
HMS Argonaut was een lichte kruiser van de Dido-klasse binnen de Royal Navy. Het schip werd gebouwd door de werf Cammell Laird in Birkenhead en kwam in 1942 in actieve dienst. Tijdens de Tweede Wereldoorlog werd de kruiser ingezet in het Middellandse Zeegebied, de Atlantische Oceaan en later in de Stille Oceaan. Het schip speelde een rol bij de landingen in Noord-Afrika, Normandië en Zuid-Frankrijk. Argonaut werd zwaar beschadigd door een torpedoaanval in december 1942, maar na langdurige reparaties hervatte zij haar operationele inzet. Na de oorlog werd de kruiser in reserve geplaatst en uiteindelijk in 1955 gesloopt.
Ontwerp en constructie
De Dido-klasse werd ontworpen als lichte kruiser met nadruk op luchtafweer en escorte van konvooien en vlootverbanden. HMS Argonaut behoorde tot de eerste groep schepen van deze klasse en legde de kiel in november 1939. Het schip werd te water gelaten in september 1941 en op 8 augustus 1942 in dienst genomen.
De kruiser had een standaardwaterverplaatsing van 5.600 ton en een volle belading van ongeveer 6.850 ton. De lengte bedroeg 156 meter, met een breedte van 15,4 meter en een diepgang van 4,3 meter. De voortstuwing werd geleverd door vier Parsons-turbines, gevoed door vier Admiralty 3-drum ketels, die gezamenlijk 62.000 shp (46 MW) produceerden. Dit leverde een topsnelheid van ruim 32 knopen. Het bereik bedroeg ongeveer 4.850 zeemijlen bij een kruissnelheid van 11 knopen. De bemanning bestond uit circa 480 tot 487 personen, afhankelijk van de periode en de toegepaste modificaties.
De Dido-klasse schepen werden gebouwd met de bedoeling om flexibel inzetbaar te zijn, zowel voor oppervlaktegevechten, luchtafweer als escorte van grotere eenheden. HMS Argonaut werd vanaf het begin uitgerust om een gecombineerde rol te vervullen.
Bewapening
Bij indienststelling was de hoofdbewapening van HMS Argonaut tien 5,25-inch (133 mm) kanonnen, opgesteld in vijf dubbeltorens. Deze dubbele rolkanonnen konden zowel voor luchtafweer als voor oppervlaktestrijd worden gebruikt.
Daarnaast beschikte het schip over vier enkelvoudige 20 mm Oerlikon-kanonnen en acht 2-ponder (40 mm) pom-pom-kanonnen in dubbele en viervoudige opstellingen. Voor torpedoaanvallen waren twee drievoudige 21-inch torpedolanceerinrichtingen aanwezig.
Tijdens de oorlog onderging de kruiser meerdere aanpassingen aan haar luchtafweer. Na de torpedobeschadiging in 1942 werd het schip tijdens de reparaties in de Verenigde Staten gemoderniseerd. Zo werd één van de hoofdturrets verwijderd en vervangen door extra luchtafweer. Tegen 1944 beschikte Argonaut over een aanzienlijk versterkt luchtverdedigingspakket met onder meer 40 mm Bofors-kanonnen en meerdere Oerlikons.
Bepantsering
De bescherming van HMS Argonaut bestond uit een gordelpantser van 76 mm, een dekpantser van 25 mm en een 51 mm bescherming rondom de munitiebergplaatsen. De waterdichte schotten en compartimentering waren ontworpen om de overlevingskansen na een torpedo- of bominslag te vergroten. De pantsering was relatief licht in vergelijking met zware kruisers, maar voldoende om haar primaire rol als luchtafweer- en escorte-eenheid te vervullen.
Sensoren en dataverwerking
HMS Argonaut werd bij oplevering uitgerust met radar- en sonarapparatuur die tijdens de oorlog stapsgewijs werd uitgebreid. Belangrijke sensoren waren de Type 279 luchtwaarschuwingsradar en de Type 128 ASDIC (sonar) voor onderzeebootdetectie. Vanaf 1943 kreeg het schip tijdens de modernisatie nieuwe systemen, waaronder de Type 273 radar voor oppervlaktebewaking en de Type 277 radar voor luchtdoelen. Deze verbeteringen waren essentieel om vijandelijke vliegtuigen en schepen tijdig te kunnen detecteren, vooral tijdens gevechten in de Middellandse Zee en de Atlantische Oceaan.
Een belangrijk aspect van de sensorcapaciteit was de introductie van de Action Information Organisation (AIO) binnen de Royal Navy. Het AIO diende om de toenemende hoeveelheid tactische informatie van radar, sonar en visuele waarneming te centraliseren. Op lichte kruisers zoals HMS Argonaut werd een compacte Operations Room ingericht waarin gegevens op plottafels en statusborden werden samengebracht. Dit bood de commandant een overzicht van zowel vijandelijke als geallieerde bewegingen.
