Luitenant-generaal Sir Frederick Morgan: D-Day Planner WOII

Sir Frederick Edgworth Morgan (1894–1967) was een Britse artillerieofficier en luitenant-generaal die in beide wereldoorlogen diende. Hij werd vooral verbonden met COSSAC, de staf die vanaf 1943 de eerste geallieerde plannen voor Operatie Overlord opstelde. Zijn loopbaan liep daarna door in vluchtelingenhulp en Britse atoomenergie binnen de Britse staat na 1945.

Vroege leven en opleiding

Frederick Morgan werd geboren op 5 februari 1894 in Paddock Wood, Kent. Hij was de oudste zoon in een gezin van negen kinderen. Zijn vader, Frederick Beverley Morgan, werkte als houthandelaar en zijn moeder, Clare Elizabeth Horrocks, beheerde het huishouden in Mascall’s Manor. Deze afkomst plaatste Morgan in een omgeving waar onderwijs, discipline en dienstbaarheid aan het Britse rijk een vaste plaats hadden.

Zijn schoolopleiding begon in 1902 aan Hurstleigh, een privéschool in Tunbridge Wells. In 1907 ging hij naar Clifton College, een school met banden met de Royal Military Academy in Woolwich. Daar ontwikkelde hij zich binnen een onderwijsomgeving die academische vorming combineerde met sport en cadettenopleiding. Rugby, cricket en het School Cadet Corps maakten deel uit van zijn dagelijkse vorming.

Morgan was op Clifton actief in het cadetkorps, dat in 1908 opging in het Officers’ Training Corps. Hij bereikte daar de rang van sergeant. In 1911 behoorde hij tot de cadetten die langs de route naar Buckingham Palace stonden tijdens de kroning van George V. In 1912 kreeg hij toegang tot de Royal Military Academy, Woolwich, waar hij werd voorbereid op dienst bij de artillerie.

Op 17 juli 1913 werd Morgan benoemd tot tweede luitenant in de Royal Field Artillery. De keuze voor de artillerie sloot aan bij een krijgsmacht waarin techniek, berekening, verbindingslijnen en nauwkeurige bevelvoering steeds meer gewicht kregen. Zijn eerste benoeming viel kort voor de Europese oorlog die zijn verdere militaire loopbaan zou bepalen.

Deelname aan de Eerste Wereldoorlog

Morgan werd in januari 1914 naar India gezonden, waar hij zich aansloot bij de 84ste Batterij van de 11de Brigade in Jabalpur. Na het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog in augustus 1914 werd zijn eenheid naar het Westelijk Front gestuurd. In oktober 1914 arriveerde de batterij daar als onderdeel van de 3de Lahore Divisie.

Aan het front maakte Morgan de overgang mee van mobiele oorlogvoering naar langdurige stellingenoorlog. Tijdens een beschieting werd hij door een Duitse granaat weggeslingerd en in een krater bedolven. Hij werd daarna naar een ziekenhuis in Boulogne gebracht met shellshock. Na kort ziekteverlof in Engeland keerde hij terug naar de artillerie aan het front.

Na zijn terugkeer werd Morgan adjudant van brigadegeneraal Edward Spencer Hoare-Nairne, commandant van de Lahore Divisional Artillery. In februari 1916 werd hij stafkapitein en in mei 1916 kreeg hij de tijdelijke rang van kapitein. Toen de Lahore Divisional Artillery in 1917 werd ontbonden, werd hij geplaatst bij de 42ste East Lancashire Divisie.

Tijdens het Honderddagenoffensief van 1918 diende Morgan als brigade-majoor bij de artillerie van de 42ste Divisie. In die functie werkte hij aan de afstemming van vuursteun, berichtenverkeer en bevelvoering tijdens de laatste geallieerde opmars. Hij werd tijdens en na de oorlog tweemaal genoemd in dispatches, op 15 mei 1917 en 5 juli 1919.

