De Farman MF.11 Shorthorn was een Franse tweezits dubbeldekker die vanaf 1914 werd gebruikt voor verkenning, artilleriewaarneming en lichte bombardementen. Het toestel, ontworpen door Maurice Farman, maakte zijn eerste vlucht in 1913. Frankrijk en Groot-Brittannië zetten het vroeg in de Eerste Wereldoorlog in. Later verschoof de inzet vooral naar opleiding en secundaire fronten.
Ontwerp en historie
De MF.11 werd ontworpen door Maurice Farman, de broer van luchtvaartpionier Henri Farman. Het toestel kwam voort uit eerdere ontwerpen van Farman en vormde een verdere ontwikkeling van de MF.7. De constructie bestond grotendeels uit hout, terwijl de vleugels met doek waren bespannen. De bovenste vleugel had een grotere spanwijdte dan de onderste. Deze bouwwijze was kenmerkend voor verschillende vroege militaire vliegtuigen, waarbij een laag gewicht en eenvoudige productie belangrijke uitgangspunten waren.
De bemanning bevond zich in een open gondel tussen de beide vleugels. Achter in deze gondel was de motor geplaatst, die een naar achteren gerichte propeller aandreef. Daarmee had de MF.11 een duwpropellerconfiguratie. Het voorste deel van het toestel bleef hierdoor vrij van een motor en propeller, waardoor een waarnemer een ruim zicht naar voren en opzij had. Voor verkenning en het bedienen van een machinegeweer bood deze indeling voordelen die bij een vliegtuig met een voorin geplaatste motor moeilijker te bereiken waren.
De MF.11 verschilde duidelijk van de oudere Maurice Farman MF.7. Bij de MF.7 bevond zich vóór de vleugels een horizontaal stuurvlak, gedragen door lange constructiedelen die aan de voorkant uitstaken. Hierdoor kreeg het type in Britse dienst de bijnaam Longhorn. Maurice Farman verwijderde deze constructie bij de MF.11 en plaatste de horizontale staartvlakken volledig achter de vleugels. De Britse bijnaam Shorthorn verwees naar het ontbreken van de lange vooruitstekende delen van zijn voorganger.
Het staartgedeelte van de MF.11 bestond uit een horizontaal stabilo en twee verticale richtingroeren. Deze onderdelen werden door een open raamwerk van houten staartbomen met de centrale constructie verbonden. Daardoor had het vliegtuig geen gesloten romp zoals latere militaire vliegtuigen. De combinatie van open staartbomen, een centrale bemanningsgondel en een duwpropeller was in de jaren vóór en tijdens het begin van de Eerste Wereldoorlog een veelgebruikte oplossing voor verkenningsvliegtuigen.
Bemanning en inrichting
De MF.11 had een bemanning van twee personen: een piloot en een waarnemer, die tevens als schutter kon optreden. Bij vroege toestellen zat de piloot vóór de waarnemer. Deze opstelling beperkte echter het schootsveld van de waarnemer wanneer een machinegeweer werd meegenomen. Bij latere uitvoeringen werden de plaatsen daarom omgewisseld. De waarnemer kwam voorin te zitten en kon van daaruit gemakkelijker naar voren en opzij waarnemen of een wapen bedienen.
Voor militaire verkenning kon de waarnemer een camera meenemen waarmee vijandelijke stellingen, wegen, spoorlijnen en andere terreinkenmerken vanuit de lucht werden vastgelegd. Daarnaast konden waarnemers informatie verzamelen over troepenbewegingen en artillerieposities. De MF.11 werd eveneens gebruikt voor artilleriewaarneming, waarbij vanuit de lucht werd vastgesteld waar granaten neerkwamen. De waarnemer kon vervolgens gegevens doorgeven waarmee het vuur van de eigen artillerie werd gecorrigeerd.
De open gondel bood weinig bescherming tegen weersomstandigheden en vijandelijk vuur. Pantsering ontbrak en de bemanning was sterk afhankelijk van de constructie en de motorprestaties van het toestel. Toch bood de ruime voorwaartse positie van de waarnemer een bruikbaar gezichtsveld. In een periode waarin luchtverkenning snel een vaste plaats kreeg binnen de oorlogsvoering, kon een stabiel tweezits vliegtuig hierdoor verschillende taken uitvoeren.
Motor en vliegconstructie
Een veel beschreven uitvoering van de MF.11 was voorzien van een Renault 8D, een luchtgekoelde V8-zuigermotor met een vermogen van ongeveer 75 kW, overeenkomend met 101 pk. De motor was achter de bemanningsplaatsen gemonteerd en dreef een vierbladige propeller met vaste spoed aan. Verschillende series en door andere fabrikanten gebouwde toestellen konden afwijkende motoren krijgen. Hierdoor komen in historische technische overzichten niet voor iedere MF.11 precies dezelfde motorgegevens voor.