De werking van het AIO op kruisers was eenvoudiger dan op slagschepen of vliegdekschepen, maar had grote waarde voor de coördinatie van een eskader. Radarinformatie van Type 273 en Type 277 werd doorgegeven aan plotters, die de posities van schepen en vliegtuigen bijhielden. Dit stelde Argonaut in staat om niet alleen als zelfstandig gevechtsschip te opereren, maar ook om de rol van vlaggenschip in een escorteverband te vervullen.
De aanwezigheid van sonar en radar maakte het schip geschikt voor nachtaanvallen en luchtafweercoördinatie. De ASDIC-sonar leverde informatie over onderzeebootdreigingen, terwijl radarsystemen hielpen bij vroegtijdige detectie van luchtaanvallen. Hoewel de kruiser niet beschikte over een volledig geavanceerd Combat Information Center (CIC) zoals bij latere Amerikaanse schepen, zorgde de Britse AIO voor een vergelijkbare functionele coördinatie.
In vergelijking met torpedobootjagers, die vaak slechts één kleine plotruimte hadden, bood een lichte kruiser als Argonaut voldoende ruimte en bemanning om radarinformatie uitgebreider te verwerken. Dit vergrootte haar waarde tijdens grootschalige operaties zoals de landingen in Normandië en Zuid-Frankrijk. Door de combinatie van radar, sonar en AIO-structuur bleef het schip tot het einde van de oorlog relevant binnen de geallieerde vloot.
Modificaties
Tijdens de grote reparatieperiode in de Verenigde Staten (1943) werd HMS Argonaut grondig aangepast. Het Q-turret werd verwijderd en vervangen door extra luchtafweerbewapening. De radarsystemen werden gemoderniseerd, waaronder de installatie van Type 293 en 277 radar. Verder werd de lichte luchtafweer versterkt met meerdere 20 mm Oerlikons en later 40 mm Bofors-kanonnen. Deze wijzigingen verbeterden de luchtverdedigingscapaciteit aanzienlijk en brachten de kruiser beter in lijn met de veranderende dreigingen op zee.
Status schip tijdens de oorlog
Tijdens de oorlog bleef HMS Argonaut technisch inzetbaar, al was de zware torpedobeschadiging in december 1942 bijna fataal. Het verlies van de boeg- en hekgedeelten maakte een langdurige reparatie noodzakelijk, waardoor het schip bijna een jaar buiten dienst was. Na de herstelwerkzaamheden kreeg het schip verbeterde radar- en luchtafweerinstallaties. Vanaf 1944 was Argonaut opnieuw volledig operationeel en aangepast aan de eisen van moderne vlootacties, hoewel de afwezigheid van een volledig geïntegreerd CIC betekende dat het schip in vergelijking met de nieuwste Amerikaanse ontwerpen iets verouderd bleef.
Operationele geschiedenis
Middellandse Zee en Operatie Torch
In het najaar van 1942 werd HMS Argonaut toegevoegd aan Force H, gestationeerd in Gibraltar. Deze eenheid, onder bevel van viceadmiraal Sir Edward Neville Syfret, had als opdracht de geallieerde landingen in Noord-Afrika (Operatie Torch) te beschermen. Argonaut nam in oktober en november 1942 deel aan afleidingsoperaties in de Middellandse Zee. Het doel was om de aandacht van Italiaanse en Vichy-Franse strijdkrachten weg te leiden van de landingsgebieden in Algerije en Marokko.
De kruiser werd in december 1942 toegevoegd aan Force Q, een formatie onder leiding van schout-bij-nacht Cecil Harcourt. Deze groep bestond uit de kruisers HMS Aurora, HMS Sirius, Argonaut en de torpedobootjagers HMS Quentin en HMAS Quiberon. De eenheid kreeg de taak om Duitse en Italiaanse bevoorradingskonvooien naar Tunesië te onderscheppen. Op 1 december 1942 nam Force Q deel aan de Slag bij Skerki Bank, waarbij een Italiaans konvooi vrijwel volledig werd vernietigd. Vier troepentransportschepen en de torpedobootjager Folgore gingen verloren, terwijl de geallieerden geen schepen kwijtraakten. Een dag later werd HMS Quentin echter door Duitse vliegtuigen tot zinken gebracht.
Torpedobeschadiging
Op 14 december 1942 werd HMS Argonaut getroffen door twee torpedo’s van de Italiaanse onderzeeboot Lazzaro Mocenigo. De schade was zwaar: zowel de boeg als het achterschip werden vrijwel volledig verwoest. Hoewel slechts drie bemanningsleden omkwamen, verloor de kruiser haar manoeuvreerbaarheid en werd aanvankelijk als verloren beschouwd. Duitse inlichtingendiensten meldden ten onrechte dat het schip was gezonken. Dankzij noodreparaties wist de bemanning Argonaut naar Algiers te brengen, vanwaar zij naar de Verenigde Staten werd gesleept. Daar onderging het schip gedurende zeven maanden een grootschalige reconstructie, die in november 1943 werd afgerond.
