Home Schepen Torpedobootjagers HMS Grenville – Britse U-klasse torpedobootjager

HMS Grenville – Britse U-klasse torpedobootjager

Britse torpedobootjager HMS Grenville varend op de rivier de Tyne tijdens proefvaart, zicht op romp en bovenbouw.
De Britse torpedobootjager HMS Grenville onderweg op de rivier de Tyne tijdens proefvaart, kort voor indienststelling in 1943.

HMS Grenville (R97) was een torpedobootjager van de U-klasse, gebouwd voor de Royal Navy tijdens de Tweede Wereldoorlog. Het schip maakte deel uit van de 7th Emergency Flotilla, besteld onder het War Emergency Programme. De kiel werd gelegd op 1 november 1941 bij Swan Hunter & Wigham Richardson Ltd. in Wallsend-on-Tyne, gevolgd door tewaterlating op 12 oktober 1942 en indienststelling op 27 mei 1943. Als flotilleleider werd Grenville genoemd naar viceadmiraal Sir Richard Grenville (1541–1591). Het schip diende in de Atlantische Oceaan, Middellandse Zee en Stille Oceaan en werd na de oorlog omgebouwd tot Type 15 fregat.

Ontwerp en constructie

De U-klasse torpedobootjagers waren gebaseerd op de romp en voortstuwing van de vooroorlogse J-klasse, maar met een lichtere en eenvoudiger bewapening om de bouwtijd te verkorten. HMS Grenville was als flotilleleider voorzien van uitgebreide communicatiefaciliteiten en extra accommodatie.

De afmetingen waren 110,57 meter lengte over alles, 10,87 meter breedte en een diepgang van 3,05 meter (gemiddeld) tot 4,34 meter (volgeladen). De standaardwaterverplaatsing bedroeg 1.777 ton en de volgeladen waterverplaatsing 2.528 ton.

De voortstuwing bestond uit twee Admiralty 3-drum ketels en Parsons tandwieloverbrengingsturbines, met een totaalvermogen van 40.000 pk, goed voor een topsnelheid van 36 knopen. De brandstofcapaciteit van 615 ton stookolie gaf een bereik van 4.675 zeemijl bij 20 knopen.

Bewapening

De hoofdbewapening bestond uit vier QF 4,7-inch (120 mm) Mk IX kanonnen in enkelvoudige opstellingen, met een elevatie tot 55 graden. Voor luchtafweer werd één Hazemayer-gestabiliseerde dubbele 40 mm Bofors geplaatst en vier dubbele 20 mm Oerlikon-kanonnen.

Torpedobewapening omvatte twee viervoudige 533 mm lanceerinrichtingen, gebaseerd op aangepaste vijflingsopstellingen. Voor onderzeebootbestrijding waren er vier dieptebomwerpers, twee rekken en in totaal 70 dieptebommen.

In 1945 werden vijf enkelvoudige 40 mm Bofors toegevoegd, waaronder vier gemotoriseerde “Boffin”-opstellingen ter vervanging van de dubbele Oerlikons.

Bepantsering

HMS Grenville had geen pantserplaten op de romp of vitale delen. Bescherming werd voornamelijk geboden door snelheid en wendbaarheid. Beperkte bepantsering bevond zich rond de kanonopstellingen en de commandotoren.

Sensoren en dataverwerking

HMS Grenville was uitgerust met een detectie- en vuurleidingspakket dat voor de periode 1943–1945 modern was en een groot deel van haar gevechtskracht bepaalde.

Het schip beschikte over:

  • Type 291-luchtwaarschuwingsradar op de voorste mast, voor vroege detectie van vijandelijke vliegtuigen.
  • HF/DF-installatie (High Frequency Direction Finding) voor het opsporen en peilen van vijandelijke radio-uitzendingen, essentieel voor onderzeebootbestrijding.
  • Type 285-vuurleidingsradar, gekoppeld aan de hooghoekrichtmiddelen voor het volgen van luchtdoelen en berekening van schietoplossingen.
  • Type 282-radar geïntegreerd in de Hazemayer-gestabiliseerde dubbele 40 mm Bofors-opstelling voor nauwkeurige nabijverdediging.
  • ASDIC Type 144Q/147B voor het detecteren en volgen van onderzeeboten.

De vuurleiding werd ondersteund door de Fuze Keeping Clock High Angle Fire Control Computer (HA FKC), een elektromechanisch systeem dat automatisch het ontstekingstijdstip van luchtafweergranaten berekende op basis van afstand, koers en snelheid van het doel.

