
De Japanse onderzeeër I-58 werd ingezet in de laatste fase van de Tweede Wereldoorlog en kreeg bekendheid vanwege haar torpedoaanval op de USS Indianapolis in juli 1945. Oorspronkelijk ontworpen als een kruiseronderzeeër van het type B3, werd het schip aangepast voor het inzetten van bemande zelfmoordtorpedo’s, zogenoemde Kaiten. Hoewel de I-58 enkele missies uitvoerde, waaronder de fatale aanval op Indianapolis, bleef het tactisch succes beperkt. De operationele geschiedenis van dit schip weerspiegelt zowel de technologische ontwikkelingen als de militaire wanhoop van het Japanse Keizerrijk in de slotfase van het conflict.
Ontwerp en constructie
De I-58 behoorde tot de B3-klasse van Japanse onderzeeërs en werd op 26 december 1942 op stapel gezet bij het Yokosuka Naval Arsenal. De tewaterlating vond plaats op 30 juni 1943 en de indienststelling volgde op 7 september 1944. De I-58 had een gestandaardiseerde waterverplaatsing van 2.140 ton boven water en 3.688 ton onder water. Het schip was 108,7 meter lang, met een breedte van 9,3 meter en een diepgang van 5,18 meter.
De voortstuwing bestond uit twee dieselmotoren van samen 4.700 pk (3.500 kW) en twee elektromotoren van in totaal 1.200 pk (890 kW). Dit stelde de onderzeeër in staat om een maximale snelheid van 17,75 knopen (33 km/u) boven water en 6,5 knopen (12 km/u) onder water te bereiken. Het bereik bedroeg 21.000 zeemijl (39.000 km) bij 16 knopen aan de oppervlakte en 105 zeemijl (194 km) bij 3 knopen onder water. De maximale duikdiepte was circa 100 meter.
Bij oplevering beschikte het schip over een hangar en lanceerinrichting voor een verkenningsvliegtuig (vliegboot), maar deze faciliteiten werden begin 1945 verwijderd om ruimte te maken voor de installatie van zes Kaiten.
Bewapening
De I-58 was standaard uitgerust met zes 533 mm torpedobuizen in de boeg, met een totaal van 23 torpedo’s aan boord. De primaire torpedo’s waren van het Type 95-model, zuurstof-aangedreven wapens met een groot bereik en hoge snelheid.
Daarnaast beschikte het schip over een 140 mm (5,5 inch) dekkanon en twee Type 96 luchtafweerkanonnen van 25 mm. Na de modificatie in 1945 kon de I-58 ook tot zes bemande Kaiten-torpedo’s vervoeren en inzetten. Deze werden aan dek geplaatst in speciale lanceerbuizen. De oorspronkelijke vliegboot en bijbehorende katapultinstallatie werden in de loop van 1945 verwijderd.
Sensoren en dataverwerking
De I-58 beschikte over standaard navigatieapparatuur en onderwaterdetectiesystemen van Japanse makelij. In de latere fasen van de oorlog werd een Type 3-radar geïnstalleerd, waarmee vijandelijke schepen op afstand konden worden waargenomen, vooral tijdens nachtelijke operaties of slechte weersomstandigheden. De radar werd onder andere gebruikt bij de aanval op USS Oak Hill in augustus 1945. In vergelijking met geallieerde technologie waren deze systemen minder accuraat en kwetsbaarder voor storingen en tegenmaatregelen.
Modificaties
Tijdens haar actieve dienst onderging de I-58 verscheidene structurele aanpassingen. Het oorspronkelijke dekkanon van 140 mm werd tijdelijk verwijderd en opnieuw geplaatst, afhankelijk van de operationele inzet. De vliegbootfaciliteiten – bestaande uit een hangar en katapult – werden in 1945 definitief verwijderd.
