
USS Belleau Wood (CVL-24) was een Independence-klasse lichte vliegdekschip van de United States Navy. Het schip kwam in 1943 in dienst, opereerde in de centrale en westelijke Stille Oceaan en nam deel aan onder meer de Gilbert- en Marshalleilanden, de Marianen en Palau, de Filipijnen, Iwo Jima en operaties tegen de Japanse thuiseilanden. De eenheid werd gebouwd op de romp van een omgebouwde Cleveland-klasse lichte kruiser en droeg een mix van jagers en torpedobommenwerpers voor luchtverdediging, verkenning en aanval. Na 1945 volgden Magic Carpet-repatriëringen en reservelegging; in 1953 ging het schip op leenbasis over naar Frankrijk als Bois Belleau en keerde in 1960 terug voor sloop.
Ontwerp en constructie
De Independence-klasse ontstond uit het besluit (1942) om lopende Cleveland-klasse kruisers om te bouwen tot lichte carriers om de luchtvaartcapaciteit te versnellen. Belleau Wood werd als CL-76 New Haven gelegd op 11 augustus 1941 bij New York Shipbuilding, in februari 1942 aangewezen voor conversie en op 31 maart 1943 als CVL-24 in dienst gesteld. De naam verwijst naar de Slag bij Belleau Wood (1918).
Afmetingen en waterverplaatsing weerspiegelen het kruiserfundament: lengte 622 ft 6 in (189,7 m) over alles, waterlijn 600 ft (182,9 m), breedte romp 71 ft 6 in (21,8 m), over sponsons en vliegdek 109 ft 2 in (33,3 m), diepgang circa 26 ft. De standaardverplaatsing bedroeg ongeveer 11.000 ton; ontwerpvolgeladen waarden lagen rond 14.220–15.100 ton. De voortstuwing bestond uit vier General Electric-stoomturbines op vier schroefassen, gevoed door vier oliegestookte Babcock & Wilcox-ketels (ca. 565 psi), goed voor circa 100.000 shp en een maximumsnelheid van ongeveer 31,5 knopen. Het bereik was circa 13.000 zeemijlen bij 15 knopen.
De romp kreeg een compact eiland aan stuurboord, een vliegdek van circa 552 ft (168 m) en twee liften. De conversie behield de kruiser-achtige snelheid en manoeuvreerbaarheid, maar verving zware artillerie door luchtafweer en luchtgroepfaciliteiten (hangar, magazijnen, vliegtuigbrandstof, munitie- en onderhoudsruimten). Inrichting en dekindeling waren gestandaardiseerd binnen de klasse om onderhoud, logistiek en training te vereenvoudigen. Specificaties volgen de scheepsfiche en oorlogsdienstgegevens.
Bewapening
De luchtafweer omvatte Bofors 40 mm-kanonnen (configuraties met twee viervoudige, acht dubbele en aanvullende enkelvoudige opstellingen; totaal tot 26 loop), bestuurd door Mk 51-directors. Daarnaast stond een gordel van 20 mm Oerlikon-snelvuurkanonnen. De verdeling was langs de flanken van vlieg- en hangardek, met de zwaarste secties voor- en achterop voor kruishoek-dekking. Zware boordartillerie of torpobuizen ontbraken; de offensieve capaciteit lag primair bij de boordluchtvaart.
Bepantsering
Zoals gebruikelijk bij lichte carriers was structurele bescherming beperkt. De romp en vitale ruimten kenden voornamelijk constructieve stalen secties zonder volwaardig pantsergordel. Lokale bescherming bestond uit splinter- en brandwerende maatregelen rond munitie- en vliegtuigbrandstofopslag (magazines, AVGAS-leidingen) en fragmentatieschilden bij luchtafweeropstellingen. De overlevingskracht steunde op compartimentering, schadebeheersing en rook- en brandbestrijdingsinstallaties.
Vliegtuigen aan boord
Tijdens de oorlog bestond de operationele samenstelling doorgaans uit jagers en torpedobommenwerpers. Een typische samenstelling (oktober 1944) vermeldt 24 F6F Hellcat-jagers, 9 TBM Avenger-torpedobommenwerpers en soms 1 J2F Duck-utility amfibie. Eerder varianten omvatten ook duikbommenwerpers afhankelijk van taakgroep en periode. De luchtgroep voerde CAP (Combat Air Patrol), verkenning, anti-scheeps- en gronddoelaanvallen en escorte van slagvleugels vanuit de Fast Carrier Task Force uit.