Interbellum: dienst in India en Groot-Brittannië

Na de Eerste Wereldoorlog bleef Morgan in actieve dienst en koos hij voor een langere periode in India. Hij sloot zich aan bij de 118de Veldbatterij van de 26ste Veldbrigade, die werd gevormd en getraind voor inzet in het subcontinent. Deze periode gaf hem ervaring met garnizoensdienst, opleiding en artillerieorganisatie buiten Europa.

In 1924 aanvaardde Morgan een tijdelijke stafpost als plaatsvervangend assistent-adjudant-generaal bij de 1ste Peshawar Divisie. De divisie stond onder bevel van generaal-majoor Herbert Uniacke. Daarna volgde dienst bij het Northern Command in India, waar hij betrokken was bij de voorbereiding van grotere manoeuvres. De nadruk lag op planning, aanvoer, marsroutes en samenwerking tussen verschillende onderdelen.

In 1926 keerde Morgan terug naar Engeland en kreeg hij het bevel over de 22ste Zware Batterij. Deze eenheid was belast met de kustverdediging van Weymouth in Dorset. De functie bracht hem terug naar de technische kant van artilleriedienst, maar ook naar de verdediging van Britse havens en kuststroken. Hij bleef in deze jaren nog geruime tijd kapitein.

Zijn verdere loopbaan in het interbellum verliep via stafwerk en bevorderingen. In juni 1932 werd hij majoor en in 1934 kreeg hij de rang van brevet-luitenant-kolonel. Daarna volgden functies bij het legerhoofdkwartier in India en het War Office in Londen. In 1938 werd hij kolonel en diende hij als General Staff Officer 1 bij de 3de Infanteriedivisie.

Deze jaren waren van belang voor zijn ontwikkeling als stafofficier binnen het Britse leger. Morgan werkte met artillerie, kustverdediging, divisieorganisatie en grotere oefeningen. Daardoor raakte hij vertrouwd met de samenhang tussen gevechtseenheden, logistiek, stafprocedures en politieke besluitvorming. Die ervaring keerde later terug in zijn werk aan geallieerde operaties in West-Europa.

Deelname aan de Tweede Wereldoorlog

Kort voor het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog werd Morgan in augustus 1939 tijdelijk brigadier. Hij kreeg het bevel over de 1ste Ondersteuningsgroep van de 1ste Pantserdivisie. Deze formatie hoorde bij de Britse voorbereidingen op moderne gemechaniseerde oorlogvoering. In mei 1940 werd zij naar Frankrijk gezonden na de Duitse aanval in West-Europa.

De 1ste Ondersteuningsgroep beschikte in Frankrijk over minder middelen dan een volledige ondersteuningsgroep normaal nodig had. Een deel van de eenheid bestond uit Royal Engineers en een bataljon van de Royal Welch Fusiliers dat nog werd omgeschoold voor luchtafweer- en antitanktaken. De groep werd toegevoegd aan de 51ste Highland Divisie ten zuiden van de Somme.

Tijdens de Slag om Frankrijk verslechterde de geallieerde positie snel. Britse en Franse eenheden raakten geïsoleerd en Duitse pantser- en infanterieformaties dreven hen naar de kust. De 51ste Highland Divisie werd bij Saint-Valery-en-Caux omsingeld en gevangen genomen. Morgan wist met een klein aantal militairen te ontkomen en werd naar Engeland geëvacueerd.

Na zijn terugkeer werd de 1ste Pantserdivisie opnieuw opgebouwd voor de verdediging van Groot-Brittannië. Morgan kreeg tijdelijk twee Canadese infanteriebataljons ter ondersteuning. Op 4 november 1940 werd hij Brigadier General Staff bij II Corps in Norfolk. Op 28 februari 1941 volgde zijn bevordering tot waarnemend generaal-majoor en kreeg hij het bevel over de Devon and Cornwall County Division.

