Otto Wöhler en zijn rol in de Tweede Wereldoorlog

Otto Wöhler (12 juli 1894 – 5 februari 1987) was een Duitse militair die tijdens de Tweede Wereldoorlog opklom tot het bevel over legerkorpsen en legereenheden binnen de Wehrmacht. Gedurende zijn carrière was hij onder meer actief als stafchef van het 11e Leger en later van Heeresgruppe Mitte. Na de oorlog werd hij veroordeeld wegens oorlogsmisdaden en misdaden tegen de menselijkheid, gepleegd in de context van zijn samenwerking met de Einsatzgruppen. Zijn zaak werd behandeld in het zogenaamde High Command-proces tijdens de Neurenbergse processen.

Militaire loopbaan tot en met de Tweede Wereldoorlog

Vroege militaire carrière

Otto Wöhler begon zijn militaire loopbaan tijdens de Eerste Wereldoorlog. In deze periode ontving hij het IJzeren Kruis tweede klasse (1914) en eerste klasse (1916). Na de oorlog bleef hij actief binnen het Reichswehr, de Duitse krijgsmacht tijdens de Weimarrepubliek. Toen de Wehrmacht in 1935 werd opgericht, maakte hij de overstap en werd hij opgenomen in diverse stafrollen.

Stafchef van het 11e Leger

Tussen oktober 1940 en mei 1942 was Wöhler werkzaam als stafchef van het 11e Leger onder bevel van veldmaarschalk Erich von Manstein. Deze periode omvatte onder andere militaire operaties in de Sovjetunie, waaronder het beleg van Sebastopol. Binnen deze functie werkte hij nauw samen met Einsatzgruppe D, onder leiding van Otto Ohlendorf. Deze paramilitaire eenheid was belast met massale executies van Joodse burgers, Roma en vermeende tegenstanders van het naziregime in de bezette gebieden.

Uit verklaringen na de oorlog blijkt dat Wöhler persoonlijk betrokken was bij logistieke ondersteuning van de Einsatzgruppen. Zo verzocht hij om het overdragen van horloges van omgebrachte Joden aan het Duitse leger. Deze handelingen illustreren de mate van samenwerking tussen reguliere legeronderdelen en paramilitaire organisaties in bezette gebieden.

Verdere bevelsfuncties binnen de Wehrmacht

Heeresgruppe Mitte

Na zijn dienst als stafchef bij het 11e Leger werd Wöhler benoemd tot stafchef van Heeresgruppe Mitte, dat actief was aan het oostfront onder bevel van veldmaarschalk Günther von Kluge. Heeresgruppe Mitte speelde een centrale rol in de operatie Barbarossa en de daaropvolgende veldtochten in Wit-Rusland en Rusland.

Commandant van I. Armeekorps en 8e Leger

In februari 1943 kreeg Wöhler het bevel over het I. Armeekorps. Dit was zijn eerste zelfstandige bevelvoering in het veld. In augustus van dat jaar werd hij benoemd tot commandant van het 8e Leger. Zijn legereenheid was betrokken bij hevige gevechten in Roemenië en Hongarije, gebieden die strategisch van belang waren voor de verdediging van de zuidelijke flank van het Derde Rijk.

Bevel over Heeresgruppe Süd

In december 1944 werd Wöhler bevorderd tot commandant van Heeresgruppe Süd. Deze legergroep was verantwoordelijk voor de verdediging van Hongarije en Oostenrijk tegen de oprukkende Sovjetlegers. Gedurende deze periode bevond Wöhler zich in een steeds verslechterende militaire situatie, aangezien de Wehrmacht terrein verloor op alle fronten.

Berechting en veroordeling na de oorlog

Betrokkenheid bij oorlogsmisdaden

Na de oorlog werd Otto Wöhler gearresteerd en onderzocht door de geallieerden. Tijdens vooronderzoeken erkende hij dat veldmaarschalk Manstein onderscheidingen had toegekend aan leden van de Einsatzgruppen. Hij gaf aan dat de samenwerking tussen het 11e Leger en de Einsatzgroepen “in het algemeen zonder wrijving” verliep.

Wöhler werd in verband gebracht met de uitvoering van het zogeheten Barbarossa-bevel (Barbarossa Jurisdiction Order). Dit bevel legaliseerde in de praktijk de willekeurige executie van Sovjetburgers onder het voorwendsel van strijd tegen partizanen. Daarnaast werd hij verantwoordelijk gehouden voor de deportatie van burgers voor dwangarbeid en het faciliteren van de misdaden van de Einsatzgruppen.