Sensoren en dataverwerking
De USS Belleau Wood (CVL-24) was uitgerust met een SK-radar voor luchtwaarneming, een SG-radar voor oppervlakteschepen en een YE/ZB-radio-baken voor vliegtuignavigatie. Deze radars, zichtbaar op de mast, verbeterden detectie en coördinatie tijdens operaties. Ze boden vroege waarschuwing tegen aanvallen en vergemakkelijkten veilige terugkeer van vliegtuigen.
Belleau Wood beschikte in oorlogstijd over luchtwaarschuwings- en vuurleidingradars die in korte intervallen werden gemoderniseerd, conform de standaard van de US Navy voor snelle carriers. In de beginuitrusting was SC-radar aanwezig als luchtwaarschuwingssensor met middellange golflengte, geschikt voor detectie van inkomende formaties op aanzienlijke afstand. Deze set gaf vroegtijdige koers- en afstandsinformatie door aan de gevechtsleiding en aan jachtleiding (fighter direction). Naarmate de campagne vorderde, werden op schepen van dit type aanvullingen of upgrades ingevoerd met kortere-golflengte oppervlaktezoek- en doelradars (zoals SG-familie) voor betere resolutie bij nacht of slechte zichtcondities, en verbeterde luchtdoelvoorwaarschuwing met latere generaties air-search (de precieze variant en kalenderdata per individuele eenheid varieerden per werfbeurt en taakgroepbeschikbaarheid).
Voor vuurleiding van de 40 mm-batterij werden optische richtmiddelen gecombineerd met Mk 51-directors; deze apparaten boden gestabiliseerde viziering en afstandsinformatie en konden, wanneer beschikbaar, met radarhoogtemeters en peilgegevens worden gevoed voor verbeterde oplossing tegen snelle duik- en laagvliegende doelen. De 20 mm-opstellingen bleven optisch gericht.
Belangrijk voor de gevechtskracht was de aanwezigheid van een Combat Information Center (CIC). De US Navy voerde vanaf 1942–1943 op carriers en escorte-eenheden een CIC in als centrale dataknooppunt voor sensor- en rapportagestromen. Belleau Wood opereerde in 1943–1945 binnen Task Force 58/38 met intensieve fighter direction; dat vereiste een Air Plot/Air Defense-functie met radarplotters, TBS/TBL-spraakradio, IFF-interrogatie (Identification Friend or Foe) en gecombineerde weergave van luchtsporen, zeecontacten en CAP-posities. Het CIC coördineerde CAP-rotaties, onderscheppingsvectoren en gevechtsluchtpatrouilles boven invasievloten, alsook strike-recovery vensters en noodlandingen. Data-management was cyclisch: detectie (air-search), correlatie (plotting boards), besluitvorming (fighter director officer, FDO), en distributie via spraaknetten naar jagersecties, luchtafweerbatterijen en brug/flag plot.
Voor situational awareness gebruikte het schip peilontvangers, verrekijkers, signaleringslampen en nachtverlichting volgens vaste dek- en radiostilteprocedures. De integratie van SC-radar (en latere varianten), IFF en de processen binnen het Combat Information Center verhoogde de reactietijd tegen luchtaanvallen en ondersteunde een nauwkeurige jachtleiding en veilige terugkeeroperaties binnen de complexe samenwerking van meerdere carriers.
Modificaties
Tijdens onderhoudsperiodes in 1944–1945 werden op Belleau Wood extra 40 mm-opstellingen en verbeterde vuurleidingsdirectors geplaatst, werden vliegdek- en hangarfaciliteiten aangepast voor het toenemende gebruik van raketbewapening door jagers/torpedobommenwerpers, en vonden moderniseringen in communicatie- en radarinstallaties plaats. Na een kamikaze-treffer (30 oktober 1944) volgden omvangrijke herstel- en verbeteringswerkzaamheden aan vliegdek, brandblusvoorzieningen en munitie-/brandstof-scheidingen voorafgaand aan de terugkeer naar de vloot begin 1945.
