Home Schepen Torpedobootjagers HMAS Voyager: W-klasse torpedobootjager 1918–1942

HMAS Voyager: W-klasse torpedobootjager 1918–1942

HMAS Voyager, een W-klasse torpedobootjager van de Royal Navy en Royal Australian Navy, actief tussen 1918 en 1942.
HMAS Voyager, torpedobootjager van de W-klasse, ingezet in Europa en de Stille Oceaan tot haar verlies in 1942.

HMAS Voyager (D31/I31), oorspronkelijk HMS Voyager (G36/G16/D31), was een torpedobootjager van de W-klasse die diende in zowel de Royal Navy als de Royal Australian Navy. Het schip werd in 1918 in gebruik genomen en actief ingezet in de periode tussen de Eerste en de Tweede Wereldoorlog. Tijdens de Tweede Wereldoorlog nam Voyager deel aan operaties in de Middellandse Zee en de Stille Oceaan. Het schip strandde op 23 september 1942 bij een poging om Australische commando’s aan land te zetten in Timor. Na zware luchtaanvallen door Japanse vliegtuigen werd de beschadigde torpedobootjager door de eigen bemanning tot zinken gebracht.

Ontwerp en constructie

Voyager behoorde tot de W-klasse, ontworpen tijdens de Eerste Wereldoorlog. Het schip had een standaard waterverplaatsing van 1.100 ton en 1.470 ton bij volle belading. De totale lengte bedroeg 95,13 meter met een breedte van 8,99 meter en een diepgang van 4,44 meter. De voortstuwing bestond uit drie Yarrow-ketels en twee Brown-Curtis-turbines die 27.000 pk leverden op twee schroefassen. De ontwerpsnelheid bedroeg 34 knopen, met een actieradius van 4.800 kilometer bij 15 knopen. De bemanning bestond uit zes officieren en 113 manschappen.

De kiel werd gelegd op 17 mei 1917 bij Alexander Stephen and Sons in Glasgow. Voyager werd te water gelaten op 8 mei 1918 en in dienst genomen op 24 juni 1918. Binnen de W-klasse was Voyager het enige schip met een naam beginnend met de letter V, in tegenstelling tot de overige schepen die een naam beginnend met W kregen.

Bewapening

De oorspronkelijke bewapening van Voyager bestond uit vier QF 4-inch Mark V-kanonnen in enkelvoudige opstelling. Daarnaast beschikte het schip over een viervoudig 2-ponder luchtafweerkanon en vijf .303 inch machinegeweren. Voor torpedobestrijding waren er twee drievoudige buizen van 533 mm aanwezig. Ook was het schip uitgerust met dieptebomrekken en vier werpers. Later in de diensttijd werd de bewapening aangepast: er werd een extra 2-ponder geplaatst, twee Oerlikon 20 mm-kanonnen toegevoegd en een torpedolanceerinrichting verwijderd.

Bepantsering

Als torpedobootjager had Voyager geen zware bepantsering. Het schip vertrouwde op snelheid en manoeuvreerbaarheid als bescherming tegen vijandelijke artillerie en luchtaanvallen.

Sensoren en dataverwerking

Torpedobootjagers uit de Eerste Wereldoorlog, zoals Voyager, waren in hun oorspronkelijke ontwerp niet voorzien van radar of geavanceerde sonar. In de vroege dienstjaren was de waarneming grotendeels afhankelijk van optische middelen en uitkijkposten. In de loop van de Tweede Wereldoorlog werd echter steeds meer apparatuur toegevoegd om vijandelijke schepen en vliegtuigen vroegtijdig te detecteren.

Radar en sonar

Hoewel specifieke documentatie over de installatie op Voyager beperkt is, werden veel destroyers vanaf 1941 uitgerust met radarapparatuur van het type 271 (oppervlaktezoekradar) en later met Type 286 of 291 voor luchtwaarneming. Deze systemen boden een basaal overzicht van vijandelijke bewegingen, maar waren minder effectief dan de modernere systemen die op grotere schepen werden toegepast. Voor onderzeebootbestrijding was ASDIC (sonar) standaard aanwezig, waarmee vijandelijke onderzeeërs onder water konden worden opgespoord.

Action Information Organisation (AIO)

De Royal Navy introduceerde tijdens de Tweede Wereldoorlog de Action Information Organisation (AIO) om informatie uit radar, sonar en andere meldingen te centraliseren. Op grote schepen zoals slagschepen en vliegdekschepen bestond dit uit speciaal ingerichte ruimten met meerdere plottafels en radarschermen. Hier werd tactische informatie overzichtelijk weergegeven en doorgegeven aan de commandant.

Op torpedobootjagers zoals Voyager was dit beperkter. Vaak werden radargegevens verwerkt in de kaartenkamer of direct op de brug. Vanaf 1942 werden nieuwere destroyers voorzien van een kleine AIO-ruimte met één of twee radarschermen en een plottafel. Bij Voyager was deze capaciteit echter beperkt, waardoor de verwerking van tactische informatie sterk afhankelijk bleef van handmatige waarneming en communicatie.