De duwpropeller had invloed op de gehele constructie van het vliegtuig. Omdat de propeller achter de bemanningsgondel draaide, moest de staart met twee lange draagconstructies buiten de draaicirkel van de propeller worden geplaatst. Deze indeling leverde een herkenbaar open ontwerp op. Tegelijk bood zij voorwaarts vrij zicht, iets wat vooral bij verkenning en bewapening bruikbaar was. Het nadeel was dat motor en propeller achter de bemanning de luchtweerstand en gewichtsverdeling mede bepaalden.
Met een maximumsnelheid van ongeveer 106 km/u was de MF.11 naar latere maatstaven langzaam. Tijdens de eerste oorlogsjaren waren dergelijke snelheden voor tweezits verkenningsvliegtuigen echter niet uitzonderlijk. De maximale vliegduur van ongeveer drie uur en drie kwartier maakte langere verkenningsvluchten mogelijk. Het opgegeven plafond van ongeveer 3.800 meter bood voldoende hoogte voor veel waarnemingstaken, al veranderden de eisen snel naarmate sterkere vliegtuigmotoren en gespecialiseerde jachtvliegtuigen verschenen.
Militaire inzet vanaf 1914
De eerste MF.11-toestellen kwamen in 1914 beschikbaar, kort voor het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog. De Franse Aéronautique Militaire en Britse luchtvaartdiensten behoorden tot de vroege gebruikers. Groot-Brittannië beschikte op dat moment nog niet over de Royal Air Force, die pas in april 1918 werd opgericht. De MF.11 werd daarom onder meer gebruikt door het Royal Flying Corps en de Royal Naval Air Service.
Tijdens de eerste fase van de oorlog lag de nadruk vooral op verkenning. Legercommandanten ontdekten snel dat vliegtuigen informatie konden verzamelen die vanaf de grond moeilijk of niet beschikbaar was. Bemanningen konden wegen, spoorverbindingen, vijandelijke concentraties en verdedigingswerken waarnemen. Fotografie maakte het bovendien mogelijk om gegevens na terugkeer uitgebreider te bestuderen. Vliegtuigen zoals de MF.11 droegen daarmee bij aan de ontwikkeling van georganiseerde luchtverkenning.
De rol van het toestel werd vervolgens uitgebreid met lichte bombardementen. Kleine bommen konden in of aan het vliegtuig worden meegenomen en vanuit de lucht op militaire doelen worden afgeworpen. Een MF.11 van de Royal Naval Air Service werd op 21 december 1914 gebruikt bij een nachtelijke aanval op Duitse artillerie in de omgeving van Oostende. Deze operatie wordt beschreven als een van de eerste georganiseerde nachtelijke bombardementsvluchten van de oorlog.
De bewapening bleef naar latere maatstaven beperkt. Een waarnemer kon een machinegeweer gebruiken, terwijl daarnaast een lichte bommenlast kon worden meegenomen. De duwpropeller maakte het mogelijk om naar voren te schieten zonder door de propellercirkel te hoeven vuren. Dat was vóór de brede toepassing van gesynchroniseerde machinegeweren een praktisch voordeel. Het toestel bleef echter kwetsbaar voor aanvallen van snellere vijandelijke vliegtuigen, vooral wanneer deze van achteren naderden.
Veranderende luchtoorlog
De snelle ontwikkeling van militaire luchtvaart maakte de MF.11 binnen korte tijd minder geschikt voor frontdienst aan het Westelijk Front. In 1914 kon een vliegtuig nog verschillende functies tegelijk vervullen, maar vanaf 1915 ontstonden steeds duidelijker gespecialiseerde jachtvliegtuigen, bommenwerpers en verkenningstoestellen. Nieuwe vliegtuigen kregen krachtigere motoren, hogere snelheden en betere bewapening. Daardoor nam de kwetsbaarheid van langzame duwpropellervliegtuigen toe.
De komst van Duitse jachtvliegtuigen, waaronder de Fokker Eindecker, veranderde de omstandigheden verder. Een MF.11 kon door zijn lage snelheid moeilijk aan een sneller jachtvliegtuig ontsnappen. De schutter beschikte wel over mogelijkheden om zich te verdedigen, maar het open staartgedeelte en de achterwaarts geplaatste motor beperkten delen van het schootsveld. Hierdoor werden MF.11-toestellen vanaf 1915 geleidelijk uit de zwaarste operationele inzet aan het Westelijk Front teruggetrokken.