Gevechtsleiding en AIC-functie

Tijdens de Tweede Wereldoorlog beschikte Grenville niet over een officieel, volwaardig Action Information Centre (AIC) zoals dat in de Koude Oorlog werd toegepast. De centrale gevechtsleiding vond plaats in de radarplotruimte, aangevuld door de vuurleidingsposten. Hier werden radargegevens, HF/DF-peilingen en ASDIC-informatie handmatig samengevoegd op plotkaarten en direct via interne communicatie doorgegeven aan de brug en de geschutcommandoposten.

De radarplotruimte fungeerde daarmee feitelijk als het tactische centrum — een AIC in vereenvoudigde vorm — en was doorslaggevend voor de reactietijd, precisie en algehele gevechtskracht van het schip. De aanwezige ASDIC-apparatuur voldeed in 1943–1945 aan de toenmalige eisen voor onderzeebootbestrijding, maar was beperkter dan de geïntegreerde sonaroplossingen van latere jaren.

Modernisering na de oorlog

Tijdens de latere aanpassingen werd de oorspronkelijke tripodmast vervangen door een latticemast, geschikt voor zwaardere radars. Na de ombouw tot Type 15 fregat (1953–1954) kreeg Grenville een volwaardig, geïntegreerd AIC met gescheiden werkstations voor radar-, sonar- en communicatiepersoneel, evenals Type 170- en Type 172-sonars voor geavanceerde onderzeebootbestrijding.

Modificaties

In 1945 kreeg HMS Grenville een verbeterde luchtafweeruitrusting. Vier dubbele 20 mm Oerlikon-kanonnen werden vervangen door vier gemotoriseerde “Boffin”-opstellingen, elk voorzien van een enkel 40 mm Bofors-kanon. Daarnaast werd een extra enkelvoudig 40 mm Bofors-kanon toegevoegd in de positie van de zoeklichten.

De oorspronkelijke tripodmast werd vervangen door een latticemast, waardoor zwaardere radarsystemen konden worden geplaatst.

Tussen 1953 en 1954 vond een ingrijpende ombouw plaats tot Type 15 fregat, bedoeld voor onderzeebootbestrijding. De opbouw werd vernieuwd, de hoofdbewapening werd teruggebracht tot één dubbele 4-inch opstelling, en er werden twee Limbo-mortieren geïnstalleerd.

De sensoren werden gemoderniseerd met Type 170- en Type 172-sonars en nieuwe radars, waardoor het schip voldeed aan de eisen van de Koude Oorlog.

Status schip tijdens de oorlog

Tijdens de Tweede Wereldoorlog was HMS Grenville operationeel als flotilleleider. Het schip beschikte over moderne radar- en vuurleidingssystemen voor die periode, waaronder de Fuze Keeping Clock HA Fire Control Computer.

De technische staat bleef gedurende de oorlog goed, mede dankzij regelmatig onderhoud en refits in Britse werven. Dit garandeerde inzetbaarheid bij uiteenlopende operaties, van kustpatrouilles tot oceaanescortes.

De bewapening, sensoren en de geïntegreerde gevechtsleiding vanuit radarplot en vuurleidingsposten maakten het schip effectief in zowel luchtafweer- als oppervlakteslagen.

Operationele geschiedenis

In juli 1943 nam Grenville deel aan afleidingsoperaties in de Noordelijke wateren, bedoeld om Duitse troepen te misleiden voorafgaand aan de landing op Sicilië.

In augustus 1943 opereerde het samen met HMCS Athabaskan en de 1st Support Group bij anti-onderzeebootpatrouilles in de Golf van Biskaje. Tijdens een Duitse luchtaanval met Henschel Hs 293 geleide bommen werd HMS Egret tot zinken gebracht. Grenville wist dankzij manoeuvres treffers te vermijden.

In oktober 1943 nam het deel aan Operation Tunnel, blokkadeacties tegen de Franse kust. Het liep lichte schade op tijdens een gevecht met Duitse torpedoboten. Later die maand was het betrokken bij een mislukte onderscheppingsactie waarbij HMS Charybdis en HMS Limbourne verloren gingen.

Vanaf november 1943 diende Grenville in de Middellandse Zee. In januari 1944 ondersteunde het de landingen bij Anzio. In mei 1944 keerde het terug naar Groot-Brittannië en nam deel aan de invasie van Normandië als onderdeel van Force K bij Gold Beach.

Eind 1944 werd het naar de Indische Oceaan gestuurd. In januari 1945 sloot het zich aan bij de British Pacific Fleet en escorteerde vliegdekschepen tijdens luchtaanvallen op Sumatra, Okinawa en de Japanse hoofdeilanden.

Na de Japanse capitulatie bleef het actief in de regio tot begin 1946, onder andere als relaisstation voor Australische radioprogramma’s.

