Home Schepen Torpedobootjagers Quintino Sella Italiaanse torpedobootjager (1926–1943)

Quintino Sella Italiaanse torpedobootjager (1926–1943)

Italiaanse torpedobootjager Quintino Sella voor anker voor de kust, zichtbaar vanaf stuurboordzijde in rustige zee.
De Italiaanse torpedobootjager Quintino Sella ligt voor anker nabij de kust, vermoedelijk tijdens vredestijd in de jaren 1930.

De Quintino Sella was een torpedobootjager van de Regia Marina en het eerste schip van de vier eenheden tellende Sella-klasse. Ze werd gebouwd in de jaren 1920 en diende vanaf 1926 in de Italiaanse marine. Tijdens de Tweede Wereldoorlog maakte ze diverse operaties mee tot haar ondergang in 1943. De Sella werd ontworpen in een periode van herbewapening en maritieme modernisering en weerspiegelde de technologische overgang van de Italiaanse torpedobootjagers tussen de twee wereldoorlogen.

Ontwerp en constructie

De Sella-klasse was een verbeterde versie van de voorgaande Palestro- en Curtatone-klassen. De schepen werden ontworpen met het oog op hogere snelheid, verbeterde artillerie en een grotere actieradius. De Quintino Sella werd gebouwd op de scheepswerf van Pattinson in Napels. De kiellegging vond plaats op 12 oktober 1922, de tewaterlating op 25 april 1925 en de indienststelling op 25 maart 1926.

Het schip had een totale lengte van 84,9 meter, een breedte van 8,6 meter en een gemiddelde diepgang van 2,7 meter. De standaardwaterverplaatsing bedroeg 970 ton, oplopend tot 1.480 ton bij maximale belading. De bemanning bestond uit 8 à 9 officieren en ongeveer 144 manschappen.

De voortstuwing bestond uit twee Parsons-reductieturbines, elk gekoppeld aan een schroefas. De benodigde stoom werd geleverd door drie Thornycroft-waterpijpketels. Deze configuratie leverde een totaal vermogen van 36.000 pk (27.000 kW), goed voor een dienstsnelheid van 33 knopen. Tijdens proefvaarten behaalde de Quintino Sella een snelheid van 37,3 knopen (69 km/u) bij lichte belading, aangedreven door 35.090 pk. De actieradius bedroeg 1.800 zeemijlen (3.300 km) bij een kruissnelheid van 14 knopen.

Bewapening

De primaire bewapening van de Quintino Sella bestond uit vier 120 mm-kanonnen. Hiervan waren er twee geplaatst in een dubbel geschutsopstelling achter de bovenbouw, terwijl de andere twee als enkelvoudige opstellingen dienden — één voor de brug en één midscheeps. Deze kanonnen konden doelen bestrijken op zowel zee- als luchtniveau, maar waren hoofdzakelijk ontworpen voor oppervlaktegevechten.

Voor luchtafweer was het schip uitgerust met twee 40 mm-kanonnen in enkele opstellingen midscheeps en twee 13,2 mm zware mitrailleurs. Daarnaast beschikte het schip over twee dubbelloops torpedolanceerinrichtingen midscheeps, geschikt voor 533 mm-torpedo’s. De mijnenlegcapaciteit bedroeg maximaal 32 zeemijnen, waarmee het schip een aanvullende rol kon spelen in kustverdediging of offensieve mijnenlegoperaties.

Bepansering

De Quintino Sella beschikte, zoals gebruikelijk voor torpedobootjagers uit die periode, niet over noemenswaardige bepantsering. De schepen vertrouwden op snelheid en wendbaarheid om vijandelijk vuur te vermijden, in plaats van op pantserbescherming. Enkel kritieke zones zoals de brug en machinekamers hadden enige mate van stalen versterking tegen granaatscherven en lichte wapens. Dit maakte de schepen kwetsbaar bij directe treffers, met name van luchtaanvallen en torpedo’s.

Sensoren en dataverwerking

Ten tijde van de ingebruikname in de jaren 1920 beschikte de Quintino Sella over elementaire optische uitkijk- en vuurleidingssystemen. Radar of sonar was in deze fase nog niet aanwezig. Communicatie verliep via semaforen, vlaggen en radiotelegrafie. Tijdens de Tweede Wereldoorlog bleef de technologische uitrusting beperkt; het schip werd niet gemoderniseerd met geavanceerde sensoren zoals radar, in tegenstelling tot sommige latere Italiaanse of geallieerde torpedobootjagers.

Modificaties

Gedurende haar actieve dienstcarrière onderging de Quintino Sella geen ingrijpende moderniseringen. Wel vonden er periodieke onderhoudsbeurten en kleine verbeteringen plaats, zoals vervanging van artilleriecomponenten, verfbeurten met camouflagepatronen en herkalibratie van vuurleidingssystemen. Er zijn geen aanwijzingen dat de luchtafweer of sensoren tijdens de oorlog fundamenteel werden aangepast.

Status schip tijdens de oorlog

Bij het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog was de Quintino Sella functioneel maar technisch verouderd. In vergelijking met moderne Britse, Duitse en Amerikaanse torpedobootjagers beschikte het schip over minder geavanceerde vuurkracht, lagere stabiliteit in ruw water en onvoldoende luchtafweer. De staat van onderhoud was redelijk, maar de algehele inzetbaarheid was beperkt tot escortetaken, mijnenlegging en verbindingsoperaties in relatief veilige sectoren. Desondanks bleef het schip operationeel tot september 1943.

Operationele geschiedenis

In de jaren tussen haar indienststelling in 1926 en het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog vervulde de Quintino Sella diverse taken binnen de Middellandse Zee. Ze werd ingezet bij oefeningen van de vloot, diplomatieke bezoeken en patrouillemissies. De rol van de torpedobootjager bleef in deze periode grotendeels beperkt tot vredestijdtaken.