Dat betekende niet dat het type onmiddellijk uit militaire dienst verdween. Op fronten waar de luchttegenstand geringer was, konden oudere vliegtuigen langer bruikbaar blijven. Franse toestellen werden onder meer ingezet in Zuidoost-Europa en het Midden-Oosten. Britse eenheden gebruikten Farman-vliegtuigen eveneens in gebieden rond de Dardanellen, Afrika en Mesopotamië. De omstandigheden verschilden daar sterk van die aan het Westelijk Front, waardoor oudere typen langer konden worden ingezet.
Inzet buiten Frankrijk en Groot-Brittannië
De MF.11 werd ook door andere landen gebruikt en in enkele gevallen buiten Frankrijk gebouwd. Italië produceerde een verwante uitvoering in licentie via Società Italiana Aviazione, een onderneming die met Fiat was verbonden. Deze vliegtuigen werden onder meer als verkenner en lichte bommenwerper gebruikt. Italiaanse toestellen kregen afhankelijk van de uitvoering andere motoren en konden daardoor technisch afwijken van de Franse standaarduitvoering.
Ook de Australian Flying Corps gebruikte Maurice Farman Shorthorn-vliegtuigen. Australische vliegers werden vanaf 1915 ingezet in Mesopotamië, waar luchtvaart ondersteuning bood aan Britse en Brits-Indische grondtroepen. De vliegtuigen werden gebruikt voor verkenning en andere ondersteunende taken boven gebieden waar grote afstanden, hitte en beperkte technische voorzieningen de inzet bemoeilijkten. De MF.11 behoorde daarmee tot de vroege militaire vliegtuigen waarmee Australische luchtvaartmilitairen operationele ervaring opdeden.
Het toestel kwam daarnaast bij verschillende andere luchtvaartdiensten terecht. De verspreiding van Farman-ontwerpen hield verband met de positie van de Franse luchtvaartindustrie vóór en tijdens de Eerste Wereldoorlog. Franse fabrikanten behoorden in deze periode tot de grotere leveranciers van militaire vliegtuigen. Ontwerpen werden verkocht, geëxporteerd of in licentie vervaardigd, waardoor varianten van hetzelfde basistype onder verschillende nationale aanduidingen konden verschijnen.
Van frontdienst naar opleiding
Naarmate de MF.11 minder geschikt werd voor gevechtsoperaties, kreeg het toestel een tweede functie als lesvliegtuig. De relatief eenvoudige constructie en voorspelbare vliegeigenschappen maakten het bruikbaar voor de opleiding van nieuwe bemanningen. Leerlingen konden ervaring opdoen met starten, landen, navigeren en het beheersen van een groot tweedeksvliegtuig. Daarmee bleef een deel van de bestaande vloot bruikbaar nadat modernere typen de operationele taken hadden overgenomen.
De overgang naar training was kenmerkend voor de snelle technische ontwikkeling tijdens de Eerste Wereldoorlog. Een militair vliegtuig kon binnen enkele jaren van een modern fronttoestel veranderen in een type dat niet langer aan de eisen van de luchtstrijd voldeed. Voor vliegscholen betekende die veroudering echter niet dat het toestel waardeloos was. De MF.11 kon daarom nog worden gebruikt om personeel op te leiden zonder modernere operationele vliegtuigen daarvoor vrij te maken.
De Australian Flying Corps schafte in 1916 eveneens MF.11-toestellen voor opleidingsdoeleinden aan. Ook binnen Britse opleidingsorganisaties bleef het type enige tijd aanwezig. Bij Britse vliegers kwam daarnaast de informele bijnaam Rumpty of Rumpety voor. De oorspronkelijke bijnaam Shorthorn bleef echter de naam waarmee het toestel in veel latere historische publicaties werd onderscheiden van de oudere MF.7 Longhorn.
Specificaties
De technische gegevens van de MF.11 konden per productieserie, motor en nationale uitvoering verschillen. De onderstaande waarden hebben betrekking op een veel beschreven uitvoering met Renault 8D-motor.
- Type: Farman MF.11 Shorthorn
- Fabrikant: Farman
- Ontwerper: Maurice Farman
- Rol: verkenningsvliegtuig, artilleriewaarnemer, lichte bommenwerper en later lesvliegtuig
- Bemanning: 2
- Eerste vlucht: 1913
- Ingebruikname: 1914
- Lengte: 9,45 meter
- Spanwijdte: 16,15 meter
- Hoogte: 3,18 meter
- Vleugeloppervlak: ongeveer 57 m²
- Leeggewicht: ongeveer 550 kg
- Maximaal gewicht: ongeveer 928 kg
- Motor: 1 × Renault 8D V8, luchtgekoeld
- Motorvermogen: ongeveer 75 kW, 101 pk
- Propeller: vierbladige duwpropeller met vaste spoed
De prestaties weerspiegelden de stand van de luchtvaarttechniek rond het begin van de Eerste Wereldoorlog. Het toestel was gebouwd voor waarneming en ondersteunende taken en niet voor snelle luchtgevechten. De lange vliegduur was voor verkenning belangrijker dan een hoge topsnelheid. Naarmate de oorlog voortduurde, werden snelheid, stijgvermogen en bewapening echter steeds belangrijker voor de overlevingskansen van militaire vliegtuigen.