Status schip tijdens de oorlog
De eenheid was technisch actueel bij indienststelling in 1943 dankzij de kruiserbasis met hoge snelheid en de invoering van CIC-gestuurde luchtverdediging. Gedurende 1943–1945 onderging het schip niveau-onderhoud en tussentijdse updates van luchtafweer, communicatie en vliegdekuitrusting. De lichte carrier-configuratie bleef geschikt voor CAP-centrische taken, snelle raids en ondersteuningsmissies, maar had, vergeleken met vlootcarriers, beperktere luchtgroepomvang en doorzettingsvermogen. Na beschadiging door een kamikaze in oktober 1944 werd de operationele inzet tijdelijk onderbroken; na herstel was de eenheid opnieuw inzetbaar in de Iwo Jima- en Okinawa-fase en in slotoperaties tegen Japan.
Operationele geschiedenis
Atlantic-fase, training en overgang naar de Pacific (1943)
Na indienststelling op 31 maart 1943 volgden beproevingen in de Caraïben en aanpassingen, waarna de carrier in juli via Panama naar Pearl Harbor verplaatste. De eerste operationele inzet betrof de dekking van Baker Island (augustus–september), gevolgd door voorbereidende aanvallen op de Gilbert-eilanden en een raid op Wake (september–oktober). In november 1943 sloot Belleau Wood zich aan bij Task Group 50 voor de landingen op Makin en Tarawa, met CAP-taken en ondersteuning tegen Japanse luchtbases op de Marshalls. Een Japanse torpedoaanval raakte een zusterformatie; Belleau Wood ontweek op geringe afstand en bleef inzetbaar.
Marshall-eilanden, Truk en de Marianen (januari–juni 1944)
Tijdens Operatie Flintlock (januari–februari 1944) leverde de carrier CAP en gerichte strikes op Kwajalein, Wotje en Maloelap; verliezen werden door vervangingen opgevangen. In februari nam de eenheid via Task Force 58 deel aan Operatie Hailstone tegen Truk, gevolgd door aanvallen op Saipan en Tinian. In februari werd het schip zelf doelwit van bomaanvallen die door boord-LAA en CAP werden afgedaan. In juni 1944 keerde Belleau Wood terug in de Marianen; fighter sweeps boven Guam en Tinian bereidden de landingen voor.
Slag in de Filipijnenzee en nazorg (juni 1944)
Op 19–20 juni 1944 leverde Belleau Wood CAP-jagers en strike-elementen tijdens de Slag in de Filipijnenzee. De gecombineerde carriers vernietigden een groot deel van de Japanse carrierluchtvaart; vliegtuigen van Belleau Wood en andere carriers droegen bij aan het tot zinken brengen van de Japanse carrier Hiyō. Nachtelijke recoveries vereisten cross-deck landingen; daarna volgde een korte werfperiode op Hawaï voor aanpassingen, waaronder opslag voor raketmunitie.
Palau, Mindanao en voorbereiding Filipijnen (augustus–oktober 1944)
In augustus–september 1944 ondersteunde het schip aanvallen op de Palau-eilanden, reconden raids in de Visayas en Mindanao, en voerde CAP-taken uit tegen verspreide Japanse luchtactiviteiten. Jagersecties vernietigden meerdere vijandelijke toestellen in de omgeving van Cebu en Negros. De taakgroep dekte tevens de landing op Morotai en verstoorde toevoerlijnen naar de Filipijnen.
Leyte, kamikaze-aanvallen en herstel (oktober–november 1944)
Rond de landing op Leyte (20 oktober) vloog Belleau Wood CAP en strikes rond Manila Bay en Aparri. Tijdens de daaropvolgende Slag bij Leyte-Gulf leverde de carrier verkenning en aanvalselementen; Avenger-secties hielpen bij het uitschakelen van de lichte kruiser Tama tijdens Cape Engaño. Op 30 oktober trof een kamikaze Belleau Wood: branden en detonaties op het vliegdek eisten veel slachtoffers en legden vliegoperaties stil. Na noodreparaties in Ulithi vertrok het schip naar de Westkust voor volledige herstelwerkzaamheden en versterking van luchtafweer.
Iwo Jima, Kyushu-raids en Okinawa (februari–juni 1945)
Begin 1945 keerde Belleau Wood terug bij TF58. In februari namen de carriers deel aan luchtaanvallen tegen de regio Tokyo als afleidings- en onderdrukkingsacties, gevolgd door directe ondersteuning van de landingen op Iwo Jima (19 februari). In maart werden raids op Kyushu en scheepsdoelen rond Kure/Kobe gevlogen om de Japanse luchtmacht te verzwakken voorafgaand aan Okinawa. Vanaf 1 april leverde de carrier CAP en close air support boven Okinawa en nam deel aan de luchtaanval die leidde tot het tot zinken brengen van Yamato’s escorte, terwijl de eigen luchtafweer meerdere inkomende toestellen afwees.