Beoordeling gevechtskracht

Het ontbreken van een volwaardige AIO maakte dat Voyager, zeker vanaf 1943, volgens de toenmalige militaire normen verouderd zou zijn geweest. Het schip kon weliswaar bijdragen aan escortes, konvooibescherming en korte operaties, maar in vergelijking met moderne destroyers had het beperkingen in de verwerking van tactische informatie en de coördinatie tijdens gevechtssituaties.

Modificaties

Tijdens haar diensttijd onderging Voyager enkele aanpassingen. De belangrijkste betroffen de toevoeging van extra luchtafweer, waaronder Oerlikon-kanonnen, om beter bestand te zijn tegen luchtaanvallen. Ook werd een torpedobuis verwijderd om ruimte te maken voor aanvullende bewapening. Technische revisies, zoals het vernieuwen van ketels en onderhoud aan voortstuwing, werden eveneens uitgevoerd.

Status schip tijdens de oorlog

Bij het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog was Voyager, gebouwd in 1918, al verouderd naar de maatstaven van de moderne marines. Ondanks onderhoud en aanpassingen bleef het schip technisch en operationeel achter bij nieuw gebouwde torpedobootjagers. Inzetbaarheid was vooral te danken aan revisies, maar de beperkte sensor- en dataverwerkingscapaciteit maakte het minder geschikt voor complexe operaties zoals nachtgevechten of intensieve luchtafweer.

Operationele geschiedenis

Eerste inzet in de Royal Navy

Na indienststelling in 1918 werd Voyager toegevoegd aan de 11th Destroyer Flotilla van de Grand Fleet. Kort na de Eerste Wereldoorlog nam het schip deel aan een vlootbezoek aan Cherbourg en werd ingezet in de Baltische Zee tijdens de Britse interventie in de Russische Burgeroorlog. Hier leverde Voyager vuursteun aan Letse troepen en nam deel aan patrouilles en transportmissies.

Tussenoorlogse periode

In de jaren twintig en dertig werd Voyager afwisselend ingezet in de Atlantische Oceaan, Middellandse Zee en Ierse wateren. Het schip nam deel aan oefeningen, vlootbezoeken en patrouilles. In 1933 werd Voyager overgedragen aan de Royal Australian Navy en voerde voornamelijk vredesoperaties en trainingsmissies uit.

Tweede Wereldoorlog – Middellandse Zee

Vanaf 1940 opereerde Voyager vanuit Alexandrië als onderdeel van de Australische torpedobootjagerflottielje, door de Duitse propaganda smalend de “Scrap Iron Flotilla” genoemd. Het schip escorteerde konvooien, nam deel aan de slag bij Calabria en ondersteunde operaties rond Griekenland en Kreta. Ook was Voyager betrokken bij de bevoorrading van Tobruk en voerde meerdere evacuaties uit.

Tweede Wereldoorlog – Stille Oceaan

Na een refit in Sydney in 1941 werd Voyager ingezet voor escortetaken in Australische wateren. In september 1942 kreeg het schip de opdracht om Australische commando’s naar Timor te brengen. Tijdens de landing bij Betano Bay liep Voyager echter aan de grond. Pogingen om het schip los te krijgen mislukten. Japanse luchtaanvallen beschadigden de torpedobootjager onherstelbaar, waarna de bemanning het schip zelf tot zinken bracht.

Conclusie

HMAS Voyager vertegenwoordigde een type torpedobootjager dat in de Eerste Wereldoorlog modern was, maar in de Tweede Wereldoorlog operationeel achterhaald raakte. Ondanks aanpassingen en actieve inzet in zowel de Middellandse Zee als de Stille Oceaan, bleef de gevechtskracht beperkt door het ontbreken van een volwaardig Action Information Organisation en moderne radarsystemen. In de periode na 1943 zouden schepen zonder een dergelijke centrale informatieverwerking als verouderd worden beschouwd. Voyager leverde desondanks waardevolle bijdragen, tot haar verlies in 1942.

Bronnen en meer informatie

  1. Afbeelding: Green, Allan C., 1878-1954, photographer., Public domain, via Wikimedia Commons
  2. Bennett, Geoffrey (2002). Freeing the Baltic. Edinburgh: Birlinn. ISBN 1-84341-001-X.

  3. Cassells, Vic (2000). The Destroyers: their battles and their badges. East Roseville: Simon & Schuster. ISBN 0-7318-0893-2.

  4. Dunn, Steve R. (2020). Battle in the Baltic: The Royal Navy and the Fight to Save Estonia & Latvia 1918–20. Barnsley: Seaforth Publishing. ISBN 978-1-5267-4273-5.

  5. English, John (2019). Grand Fleet Destroyers: Part I: Flotilla Leaders and ‘V/W’ Class Destroyers. Windsor: World Ship Society. ISBN 978-0-9650769-8-4.

  6. Frame, Tom; Baker, Kevin (2000). Mutiny! Naval Insurrections in Australia and New Zealand. St. Leonards: Allen & Unwin. ISBN 1-86508-351-8.

  7. Goldrick, James (2001). In Stevens, David (ed.). The Royal Australian Navy. Oxford: Oxford University Press. ISBN 0-19-555542-2.

  8. Preston, Antony (1971). ‘V & W’ Class Destroyers 1917–1945. London: Macdonald. ISBN 0-464-54289-5.

  9. Bronnen voor historisch onderzoek 1800–1946