Terugkeer in actie en Operatie Overlord
Na de herbouw keerde HMS Argonaut terug naar het Verenigd Koninkrijk. Het schip werd uitgerust met moderne radars en versterkte luchtafweer. Tijdens Operatie Overlord, de geallieerde invasie van Normandië in juni 1944, nam de kruiser deel aan bombardementsmissies ter ondersteuning van de landingen. Onder bevel van kapitein Longley leverde Argonaut artillerievuur tegen Duitse kuststellingen en versterkingen achter de stranden. Het schip voerde gedurende meerdere dagen vuursteun uit en speelde een rol in het neutraliseren van vijandelijke posities die de opmars van de landstrijdkrachten belemmerden.
Operatie Dragoon en inzet in de Middellandse Zee
In augustus 1944 werd HMS Argonaut verplaatst naar de Middellandse Zee om deel te nemen aan Operatie Dragoon, de invasie van Zuid-Frankrijk. Hier vervulde zij een soortgelijke taak als bij Normandië, namelijk artillerieondersteuning en bescherming van de landingsvloot. Naast kustbombardementen fungeerde het schip als coördinerend vlaggenschip binnen een escorteverband.
Na de invasies bleef de kruiser actief in het oostelijke deel van de Middellandse Zee. Hier voerde zij patrouilles en aanvallen uit op kleine Duitse vaartuigen in de Egeïsche Zee. Deze operaties waren gericht op het verstoren van de vijandelijke aanvoerlijnen naar de bezette eilanden.
Britse Pacifische Vloot
Eind 1944 werd HMS Argonaut naar het Verre Oosten gestuurd. In 1945 sloot zij zich aan bij de British Pacific Fleet. Haar taken bestonden voornamelijk uit escorte van vliegdekschepen, ondersteuning van landingsoperaties en deelname aan anti-scheepvaartacties. Hoewel de kruiser niet direct betrokken was bij de zwaarste gevechten, droeg zij bij aan de geallieerde aanwezigheid en slagkracht tijdens de laatste fase van de oorlog tegen Japan.
De gemoderniseerde radar- en luchtafweeruitrusting maakten Argonaut waardevol in de bescherming van grotere eenheden tegen luchtaanvallen. Het schip bleef tot de Japanse capitulatie actief in de regio.
Na de oorlog
Na de beëindiging van de oorlog keerde HMS Argonaut terug naar het Verenigd Koninkrijk. In juli 1946 werd zij uit actieve dienst genomen en in reserve geplaatst. Het schip werd niet opnieuw in de vaart gebracht en bleef tot 1955 opgelegd. Op 19 november 1955 werd Argonaut definitief verkocht voor sloop. Daarmee eindigde de loopbaan van een kruiser die ondanks zware schade in 1942 meerdere malen succesvol herstelde en tot het einde van de oorlog inzetbaar bleef.
Conclusie
HMS Argonaut vertegenwoordigde de veelzijdige rol van lichte kruisers in de Royal Navy tijdens de Tweede Wereldoorlog. Ontworpen als luchtafweerschip en escorte-eenheid, nam zij deel aan vrijwel alle grote amfibische operaties van 1942 tot 1945. De zware torpedobeschadiging in december 1942 had het einde kunnen betekenen, maar na uitgebreide reparaties keerde het schip terug als een gemoderniseerde eenheid.
Hoewel de kruiser beschikte over radar, sonar en een Action Information Organisation (AIO), ontbrak een volledig geïntegreerd Combat Information Center zoals aanwezig op moderne Amerikaanse oorlogsschepen. Hierdoor bleef zij in technisch opzicht enigszins achter bij de nieuwste standaarden vanaf 1943. Toch bleef HMS Argonaut operationeel inzetbaar tot het einde van de oorlog, waarbij haar rol vooral van waarde was in luchtafweer en artillerieondersteuning tijdens amfibische landingen.
Bronnen en meer informatie
- Afbeelding: See page for author, Public domain, via Wikimedia Commons
- Campbell, N.J.M. (1980). “Great Britain”. In Chesneau, Roger (ed.). Conway’s All the World’s Fighting Ships 1922–1946. New York: Mayflower Books. pp. 2–85. ISBN 0-8317-0303-2.
- Colledge, J. J.; Warlow, Ben (2006) [1969]. Ships of the Royal Navy: The Complete Record of all Fighting Ships of the Royal Navy (Rev. ed.). London: Chatham Publishing. ISBN 978-1-86176-281-8.
- Friedman, Norman (2010). British Cruisers: Two World Wars and After. Barnsley, UK: Seaforth Publishing. ISBN 978-1-59114-078-8.
- Raven, Alan; Roberts, John (1980). British Cruisers of World War Two. Annapolis, Maryland: Naval Institute Press. ISBN 0-87021-922-7.
- Rohwer, Jürgen (2005). Chronology of the War at Sea 1939–1945: The Naval History of World War Two (Third Revised ed.). Annapolis, Maryland: Naval Institute Press. ISBN 1-59114-119-2.
- Whitley, M. J. (1995). Cruisers of World War Two: An International Encyclopedia. London: Cassell. ISBN 1-86019-874-0.
- Bronnen voor historisch onderzoek 1800–1946