High Command Trial

Otto Wöhler werd berecht in het twaalfde van de Neurenbergse processen: het zogenaamde “High Command Trial”. Deze zaak richtte zich op de verantwoordelijkheid van hoge Wehrmacht-officieren voor oorlogsmisdaden en misdaden tegen de menselijkheid. Tijdens de rechtszaak ontkende Wöhler enige kennis van de precieze taken van de Einsatzgruppen en iedere medeplichtigheid aan hun handelen.

Toch oordeelde het Amerikaanse tribunaal dat hij schuldig was aan meerdere aanklachten, waaronder het toepassen van het Barbarossa-bevel, het samenwerken met Einsatzgruppen en het deporteren van burgers voor dwangarbeid.

Straf en vrijlating

Op 27 oktober 1948 werd Wöhler veroordeeld tot een gevangenisstraf van acht jaar. Tijdens een herziening van het vonnis in 1949 bleef de uitspraak ongewijzigd. Doordat zijn straf met terugwerkende kracht inging vanaf 1945, kwam hij op basis van goed gedrag in februari 1951 vrij.

Militaire onderscheidingen

Otto Wöhler ontving tijdens zijn militaire loopbaan meerdere onderscheidingen:

  • IJzeren Kruis (1914): Tweede klasse (1914), Eerste klasse (1916)
  • Duits Kruis in Goud: Toegekend op 26 januari 1942 als Oberst in de generale staf van het 11e Leger
  • Ridderkruis van het IJzeren Kruis met Eikenloof:
    • Ridderkruis op 14 augustus 1943 als generaal der infanterie en commandant van het I. Armeekorps
    • Eikenloof op 28 november 1944 als generaal der infanterie en commandant van het 8e Leger

Deze onderscheidingen weerspiegelen zijn militaire status, maar staan in scherp contrast met zijn betrokkenheid bij de misdaden die later aan het licht kwamen.

Conclusie

Otto Wöhler was een Duitse militair die binnen de Wehrmacht verschillende hoge functies bekleedde, waaronder bevelhebber van legereenheden aan het oostfront. Zijn militaire loopbaan werd na de oorlog overschaduwd door zijn medeverantwoordelijkheid voor oorlogsmisdaden, met name zijn samenwerking met de Einsatzgruppen en de toepassing van het Barbarossa-bevel.

Hoewel Wöhler tijdens het tribunaal verklaarde geen directe betrokkenheid te hebben gehad bij de misdaden van de Einsatzgruppen, werd hij op basis van getuigenverklaringen en documenten alsnog schuldig bevonden. Zijn zaak illustreert de verwevenheid tussen het reguliere Duitse leger en de paramilitaire structuren van het naziregime tijdens de oorlog.

Bronnen en meer informatie

  1. Afbeelding: Bundesarchiv_Bild_183-2007-0313-500,_Rumänien,_Schörner_bei_Lagebesprechung.jpg: Mittelstaedt, Heinz derivative work: Vasyatka1CC BY-SA 3.0 DE, via Wikimedia Commons
  2. Hebert, Valerie (2010). Hitler’s Generals on Trial: The Last War Crimes Tribunal at Nuremberg. Lawrence, Kansas: University Press of Kansas. ISBN: 978-0-7006-1698-5.
  3. Patzwall, Klaus D.; Scherzer, Veit (2001). Das Deutsche Kreuz 1941–1945 Geschichte und Inhaber Band II. Norderstedt, Duitsland: Verlag Klaus D. Patzwall. ISBN: 978-3-931533-45-8.
  4. Scherzer, Veit (2007). Die Ritterkreuzträger 1939–1945. Jena, Duitsland: Scherzers Militaer-Verlag. ISBN: 978-3-938845-17-2.
  5. Thomas, Franz (1998). Die Eichenlaubträger 1939–1945 Band 2: L–Z. Osnabrück, Duitsland: Biblio-Verlag. ISBN: 978-3-7648-2300-9.
  6. Bronnen Mei1940
Previous articleOperatie Waldfest: Nazi-vergeldingsactie in de Vogezen
Next articleOperatie Loyton: SAS in de Vogezen, 1944
Redactie Mei 1940
De redactie van mei1940.org bestaat uit een diverse groep schrijvers met een gemeenschappelijke interesse in de Tweede Wereldoorlog. Sommigen hebben een militaire achtergrond en brengen praktijkervaring en strategisch inzicht mee, terwijl anderen een academische of wetenschappelijke opleiding hebben gevolgd, zoals aan de Koninklijke Militaire Academie (KMA) of in historisch onderzoek. Deze combinatie van expertise zorgt voor diepgaande, goed onderbouwde artikelen die zowel feitelijk accuraat als analytisch sterk zijn. De redactie streeft ernaar om objectieve en goed gedocumenteerde informatie te bieden, waarbij kennis en ervaring samenkomen om een genuanceerd beeld te schetsen van deze ingrijpende periode in de geschiedenis.