Atlantische Oceaan
Slag om de rivier de La Plata
Aan het begin van de oorlog in september 1939 maakte Cumberland deel uit van Force G, de Zuid-Amerikaanse divisie van de Royal Navy. In december was zij echter tijdelijk buiten dienst voor onderhoud op de Falklandeilanden. Hierdoor ontbrak zij tijdens de bekende Slag om de rivier de La Plata op 13 december 1939, waarin de kruisers Exeter, Ajax en Achilles de Duitse pantserschip Admiral Graf Spee onderschepten.
Toen Cumberland een onduidelijk signaal ontving over een waarneming van de Duitse raider, vertrok zij onmiddellijk naar het noorden en legde in 34 uur een afstand van 1.014 zeemijl af met een gemiddelde snelheid van bijna 30 knopen. Zij arriveerde op 14 december om 22:00 uur bij de riviermonding, waar Graf Spee inmiddels was gevlucht naar de neutrale haven van Montevideo. Cumberland, samen met Ajax en Achilles, patrouilleerde vervolgens de monding van de rivier en vormde een blokkade die leidde tot het scuttlen (zelf tot zinken brengen) van Graf Spee door haar eigen bemanning op 17 december 1939.
Operaties rond Afrika
Na de gebeurtenissen bij de La Plata werd Cumberland naar Simonstad in Zuid-Afrika gestuurd, waar zij begin 1940 een korte onderhoudsperiode onderging. In de maanden daarna escorteerde het schip konvooien langs de Afrikaanse westkust richting het Midden-Oosten, een taak die essentieel was voor de bevoorrading van de Britse troepen in Noord-Afrika.
In juli 1940 nam Cumberland samen met haar zusterschip HMS Cornwall deel aan een zoektocht naar de Duitse hulpkruiser Thor (door de Royal Navy aangeduid als Raider E). Tijdens deze patrouille onderschepte zij het Vichy-Franse vrachtschip Poitiers, dat munitie vervoerde naar de Ivoorkust. De bemanning bracht het schip tot zinken om te voorkomen dat het in Britse handen viel.
Later die maand nam Cumberland deel aan een aanval op de haven van Dakar, waarbij zij schade opliep door vuur van Franse kustbatterijen. In december volgde een nieuwe jacht op Thor, die echter zonder resultaat bleef.
Dienst in Arctische wateren
In oktober 1941 werd Cumberland toegewezen aan het 1e kruisersquadron van de Home Fleet. Haar taak bestond uit het escorteren van de Arctische konvooien tussen Groot-Brittannië en de Sovjet-Unie. Deze konvooien, uitgevoerd onder uiterst gevaarlijke omstandigheden van extreme kou en constante dreiging door Duitse U-boten en vliegtuigen, waren van groot belang voor de bevoorrading van het oostfront.
Cumberland diende in deze rol tot januari 1944 en verdiende het battle honour “Arctic 1942–1943”. Gedurende deze periode droeg zij bij aan de bescherming van meerdere konvooien en nam zij deel aan operaties boven de poolcirkel, waarmee zij haar waarde bewees als escorteschip onder zware omstandigheden.
Operaties in het Verre Oosten
Na haar inzet in de Arctische wateren werd HMS Cumberland in 1944 overgeplaatst naar de Oostelijke Vloot (Eastern Fleet), waar zij deel uitmaakte van het 4e kruisersquadron. In deze fase van de oorlog voerde zij operaties uit in Zuidoost-Azië, waaronder kustbombardementen en het ondersteunen van geallieerde landingen.
Aanvallen op Noord-Sumatra en Sabang
In september 1944 nam Cumberland deel aan geallieerde marineoperaties tegen Japanse posities op Noord-Sumatra. Tijdens de actie tegen Sabang werd het schip ingezet voor het bombarderen van vijandelijke doelen aan land. Deze operaties waren onderdeel van de bredere strategie om Japanse logistieke en militaire infrastructuur in Nederlands-Indië te verzwakken. Voor haar inzet tijdens deze fase ontving Cumberland de battle honours “Sabang 1944” en “Burma 1945”.
Reparaties en verdere inzet
Op 7 februari 1945 keerde het schip terug naar Simonstad voor reparaties aan haar roer, waarna ze opnieuw werd ingezet in Zuidoost-Azië. Later dat jaar fungeerde Cumberland als platform voor onderhandelingen tussen Japanse vertegenwoordigers en geallieerde bevelhebbers over de overgave van Japanse troepen op Java.
Radar en elektronische uitrusting
Vanaf het midden van de oorlog werd de rol van radar en elektronische sensoren steeds belangrijker bij maritieme operaties. HMS Cumberland onderging diverse moderniseringen waarbij ze werd uitgerust met meerdere radarsystemen die haar gevechtscapaciteiten aanzienlijk verbeterden.
Type 279 en Type 281 radar
In de vroege oorlogsjaren werd Cumberland voorzien van de Type 279-radar, een luchtwaarschuwingsradar die kon waarnemen of er vijandelijke vliegtuigen in aantocht waren. Deze werd later aangevuld of vervangen door de Type 281-radar, een verbeterde versie met een groter bereik en nauwkeuriger detectie. Beide systemen gebruikten grote antennes die boven de brug werden gemonteerd en zonden in de VHF-band uit.
Type 273 en Type 284 radar
Voor oppervlaktewaarneming kreeg Cumberland de Type 273-radar, bedoeld voor het detecteren van schepen en objecten aan de oppervlakte van de zee. Voor vuurleiding werd gebruik gemaakt van de Type 284 radar, die speciaal was ontwikkeld voor het richten van het hoofdgeschut op vijandelijke doelen. Deze systemen waren nauw verbonden met de centrale vuurleidingsinstallatie aan boord en verbeterden de doeltreffendheid van het hoofdgeschut, vooral onder slechte weersomstandigheden of bij nachtoperaties.