Tijdens de Tweede Wereldoorlog werd het schip voornamelijk ingezet voor escorte- en begeleidingsmissies tussen het Italiaanse vasteland en bezette gebieden zoals Albanië en Griekenland. Door haar beperkte luchtafweer en relatief lichte bewapening werd ze niet voor frontale confrontaties ingezet, maar eerder als ondersteuningseenheid binnen konvooien.

In 1943, toen Italië onderhandelde over een wapenstilstand met de geallieerden, bevond de Quintino Sella zich in de Adriatische Zee. Na de wapenstilstandsverklaring op 8 september 1943, gaf het Italiaanse opperbevel bevel tot overgave aan de geallieerden. Schepen die nog operationeel waren, kregen de opdracht naar geallieerde havens te varen, zoals Taranto of Malta.

Ondergang in 1943

Op 11 september 1943 werd de Quintino Sella opgemerkt door Duitse Schnellboote (S-boats) tijdens Operatie Achse, de Duitse operatie om het vacuüm na de Italiaanse capitulatie op te vullen en de controle over Italiaanse gebieden en materieel over te nemen.

Omstreeks 17:45 uur, in de buurt van de Italiaanse kust op ongeveer 30 zeemijl ten zuiden van Venetië, werd de Quintino Sella getorpedeerd door S 54 (onder bevel van Oberleutnant zur See Klaus-Degenhard Schmidt) en S 61 (onder bevel van Oberleutnant zur See Axel von Gernet). Het schip bevond zich op weg naar Taranto om zich aan de Britten over te geven en had circa 300 Venetiaanse burgers aan boord, vermoedelijk geëvacueerd vanwege de militaire situatie.

De schade was fataal. Twee torpedo’s troffen het schip midscheeps, waardoor het binnen korte tijd kapseisde en zonk. Kapitein Corrado Cini raakte ernstig gewond en verloor later een been. Van de bemanning kwamen 27 opvarenden om het leven. Ook onder de burgers vielen dodelijke slachtoffers, hoewel exacte aantallen niet zijn overgeleverd.

Volgens latere rapporten gaven de Duitse commandanten opdracht om overlevenden te redden. De meeste bemanningsleden en passagiers werden overgebracht naar het Italiaanse vrachtschip Pontinia en naar het schip Leopardi. Andere overlevenden werden later gered door lokale vissersvaartuigen.

Na de oorlog

In 1956 werd een poging ondernomen om het wrak van de Quintino Sella te bergen, maar dit mislukte. Pas in 1972 werd het wrak opnieuw gelokaliseerd. De staat van het wrak bleek redelijk goed bewaard. Delen van het schip werden geborgen, voornamelijk met het oog op metaalrecycling. De rest van het wrak bleef op de zeebodem liggen.

Er zijn geen officiële herdenkingsplaatsen of monumenten specifiek gewijd aan de Quintino Sella, hoewel het schip voorkomt in de maritieme annalen van de Regia Marina en militaire archieven over de Italiaanse zeemacht in de Tweede Wereldoorlog.

Conclusie

De Quintino Sella vertegenwoordigde een overgangsfase in de Italiaanse torpedobootjagerontwikkeling. Als eerste schip van haar klasse werd ze gebouwd met het doel snelheid, veelzijdigheid en beperkte bewapening te combineren in een compact ontwerp. In vredestijd vervulde ze uiteenlopende taken, maar tijdens de Tweede Wereldoorlog werd haar inzet gekenmerkt door technologische achterstand en beperkte operationele waarde. De ondergang in 1943 onderstreepte de kwetsbaarheid van Italiaanse marineschepen tijdens de chaotische nasleep van de Italiaanse overgave. Hoewel haar tactische betekenis gering was, is de Quintino Sella een voorbeeld van de complexe overgang van nationale loyaliteiten en militaire realiteit in de Middellandse Zeeoorlogvoering van de jaren 1940.

Bronnen en meer informatie

  1. Afbeelding: An unknown serviceman of the Regia Marina, Public Domain, via Wiki commens 
  2. Brescia, Maurizio (2012). Mussolini’s Navy: A Reference Guide to the Regina Marina 1930–45. Annapolis, Maryland: Naval Institute Press. ISBN 978-1-59114-544-8.

  3. Fraccaroli, Aldo (1968). Italian Warships of World War II. Shepperton, UK: Ian Allan. ISBN 0-7110-0002-6.

  4. McMurtrie, Francis E., ed. (1937). Jane’s Fighting Ships 1937. London: Sampson Low. OCLC 927896922.

  5. O’Hara, Vincent P. (2009). Struggle for the Middle Sea: The Great Navies at War in the Mediterranean Theater, 1940–1945. Annapolis, Maryland: Naval Institute Press. ISBN 978-1-59114-648-3.

  6. Roberts, John (1980). “Italy”. In Chesneau, Roger (ed.). Conway’s All the World’s Fighting Ships 1922–1946. New York: Mayflower Books. pp. 280–317. ISBN 0-8317-0303-2.

  7. Rohwer, Jürgen (2005). Chronology of the War at Sea 1939–1945: The Naval History of World War Two (Third Revised ed.). Annapolis, Maryland: Naval Institute Press. ISBN 1-59114-119-2.

  8. Whitley, M. J. (1988). Destroyers of World War 2: An International Encyclopedia. Annapolis, Maryland: Naval Institute Press. ISBN 1-85409-521-8.

  9. Greene, Jack & Massignani, Alessandro (1998). The Naval War in the Mediterranean, 1940–1943. London: Chatham Publishing. ISBN 1-86176-057-4.

  10. Bronnen voor historisch onderzoek 1800–1946