De ruimte die hierdoor vrijkwam, werd benut om zes Kaiten-torpedo’s te kunnen dragen. Bovendien werd het schip voorzien van een snorkel, een relatief nieuwe techniek waarmee het onderzeeboot tijdens onderwateroperaties dieselmotoren kon gebruiken om batterijen op te laden zonder op te duiken. Deze aanpassing was noodzakelijk vanwege de intensieve Amerikaanse luchtpatrouilles rond Japan.
Status schip tijdens de oorlog
Bij ingebruikname in september 1944 was de I-58 technisch gezien modern en geschikt voor langeafstandsmissies. Door de installaties voor Kaiten en de toevoeging van een snorkel bleef het schip ook in 1945 operationeel inzetbaar, ondanks de toenemende geallieerde controle over de Stille Oceaan.
In tegenstelling tot veel oudere Japanse onderzeeërs was de I-58 in staat om operaties uit te voeren over lange afstanden met een relatief hoge overlevingskans. Niettemin had het schip geen bescherming tegen radar-geleid artillerievuur of geavanceerde onderzeebootbestrijdingsmaatregelen zoals die werden toegepast door de Amerikaanse vloot in de laatste maanden van de oorlog.
Operationele geschiedenis
Eerste inzet en aanval bij Guam
Na training werd I-58 in december 1944 toegewezen aan Submarine Division 15 en vervolgens aan de Kongo-groep, die een gecoördineerde aanval met Kaiten-torpedo’s voorbereidde op Amerikaanse ankerplaatsen. Op 31 december 1944 vertrok de onderzeeër samen met I-36 richting Apra Harbor bij Guam. In de vroege ochtend van 12 januari 1945 werden vier Kaiten gelanceerd op ongeveer 18 kilometer ten westen van de haven.
Hoewel rookpluimen werden waargenomen en aanvankelijk werd gedacht dat een escorteschip en een olietanker tot zinken waren gebracht, bleek uit latere evaluaties dat geen schepen waren geraakt. I-58 keerde terug naar Kure op 22 januari 1945.
Ondersteunende rol tijdens Operation Tan No. 2
Begin maart 1945 werd I-58 samen met I-36 ingezet als deel van de Shimbu-groep. Toen deze operatie werd afgelast, kreeg de onderzeeër een ondersteunende rol tijdens Operation Tan No. 2, een aanval door kamikazevliegtuigen op Ulithi. I-58 fungeerde als relaisschip voor communicatie met de 24 Yokosuka P1Y-vliegtuigen. Slechts één vliegtuig wist het vliegdekschip USS Randolph te raken.
Operation Ten-Go en mislukte aanvallen
In april werd I-58 toegewezen aan de Tatara-groep voor deelname aan Operation Ten-Go. Door zware luchtpatrouilles en sterke onderzeebootverdediging wist het schip geen vijandelijke eenheden aan te vallen. De missie werd afgebroken op 17 april en het schip keerde terug naar Kure aan het eind van die maand.
Aanval op SS Wild Hunter en USS Albert T. Harris
Op 28 juli 1945, 300 zeemijl ten noorden van Palau, werd een aanval uitgevoerd op een vrachtschip en haar escorte. Twee Kaiten werden gelanceerd, maar het vrachtschip Wild Hunter ontdekte een periscoop en opende het vuur. USS Albert T. Harris voerde meerdere dieptebom- en hedgehogaanvallen uit, maar zonder vastgesteld resultaat. I-58 rapporteerde explosies, maar visuele bevestiging bleef uit.
Het zinken van de USS Indianapolis
In de nacht van 29 op 30 juli 1945 ontdekte I-58 de Indianapolis, die terugvoer van Tinian naar de Filipijnen. De onderzeeër lanceerde zes Type 95-torpedo’s, waarvan er twee doel troffen. Om 00:27 zonk het schip. De bemanning van I-58 zag bij een periscoop controle dat het doelwit verdwenen was. De onderzeeër verliet het gebied onmiddellijk.