High-Frequency Direction Finding (HF/DF)
Daarnaast beschikte het schip over een HF/DF-installatie, ook wel “Huff-Duff” genoemd. Dit was een passief radiosysteem waarmee vijandelijke radio-uitzendingen konden worden gelokaliseerd. Het was bijzonder effectief tegen Duitse U-boten die radiocommunicatie gebruikten om hun positie door te geven.
De integratie van radar en elektronische detectiesystemen betekende een belangrijke stap vooruit in maritieme oorlogsvoering en gaf schepen zoals Cumberland een technologische voorsprong op oudere vijandelijke eenheden.
Naoorlogse dienst en proefplatform
Na het einde van de Tweede Wereldoorlog keerde Cumberland op 12 november 1945 terug naar Groot-Brittannië. In de maanden daarna werd zij ingezet voor troepentransport, onder meer voor de repatriëring van militairen. In juni 1946 werd het schip in reserve geplaatst en bleef in die status tot 1949.
Conversie tot proefschip
Tussen 1949 en 1951 onderging Cumberland een grondige verbouwing in Devonport. Tijdens deze ombouw verloor zij haar oorspronkelijke 8-inch geschuttorens. In plaats daarvan werden experimentele automatische geschutstorens geplaatst: een dubbele 6-inch (152 mm) snelvuurkoepel in de ‘B’-positie en een dubbele 3-inch (76 mm) luchtdoelkoepel in de ‘X’-positie. Deze installaties dienden als testmodellen voor toekomstige bewapening van de Tiger-klasse kruisers.
Het schip werd gebruikt als gunnery trials ship, wat betekende dat men op Cumberland nieuwe vuurleidingssystemen en automatische bewapening testte onder realistische omstandigheden. Ze kreeg tevens aangepaste masten in vakwerkstructuur (lattice masts) om nieuwe radarinstallaties te ondersteunen.
Filmrol en geheime tests
In 1956 speelde Cumberland een rol in de film The Battle of the River Plate, waarin zij zichzelf vertolkte tijdens het naspelen van de gebeurtenissen uit 1939. Opvallend hierbij is dat zij haar oorspronkelijke hoofdgeschut inmiddels kwijt was, maar door haar herkenbare profiel met drie schoorstenen bleef zij voor kenners herkenbaar.
Tussen 1955 en 1956 werd het schip tevens uitgerust met experimentele bescherming tegen atoomwapens, waaronder aangepaste afscherming tegen straling en luchtdrukgolven. Tijdens testvaarten traden echter onverklaarbare defecten op, vooral in de hoofdtandwielkast. Deze storingen leidden tot vermoedens van sabotage, al is daar nooit sluitend bewijs voor geleverd.
Uitdienststelling en sloop
HMS Cumberland werd in 1958 definitief uit dienst genomen. Op 3 november 1958 arriveerde zij bij de werf van Cashmore in Newport om te worden gesloopt. Daarmee kwam een einde aan de loopbaan van een schip dat gedurende drie decennia een brede inzet kende in uiteenlopende maritieme theaters over de hele wereld.
Conclusie
HMS Cumberland was een voorbeeld van de veelzijdigheid van Britse zware kruisers in de twintigste eeuw. Van de Zuid-Atlantische Oceaan tot de ijzige wateren van de Noordpool en de tropische kusten van Zuidoost-Azië, het schip nam deel aan een breed scala aan operaties tijdens de Tweede Wereldoorlog. Dankzij aanpassingen in radar en bewapening bleef Cumberland tot in de jaren vijftig operationeel bruikbaar, zelfs als proefplatform voor nieuwe marinetechnologieën.
Bronnen en meer informatie
- Afbeelding: Keast J E V (Sub Lt) Royal Navy official photographer, Public domain, via Wikimedia Commons
- Boniface, Patrick (2006). HMS Cumberland: A Classic British Cruiser in War and Peace. London: Periscope Publishing Limited. ISBN 978-1-904381-18-7.
- Campbell, N.J.M. (1980). “Great Britain”. In: Chesneau, Roger (ed.). Conway’s All the World’s Fighting Ships 1922–1946. New York: Mayflower Books. ISBN 0-8317-0303-2.
- Colledge, J.J.; Warlow, Ben (2006) [1969]. Ships of the Royal Navy: The Complete Record of all Fighting Ships of the Royal Navy (Rev. ed.). London: Chatham Publishing. ISBN 978-1-86176-281-8.
- Friedman, Norman (2010). British Cruisers: Two World Wars and After. Barnsley: Seaforth Publishing. ISBN 978-1-59114-078-8.
- Lenton, H.T. (1998). British & Empire Warships of the Second World War. Annapolis, Maryland: Naval Institute Press. ISBN 1-55750-048-7.
- Raven, Alan; Roberts, John (1980). British Cruisers of World War Two. Annapolis, Maryland: Naval Institute Press. ISBN 0-87021-922-7.
- Rohwer, Jürgen (2005). Chronology of the War at Sea 1939–1945: The Naval History of World War Two (3rd rev. ed.). Annapolis, Maryland: Naval Institute Press. ISBN 1-59114-119-2.
- Whitley, M.J. (1995). Cruisers of World War Two: An International Encyclopedia. London: Cassell. ISBN 1-86019-874-0.
- Bronnen Mei1940









