Home Personen USSR Generaal Nikolaj Roeski en de val van de tsaar

Generaal Nikolaj Roeski en de val van de tsaar

Bijsnede van portret van Russische generaal Nikolaj Roeski in uniform, genomen tijdens zijn militaire loopbaan rond 1914.
Generaal Nikolaj Roeski in uniform, bevelhebber tijdens de Eerste Wereldoorlog en betrokken bij de abdicatie van tsaar Nicolaas II.

Nikolaj Vladimirovitsj Roeski (Russisch: Никола́й Влади́мирович Ру́зский), geboren op 6 maart 1854 (O.S.) in het Russische Keizerrijk, stamde uit een adellijke familie uit het gouvernement Kaluga. Zijn familie, die oorspronkelijk de naam Lermontov droeg, was verbonden aan de lijn Ostrozjnikovskaja. Zijn vader, Vladimir Dmitrijevitsj, was ambtenaar in de 12e rangklasse, maar overleed toen Nikolaj nog geen jaar oud was. De jonge Roeski werd vervolgens onder voogdij geplaatst via de Moskouse Raad van Voogden.

Opleiding en vroege militaire loopbaan

In 1870 studeerde Roeski af aan het Cadettenkorps met uitstekende resultaten. Twee jaar later rondde hij de Konstantinovski Artillerieschool af. Zijn eerste militaire ervaring deed hij op tijdens de Russisch-Turkse Oorlog van 1877-1878, waar hij gewond raakte bij de verovering van het fort Gorni Doebnik. Voor zijn moed kreeg hij de Orde van Sint-Anna, vierde klasse, met de inscriptie “Voor dapperheid”.

In 1881 voltooide hij zijn studie aan de Nikolaev-generale stafacademie met een hoge eindscore. Hij kreeg er les van verschillende toekomstige ministers van Oorlog zoals Aleksej Koeropatkin, Vladimir Soechomlinov en Aleksandr Roediger, onder toezicht van generaal Michail Dragomirov. Kort na zijn afstuderen werd hij aangesteld als assistent-adjudant in het militaire district Kazan.

Roeski trouwde in 1884 met Zinovia Aleksandrovna Borezovski, dochter van een gepensioneerd officier. Het echtpaar kreeg drie kinderen.

Carrière in het Russische leger tot 1905

Van 1882 tot 1887 diende hij als senior-adjudant in het hoofdkwartier van het militaire district Kiev. In de periode daarna vervulde hij stafrollen bij diverse eenheden, waaronder de 11e Cavaleriedivisie en de 32e Infanteriedivisie. Hij werd in 1896 kwartiermeester in Kiev en in 1904 stafchef van het militaire district Vilnius. Roeski genoot aanzien onder zijn collega-officieren vanwege zijn werkethiek en organisatorisch vermogen.

De Russisch-Japanse Oorlog

Tijdens de Russisch-Japanse Oorlog (1904–1905) voerde Roeski het bevel over het Tweede Mantsjoerische Leger. Hij nam deel aan de gevechten bij Sandepu en Moekden. Ondanks verliezen tijdens de terugtocht – waarbij hij gewond raakte door een val van zijn paard – bleef hij actief binnen de troepen. Na de oorlog werkte hij mee aan de hervorming van het Russische leger. In 1906 hielp hij bij het opstellen van nieuwe reglementen voor het veldcommando.

Hervormingen en posities in vredestijd

Roeski werd in 1907 lid van het Hoog Militair Strafhof, waar hij onder andere betrokken was bij het onderzoek naar de overgave van Port Arthur. In 1909 werd hij commandant van het 21e legerkorps, maar moest deze functie wegens gezondheidsproblemen neerleggen. Datzelfde jaar trad hij toe tot het ministerie van Oorlog. Hij leverde een belangrijke bijdrage aan de veldvoorschriften van 1912. In februari 1912 keerde hij terug naar het militaire district Kiev als assistent-commandant.

Eerste Wereldoorlog: campagnes en bevelvoering

De Slag om Galicië

Bij het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog werd Roeski benoemd tot bevelhebber van het Derde Leger. Ondanks waarschuwingen over een aanstaande aanval van Oostenrijk-Hongarije, zette hij zijn offensief richting Lemberg door. Zijn militaire inzet tijdens deze veldtocht werd bekroond met de Orde van Sint-George in de vierde en derde klasse (augustus 1914) en later in de tweede klasse (oktober 1914). Hierdoor werd hij, samen met generaals Ivanov en Joedenitsj, tot een van de belangrijkste Russische militaire leiders gerekend binnen het keizerlijke leger.

Bevel over het Noordwestelijk Front

Van september 1914 tot maart 1915 leidde Roeski het Noordwestelijk Front. Zijn troepen namen deel aan de veldslagen aan de Wisła en bij Łódź. Hoewel deze operaties aanvankelijk succesvol verliepen, moest hij zijn troepen terugtrekken toen Duitse eenheden onder bevel van generaal von Scheffer-Boyadel uit de omsingeling wisten te ontsnappen. Roeski’s leiding werd bij de Slag om de Mazurische Meren als ineffectief beoordeeld; hij werd verantwoordelijk gehouden voor de zware verliezen van het Tiende Leger.