Na de oorlog
Na de aanval op Oak Hill en Thomas F. Nickel keerde I-58 op 18 augustus 1945 terug naar de marinebasis in Kure. Kort daarna, op 2 september 1945, ondertekende Japan de formele capitulatie aan boord van de USS Missouri in de Baai van Tokio. Hiermee kwam een einde aan de vijandelijkheden in de Stille Oceaan en werd de I-58, samen met andere schepen van de Keizerlijke Japanse Marine, ontwapend en buiten dienst gesteld.
In het kader van de Amerikaanse marineoperatie “Road’s End”, waarin Japanse onderzeeërs systematisch tot zinken werden gebracht, werd I-58 op 1 april 1946 overgebracht naar een gebied voor de kust van de Gotō-eilanden. Onder toezicht van de Amerikaanse marine werd het schip daar tot zinken gebracht. Voorafgaand aan de scuttling werden bruikbare onderdelen en apparatuur verwijderd.
De coördinaten van de locatie waar I-58 tot zinken werd gebracht zijn vastgesteld op 32°37′N 129°17′E.
Wrakvondst
Op 25 mei 2017 werden sonarbeelden gepubliceerd waarop een onderzeebootwrak op ongeveer 200 meter diepte werd aangetroffen op de zeebodem nabij Nagasaki. De structuur had een lengte van circa 60 meter en stond rechtop. Op 7 september 2017 werd de identificatie bevestigd op basis van het roer en andere kenmerken. Het wrak werd officieel herkend als de I-58.
Conclusie
De onderzeeër I-58 was een representatief voorbeeld van de Japanse onderzeebootontwerpen in de laatste fase van de oorlog: uitgerust met conventionele wapens, maar aangepast voor de inzet van bemande zelfmoordwapens als reactie op de militaire situatie van het Keizerrijk. Hoewel het schip enkele aanvallen uitvoerde met Kaiten-torpedo’s, leidde dit slechts sporadisch tot schade aan vijandelijke schepen. De enige succesvolle conventionele aanval was die op de USS Indianapolis, die resulteerde in een groot verlies aan mensenlevens.
Technisch was de I-58 modern bij indienststelling en bleef ze dankzij aanpassingen relevant tot aan het einde van de oorlog. De onderzeeër had een grote actieradius, was relatief snel en kon opereren over lange afstanden. Toch waren de tactische en strategische mogelijkheden in 1945 beperkt door de overweldigende geallieerde luchtoverheersing en onderzeebootbestrijdingscapaciteit.
De geschiedenis van de I-58 weerspiegelt de complexiteit van onderzeese oorlogsvoering in de Stille Oceaan en toont hoe Japan in de eindfase van het conflict overstapte op extreme tactieken zoals de inzet van Kaiten. De uiteindelijke vernietiging van het schip en de ontdekking van het wrak in de 21e eeuw dragen bij aan het historisch inzicht in deze fase van de maritieme oorlogvoering.
Bronnen en meer informatie
- Afbeelding: unknown, maybe Yokosuka Naval Arsenal., Public domain, via Wikimedia Commons
- Jentschura, Hansgeorg; Jung, Dieter; Mickel, Peter (1977). Warships of the Imperial Japanese Navy, 1869-1945. Annapolis, Maryland, USA: United States Naval Institute. ISBN 0-87021-893-X.
- Polmar, Norman; Carpenter, Dorr B. (1986). Submarines of the Imperial Japanese Navy 1904–1945. London: Conway Maritime Press. ISBN 0-85177-396-6.
- Campbell, John (1985). Naval Weapons of World War Two. London: Conway Maritime Press. ISBN 0-87021-459-4.
- Hashimoto, Mochitsura (1954). Sunk: The Story of the Japanese Submarine Fleet, 1941–1945. New York: Henry Holt. ISBN 1-61577-581-1.
- Stanton, Doug (2001). In Harm’s Way: The Sinking of the USS Indianapolis and the Extraordinary Story of Its Survivors. New York: H. Holt. ISBN 0-8050-6632-2.