Slotoperaties tegen Japan en naoorlogse taken (juli 1945–januari 1946)
Na een rust- en oefenperiode in de Filipijnen hervatte de carrier in juli operaties tegen Hokkaido en Honshu, met aanvallen op scheepvaart, vliegvelden en marinebases (waaronder Kurë). Fighter-secties claimden diverse vijandelijke toestellen in de regio Yōkaichi. In augustus verstoorden strikes plannen voor langeafstandsbombardementen vanuit noordelijk Honshu; op 15 augustus eindigden de gevechtsmissies. Vervolgens voerde Belleau Wood verkennings- en bevoorradingsvluchten uit boven Japan, nam deel aan Operation Magic Carpet met drie repatriëringsreizen, en werd in januari 1947 in reserve geplaatst.
Na de oorlog
Op 5 september 1953 werd het schip als militaire hulp aan de Franse Marine afgestaan en herdoopt tot Bois Belleau. Na reactivatie en herstel van ketelproblemen voer de carrier naar Zuidoost-Azië; in april 1954 bereikte zij de regio tijdens de slotfase van de Eerste Indochina-oorlog. Tot in november 1955 ondersteunde het schip operaties in de Golf van Tonkin. In juni 1957 vertegenwoordigde Bois Belleau Frankrijk bij een internationale vlootschouw in Hampton Roads. Begin september 1960 keerde het schip terug naar de Verenigde Staten; op 1 oktober 1960 werd het van de Naval Vessel Register geschrapt en op 21 november verkocht voor sloop.
Conclusie
Belleau Wood combineerde de snelheid en compactheid van een omgebouwde kruiser met een functionele luchtgroep en een CIC-gestuurde gevechtsleiding. De aanwezigheid van luchtwaarschuwingsradar (SC) en een volwaardig Combat Information Center vanaf 1943 plaatste het schip binnen de toenmalige operationele norm. De eenheid vervulde in 1943–1945 kerntaken in luchtverdediging, slagvleugelondersteuning en amfibische dekking binnen de Fast Carrier Task Force. In de beoordeling van WO2-schepen geldt: afwezigheid van CIC of equivalente Air Information Center-capaciteit na 1943 duidde op veroudering; Belleau Wood voldeed aan de vereisten en bleef inzetbaar tot aan de slotoperaties en in naoorlogse taken.
Bronnen en meer informatie
- Afbeelding: Naval History & Heritage Command , Public domain, via Wikimedia Commons
Clayton, Anthony (2014). Three Republics One Navy: A Naval History of France 1870–1999. Solihull: Helion & Co. ISBN 9781909982994.
Friedman, Norman (1980). United States of America. In: Conway’s All the World’s Fighting Ships 1922–1946. Annapolis: Naval Institute Press. ISBN 978-0-87021-913-9.
Friedman, Norman (1983). U.S. Aircraft Carriers: An Illustrated Design History. Annapolis: Naval Institute Press. ISBN 0-87021-739-9.
Polmar, Norman (2008). Aircraft Carriers: Vol. 2: A History of Carrier Aviation and Its Influence on World Events, 1946–2006. Dulles: Potomac Books. ISBN 9781574886658.
Rohwer, Jürgen (2005). Chronology of the War at Sea, 1939–1945: The Naval History of World War Two. Annapolis: Naval Institute Press. ISBN 978-1-59114-119-8.
Smith, Michael C. (2002). U.S. Light Carriers in Action. Carrollton: Squadron/Signal Publications. ISBN 0-89747-437-6.
Smith, Peter C. (2014). Kamikaze: To Die for the Emperor. Barnsley: Pen & Sword Books Ltd. ISBN 9781781593134.
Aircraft Carriers of the United States Navy 1922–1947 (1999). Marrickville, NSW: Topmill Pty. ISBN 1-876270-63-2.
Ewing, Steve (1984). American Cruisers of World War II: A Pictorial Encyclopedia. Missoula, MT: Pictorial Histories Publishing. ISBN 0-933126-51-4.
Stille, Mark; Bryan, Tony (2007). US Navy Aircraft Carriers 1942–45: WWII-built ships. Oxford: Osprey. ISBN 1-84603-037-4.
Moulin, Jean (2020). Tous les porte-aéronefs en France: de 1912 à nos jours. Le Vigen: Lela Presse. ISBN 978-2-37468-035-4.