Na de oorlog

Na terugkeer in Groot-Brittannië in 1946 werd HMS Grenville in reserve geplaatst. In 1951 werd het schip opnieuw in dienst genomen bij de Plymouth Local Flotilla en ingezet als doelwitvaartuig voor vliegtraining.

In oktober 1951 kwam het in aanvaring met het Italiaanse schip Alceo bij Start Point, Devon. Hierbij kwamen drie bemanningsleden om het leven en werden vier vermist. Na reparaties werd het schip op 5 augustus 1952 opnieuw in dienst gesteld.

Tussen 1953 en 1954 werd Grenville omgebouwd tot Type 15 fregat. Daarna diende het als leider van de 2nd Training Squadron in Portland. In 1957 werd een experimenteel helikopterdek geïnstalleerd voor tests met de Fairey Ultra-light Helicopter.

Het schip werd in 1958 ingedeeld bij de 5th Frigate Squadron en lag van 1960 tot 1964 in reserve te Gibraltar. In 1966 keerde het terug naar Portsmouth voor de installatie van een derde mast met experimentele luchtzoekradar voor toekomstige vliegdekschepen van de Invincible-klasse.

Van 1969 tot 1970 diende Grenville bij de 2nd Frigate Squadron en werd gebruikt als proefschip door het Admiralty Surface Weapons Establishment. Het werd in 1974 uit dienst genomen en in 1983 gesloopt op de rivier de Medway.

Conclusie

HMS Grenville was een voorbeeld van de aanpassings- en moderniseringscapaciteit van de Royal Navy tijdens en na de Tweede Wereldoorlog. Als U-klasse torpedobootjager combineerde het snelheid, veelzijdige bewapening en moderne sensoren voor escort- en offensieve taken.

Hoewel het schip tijdens de oorlog geen volwaardig Action Information Centre had, werd de gevechtsleiding effectief uitgevoerd vanuit de radarplot en vuurleidingsposten. De Type 15-ombouw in de jaren ’50 bracht het op het niveau van de Koude Oorlog, met een geïntegreerde AIC-structuur en geavanceerde sonar- en radarinstallaties.

De lange loopbaan van Grenville toont de flexibiliteit van het War Emergency Programme-ontwerp en de waarde van technische vernieuwing in marineschepen.

Bronnen en meer informatie

  1. Afbeelding: Royal Navy official photographer, Public domain, via Wikimedia Commons
  2. Colledge, J. J.; Wardlow, Ben & Bush, Steve (2020). Ships of the Royal Navy: The Complete Record of All Fighting Ships of the Royal Navy from the 15th Century to the Present (5th ed.). Barnsley, UK: Seaforth Publishing. ISBN 978-1-5267-9327-0.
  3. English, John (2008). Obdurate to Daring: British Fleet Destroyers 1941–45. Windsor, UK: World Ship Society. ISBN 978-0-9560769-0-8.
  4. Friedman, Norman (2008). British Destroyers & Frigates: The Second World War and After. Barnsley, UK: Seaforth Publishing. ISBN 978-1-84832-015-4.
  5. Gardiner, Robert; Chesneau, Roger, eds. (1980). Conway’s All The World’s Fighting Ships 1922–1946. London: Conway Maritime Press. ISBN 0-85177-146-7.
  6. Gardiner, Robert; Chumbley, Stephen, eds. (1995). Conway’s All The World’s Fighting Ships 1947–1995. Annapolis, Maryland, USA: Naval Institute Press. ISBN 1-55750-132-7.
  7. Hill, Roger (1975). Destroyer Captain. London: Kimber. ISBN 0718300947.
  8. Lenton, H.T. (1970). Navies of the Second World War: British Fleet & Escort Destroyers Volume Two. London: Macdonald & Co. ISBN 0-356-03122-5.
  9. Marriott, Leo (1983). Royal Navy Frigates 1945–1983. Shepperton, UK: Ian Allan. ISBN 0-7110-1322-5.
  10. Marriott, Leo (1989). Royal Navy Destroyers since 1945. Ian Allan. ISBN 0-7110-1817-0.
  11. Raven, Alan; Roberts, John (1978). War Built Destroyers O to Z Classes. London: Bivouac Books. ISBN 0-85680-010-4.
  12. Richardson, Ian (August 2021). Osborne, Richard (ed.). “Type 15 Frigates, Part 2: Ship Histories”. Warships: Marine News Supplement. 75 (8): 381–391. ISSN 0966-6958.
  13. Whitley, M. J. (1988). Destroyers of World War Two: An International Encyclopedia. Annapolis, Maryland: Naval Institute Press. ISBN 0-87021-326-1.
  14. Whitley, M. J. (2000). Destroyers of World War 2: An International Encyclopedia. London: Cassell & Co. ISBN 1-85409-521-8.
  15. Bronnen voor historisch onderzoek 1800–1946