De Devon and Cornwall County Division was een statische formatie voor de kustverdediging van Zuidwest-Engeland. De divisie beschikte niet over alle zware middelen die voor mobiele operaties nodig waren. In oktober 1941 nam Morgan het bevel over de 55ste West Lancashire Infanteriedivisie over. Deze Territorial Army-formatie kreeg een lagere prioriteit voor moderne uitrusting en bleef vooral gericht op verdediging.

In mei 1942 werd Morgan waarnemend luitenant-generaal en kreeg hij het bevel over I Corps District. Het gebied omvatte delen van Lincolnshire en East Riding of Yorkshire. Later werd het hoofdkwartier omgevormd tot een mobiel korps. Onder de benaming Force 125 werd het voorbereid op een Duitse aanval via Spanje richting Gibraltar, maar dat scenario werd niet uitgevoerd.

De volgende fase bracht Morgan dichter bij grote geallieerde planning. Zijn korpshoofdkwartier werkte aan voorbereidingen voor operaties in het Middellandse Zeegebied, waaronder plannen die samenhingen met Sardinië. Die operatie werd niet uitgevoerd, omdat de geallieerde aandacht verschoof naar Sicilië. Voor Morgan en zijn staf bleef de ervaring van waarde door de nadruk op gecombineerde planning.

In maart 1943 werd Morgan benoemd tot Chief of Staff to the Supreme Allied Commander (Designate), afgekort COSSAC. Omdat er toen nog geen benoemde opperbevelhebber was, moest Morgan met een beperkte staf de eerste plannen voor een invasie in Noordwest-Europa uitwerken. Op 15 juli 1943 presenteerde hij een plan voor Operatie Overlord aan het Britse Chiefs of Staff Committee.

Het COSSAC-plan vormde de basis voor de latere landingen in Normandië. Het behandelde het landingsgebied, de opbouw van een bruggenhoofd, de behoefte aan scheepsruimte, de luchtsteun en de verdere versterking van de troepen na de eerste aanval. Toen Dwight D. Eisenhower begin 1944 Supreme Allied Commander werd, ging COSSAC op in SHAEF.

Binnen SHAEF werd Walter Bedell Smith stafchef en bleef Morgan als plaatsvervangend stafchef werkzaam. Zijn taken lagen bij de coördinatie van inlichtingen, operaties en overleg tussen onderdelen van het geallieerde hoofdkwartier. Tijdens de voorbereidingen op D-Day en de campagne in West-Europa bleef hij betrokken bij de verwerking van plannen, bevelen en operationele informatie.

Na de oorlog

Na de ontbinding van SHAEF in juni 1945 kreeg Morgan een functie bij de United Nations Relief and Rehabilitation Administration in Duitsland. Als Chief of Operations hield hij zich bezig met hulpverlening aan vluchtelingen en ontheemden. De situatie in bezet Duitsland omvatte voedseltekorten, huisvesting, repatriëring, medische zorg en de registratie van grote groepen mensen.

Zijn tijd bij UNRRA werd in 1946 onderwerp van openbaar debat. Morgan stelde dat Sovjetagenten binnen de organisatie onrust onder ontheemden aanwakkerden. In januari 1946 beweerde hij ook dat een geheime Joodse organisatie een uittocht van Joden uit Europa naar Palestina organiseerde. Deze uitspraken werden in de pers en door Joodse organisaties als antisemitisch opgevat.

De controverse had gevolgen voor zijn positie. Onder de nieuwe directeur-generaal Fiorello La Guardia werd Morgans functie in Duitsland opgeheven. Morgan verdedigde later dat zijn uitspraken waren gebaseerd op militaire inlichtingen, maar de zaak bleef verbonden aan zijn naoorlogse reputatie. De periode laat zien dat zijn administratieve werk na 1945 in een politiek gevoelige omgeving plaatsvond.