Controverses in de bevelstructuur

Roeski stond bekend om zijn neiging om verantwoordelijkheid af te schuiven op ondergeschikten. Zo wist hij generaals Paul von Rennenkampf en Sergej Scheidemann uit hun functies te laten ontheffen. Deze acties vonden plaats tijdens een bijeenkomst van het Opperbevel te Sedlets. De motieven achter deze beslissingen werden echter niet breed gedeeld binnen het leger en het ministerie van Oorlog. In maart 1915 trad hij opnieuw terug om gezondheidsredenen.

De terugkeer aan het front en het einde van de oorlogscarrière

In juni 1915 keerde Roeski terug aan het front als commandant van het Zesde Leger. Twee maanden later werd hij benoemd tot bevelhebber van het Noordelijke Front. Tijdens zijn bevel vermeed hij directe confrontaties met de vijand. Eind dat jaar werd hij wegens ziekte wederom uit zijn functie ontheven. In augustus 1916 keerde hij kort terug als opperbevelhebber van het Noordelijke Front, als opvolger van generaal Koeropatkin, maar zijn optreden bleef voorzichtig en afwachtend.

Roeski’s rol bij de troonsafstand van tsaar Nicolaas II

Tijdens de Februarirevolutie van 1917 speelde Roeski een directe rol bij de abdicatie van tsaar Nicolaas II. Op het station van Pskov vond een historisch moment plaats waarbij Roeski de tsaar onder druk zette om afstand te doen van de troon. Volgens getuigenverklaringen, waaronder die van hofminister graaf Frederiks, zou Roeski de tsaar met harde woorden hebben geconfronteerd:

“Teken en blijf tekenen. Zie je dan niet dat er geen andere weg meer is? Als u niet tekent, ben ik niet langer verantwoordelijk voor uw leven.”

De tsaar, zichtbaar aangeslagen, zou uiteindelijk hebben toegegeven. In latere memoires van betrokkenen werd gesuggereerd dat Roeski met harde hand en tegen de wil van de tsaar handelde. Dit moment markeerde het formele einde van de Romanov-dynastie.

Discussie over de ‘verantwoordelijke regering’

Roeski was niet alleen betrokken bij de abdicatie, maar ook bij pogingen om een zogeheten ‘verantwoordelijke regering’ in te voeren, die verantwoording zou afleggen aan de Doema in plaats van aan de tsaar. Dit voorstel werd door de tsaar aanvankelijk resoluut afgewezen. Volgens Roeski’s eigen verslag had Nicolaas II verklaard:

“Ik ben verantwoordelijk voor alles wat er gebeurt tegenover God en Rusland. Of ministers wel of niet verantwoording afleggen aan de Doema is mij om het even.”

De discussie zou hebben geleid tot een uur durend debat waarin de tsaar uiteindelijk instemde, al was onduidelijk of dit oprecht was. De omstandigheden en plotselinge koerswijziging van de tsaar leidden achteraf tot twijfels of de beslissing wel vrijwillig tot stand was gekomen.

Conflicten binnen het voorlopige bewind

Na de revolutie bleef Roeski aanvankelijk actief. Hij sprak zich uit voor het behoud van discipline binnen het leger, wat hem op gespannen voet bracht met minister van Oorlog Aleksandr Goetsjkov en stafchef generaal Aleksejev. Door toenemende politieke spanningen werd hij uiteindelijk uit zijn functie ontheven. Roeski trok zich terug in het zuiden van Rusland, in de stad Kislovodsk.

Arrestatie en dood

In september 1918 werd Roeski gearresteerd door eenheden van het Rode Leger in de stad Jessentoeki. Hem werd een militaire positie aangeboden, die hij weigerde met de woorden dat hij geen oorlog wilde voeren van “Russen tegen Russen”. Na de moord op commandant Ivan Sorokin werden Roeski en ongeveer honderd andere voormalige tsaristische officieren op 18 oktober 1918 als vergeldingsmaatregel geëxecuteerd bij de begraafplaats van Pjatigorsk. De executie werd geleid door Georgi Atarbekov, een revolutionair functionaris binnen het Sovjetapparaat.

Nalatenschap en reflectie

Kort voor zijn dood deed Roeski pogingen om zijn nalatenschap te verantwoorden. Hij liet schriftelijke herinneringen na waarin hij de indruk wilde wegnemen dat hij had samengespannen tegen de tsaar. Volgens hem was er bij Nicolaas II sprake van een plotselinge onverschilligheid, een verandering die het mogelijk maakte om akkoord te gaan met hervormingen.

Roeski wenste niet herinnerd te worden als een verrader, maar als een loyale onderdaan die handelde in het belang van het keizerrijk. Of dit beeld historisch correct is, blijft onderwerp van discussie, maar zijn rol in de afwikkeling van het tsaristische tijdperk is onmiskenbaar.

Bronnen en meer informatie

  1. Afbeelding: http://humus.livejournal.com/4377502.html, Public domain, via Wikimedia Commons
  2. Dupuy, Trevor N. A Genius for War: The German Army and General Staff, 1807–1945. Falls Church, VA: NOVA Publications, 1991. ISBN 0963869213.
  3. Bronnen Mei1940