- Maximumsnelheid: ongeveer 106 km/u
- Maximale vliegduur: ongeveer 3 uur en 45 minuten
- Plafond: ongeveer 3.800 meter
De bewapening verschilde naar gebruiker en uitvoering. Een veelgenoemde configuratie bestond uit één machinegeweer voor de waarnemer en een lichte bommenlast. Naslagwerken geven voor een bepaalde standaarduitvoering een machinegeweer van 7,62 mm en achttien bommen van ongeveer 7,3 kg op. Daarmee bedroeg de totale opgegeven bommenlast ongeveer 131 kg.
- Machinegeweer: 1 × 7,62 mm in de opgegeven configuratie
- Bommen: maximaal 18 × ongeveer 7,3 kg
- Totale opgegeven bommenlast: ongeveer 131 kg
Plaats binnen de vroege militaire luchtvaart
De MF.11 behoorde tot een generatie vliegtuigen waarin de militaire toepassing van luchtvaart nog sterk in ontwikkeling was. Vooroorlogse ontwerpen zoals de Farman III hadden aangetoond dat dubbeldekkers geschikt waren voor langere vluchten en gecontroleerde manoeuvres. Tijdens de oorlog werden deze technische uitgangspunten aangepast aan militaire eisen. De MF.11 combineerde daardoor kenmerken van vooroorlogse Farman-vliegtuigen met voorzieningen voor waarneming, bewapening en het meenemen van bommen.
Andere vliegtuigen vervulden in dezelfde periode vergelijkbare taken. De Farman HF.20 was eveneens een Frans militair dubbeldekkerontwerp dat voor verkenning en ondersteuning werd gebruikt. De Caudron G.3 vervulde eveneens verkennings- en opleidingstaken en werd door verschillende landen ingezet. Deze toestellen laten zien hoe meerdere Franse fabrikanten tijdens de eerste oorlogsjaren vergelijkbare antwoorden ontwikkelden op de behoefte aan luchtverkenning en militaire ondersteuning.
De overgang van de MF.7 naar de MF.11 laat bovendien zien hoe snel vliegtuigontwerpen vóór 1914 veranderden. Het verwijderen van het voorste horizontale stuurvlak vereenvoudigde het silhouet en bracht de bestuurbare staart volledig achter de vleugels. De verplaatsing van de waarnemer naar de voorste positie verbeterde vervolgens het zicht en het gebruik van een machinegeweer. Daarmee werd het ontwerp aangepast aan ervaringen die tijdens operationeel gebruik werden opgedaan.
Conclusie
De Farman MF.11 Shorthorn was een Frans militair vliegtuig uit de overgangsperiode tussen de vooroorlogse luchtvaart en de georganiseerde luchtoorlog van 1914–1918. Het toestel werd ontworpen door Maurice Farman en vanaf 1914 gebruikt voor verkenning, artilleriewaarneming en lichte bombardementen. De duwpropeller, open bemanningsgondel en achter de vleugels geplaatste staart onderscheidden het toestel van de eerdere MF.7 Longhorn.
De MF.11 werd aanvankelijk ingezet door Franse en Britse luchtvaartdiensten en verscheen later ook bij andere gebruikers. Toen snellere en beter bewapende vliegtuigen beschikbaar kwamen, nam zijn geschiktheid voor frontdienst af. Het type bleef vervolgens bruikbaar op andere fronten en als lesvliegtuig. Daarmee weerspiegelt de loopbaan van de MF.11 de snelle technische ontwikkeling van de militaire luchtvaart tijdens de Eerste Wereldoorlog.
Bronnen en meer informatie
- Afbeelding: Српски / srpski: oficijelni fotograf Vojske Kraljevine Srbije, Public domain, via Wikimedia Commons
- Taylor, Michael J. H. (1989). Jane’s Encyclopedia of Aviation. New York: Portland House. ISBN 978-0-517-69186-1.
- Jackson, Robert (2002). The Encyclopedia of Military Aircraft. Bath: Parragon. ISBN 978-0-7525-8130-9.
- Bruce, J. M. (1982). The Aeroplanes of the Royal Flying Corps (Military Wing). London: Putnam. ISBN 0-370-30084-X.
- Kennett, Lee B. (1991). The First Air War, 1914–1918. New York: Free Press. ISBN 0-02-917301-9.
- Thetford, Owen (1994). British Naval Aircraft Since 1912. London: Putnam Aeronautical Books. ISBN 0-85177-861-5.
- Bronnen voor historisch onderzoek 1800–1946