In 1951 werd Morgan aangesteld als Controller of Atomic Energy. Hij hield zich bezig met de Britse ontwikkeling van kernwapens en was aanwezig bij Operation Hurricane, de eerste Britse atoombomproef bij de Montebello-eilanden in 1952. Na de oprichting van de United Kingdom Atomic Energy Authority in 1954 veranderde zijn positie en werd hij Controller of Nuclear Weapons.

Morgan ging in 1956 met pensioen, maar bleef tot 1958 kolonel-commandant van de Royal Artillery. In 1961 publiceerde hij zijn memoires onder de titel Peace and War: A Soldier’s Life. Hij overleed op 19 maart 1967 in het Mount Vernon Hospital in Northwood. Zijn loopbaan besloeg daarmee militaire dienst, geallieerde planning, hulpverlening en naoorlogs defensiebeleid.

Militaire Rangen

Morgan begon zijn loopbaan op 17 juli 1913 als tweede luitenant in de Royal Field Artillery. Tijdens de Eerste Wereldoorlog werd hij tijdelijk kapitein en in 1917 kapitein. In 1932 volgde de rang van majoor, in 1934 brevet-luitenant-kolonel en in 1938 kolonel. Daarna werd hij tijdelijk brigadier, waarnemend generaal-majoor en waarnemend luitenant-generaal. Bij zijn pensionering in 1946 werd hem de ererang van luitenant-generaal toegekend.

Onderscheidingen

Morgan ontving onderscheidingen voor zijn militaire dienst in beide wereldoorlogen en voor zijn werk binnen de geallieerde bevelsstructuur. Hij werd tweemaal genoemd in dispatches. In augustus 1944 werd hij benoemd tot Knight Commander of the Order of the Bath, waardoor hij de aanspreektitel Sir kreeg. Daarnaast ontving hij Amerikaanse onderscheidingen, waaronder de Legion of Merit en de Army Distinguished Service Medal. Franse onderscheidingen die aan hem worden verbonden zijn de Legion of Honour en de Croix de guerre.

Conclusie

Frederick Edgworth Morgan was een Britse stafofficier wiens loopbaan werd gevormd door artilleriedienst, koloniale garnizoensdienst, kustverdediging en geallieerde planning in Europa. Zijn naam blijft vooral verbonden met COSSAC en de voorbereiding van Operatie Overlord, omdat zijn stafwerk de eerste vaste structuur gaf aan de latere invasie in Normandië.

Zijn naoorlogse loopbaan verliep anders dan zijn militaire dienst. Bij UNRRA kwam hij in conflict met politieke en humanitaire kwesties rond ontheemden in Europa. Daarna werkte hij binnen het Britse kernwapenbeleid. Zijn loopbaan laat daardoor een breed beeld zien van Britse militaire en bestuurlijke taken tussen 1913 en 1956, met zowel operationele als naoorlogse verantwoordelijkheden.

Bronnen en meer informatie

  1. Afbeelding: British General Frederick E. Morgan. Public Domein Wiki Commens
  2. Keegan, John (1982). Six Armies in Normandy: From D-Day to the Liberation of Paris. New York: Viking Press. ISBN 978-0-670-64736-1.
  3. Atkinson, Rick (2013). The Guns at Last Light: The War in Western Europe, 1944-1945. New York: Henry Holt and Co. ISBN 978-0-8050-6290-8.
  4. Morgan, Frederick (1961). Peace and War: A Soldier’s Life. London: Hodder and Stoughton. ISBN 978-1-135-54060-9.
  5. Ambrose, Stephen E. (1994). D-Day: June 6, 1944: The Climactic Battle of World War II. New York: Simon & Schuster. ISBN 978-0-684-80137-7.
  6. Gowing, Margaret; Arnold, Lorna (1974). Independence and Deterrence: Britain and Atomic Energy, 1945-1952. New York: St. Martin’s Press. ISBN 978-0-312-41265-4.
  7. Bronnen voor historisch onderzoek 1800–1946