Home Schepen Vliegdekschepen Japanse vliegdekschip Taihō in de Tweede Wereldoorlog

Japanse vliegdekschip Taihō in de Tweede Wereldoorlog

Japans vliegdekschip Taihō voor anker bij Tawi-Tawi, mei 1944, kort voor de Slag in de Filipijnenzee.
HIJMS Taihō voor anker bij Tawi-Tawi in mei 1944, kort voor inzet tijdens de Slag in de Filipijnenzee.

Het Japanse vliegdekschip Taihō (大鳳), wat vertaald kan worden als “Grote Feniks”, werd in 1944 in dienst genomen door de Keizerlijke Japanse Marine. Het schip was het eerste Japanse vliegdekschip met een gepantserd vliegdek en werd ontworpen als reactie op verliezen van eerdere vliegdekschepen. Taihō belichaamde een nieuwe generatie schepen die beter bestand moest zijn tegen luchtaanvallen. Ondanks deze ontwerpverbeteringen zou het schip door een combinatie van ontwerpfouten en gebrekkige schadebeheersing tijdens de Slag in de Filipijnenzee binnen enkele maanden na ingebruikname tot zinken worden gebracht.

Ontwerp en constructie

Taihō werd goedgekeurd onder het vierde aanvullende maritieme programma van 1939. De kiel werd gelegd op 10 juli 1941 door Kawasaki in Kōbe, gelanceerd op 7 april 1943 en opgeleverd aan de marine op 7 maart 1944. Het ontwerp was gebaseerd op een aangepaste versie van de Shōkaku-klasse. Taihō moest het eerste schip worden in een nieuwe klasse die onder andere ook het Unryū-type omvatte.

Het schip had een totale lengte van 260,6 meter, een breedte van 27,4 meter en een diepgang van 9,6 meter. De voortstuwing werd geleverd door vier stoomturbines en acht ketels, goed voor een vermogen van 160.000 pk en een maximale snelheid van 33,3 knopen. Het bereik bedroeg 10.000 zeemijlen bij 18 knopen.

De bovenbouw werd geconcentreerd aan stuurboordzijde in een zogenaamde “eilandconfiguratie”. De uitlaatpijp was geïntegreerd in het eiland en schuin naar buiten gericht om de uitlaatgassen buiten het vliegdek te houden. Het vliegdek was voorzien van een staalcoating in plaats van houten planken, wat het onderhoud vereenvoudigde.

Bewapening

De bewapening van Taihō bestond uit:

  • 6 dubbele 100 mm Type 98 luchtafweerkanonnen;

  • 17 drievoudige 25 mm Type 96 luchtafweermitrailleurs (51 lopen in totaal);

  • 25 draagbare Type 96 luchtafweerkanonnen die aan hangarwanden konden worden bevestigd.

De vuurleiding voor de 100 mm kanonnen werd verzorgd door twee Type 94 directeurs, terwijl zeven Type 95 eenheden het vuur van de 25 mm installaties coördineerden. Ondanks deze uitgebreide bewapening bleek de luchtafweer van het schip in de praktijk ontoereikend tegen gestructureerde geallieerde luchtaanvallen.

Bepantsering

Taihō beschikte over een gedeeltelijk gepantserd rompontwerp. De gordelbepantsering varieerde van 55 mm ter hoogte van de machinekamers tot 152 mm rond de munitieopslag. De bepantsering onder de waterlijn was bedoeld om een lading van 300 kg springstof te weerstaan.

Het vliegdek had een pantserdikte van 75 tot 80 mm. Deze bepantsering moest bescherming bieden tegen 500 kg bommen. De zijkanten van de hangars en de vloeren waren echter nauwelijks beschermd. Het ontbreken van adequate bescherming rond de brandstoftanks zou uiteindelijk bijdragen aan het verlies van het schip.

Sensoren en dataverwerking

Bij het ontwerp van Taihō was aanvankelijk geen rekening gehouden met radarinstallaties, aangezien de Japanse marine pas laat in de oorlog over deze technologie begon te beschikken. Bij haar oplevering was Taihō echter uitgerust met twee Type 21 Air Search Radar (luchtwaarschuwingsradar) en één Type 13 radar. Deze hadden een bereik van respectievelijk 80 en 54 zeemijlen.

De Japanse gevechtsleiding aan boord kende structurele tekortkomingen. In tegenstelling tot de Amerikaanse doctrine ontbrak een centrale gevechtsinformatiecentrale (CIC). Hierdoor werd informatie uit sensoren en observaties niet efficiënt verwerkt of toegepast in operationele beslissingen. Deze organisatorische zwakte betekende dat Japanse schepen minder effectief konden reageren op veranderende tactische situaties.

Modificaties

Taihō werd voltooid tijdens de oorlog en kreeg daarom geen structurele modificaties meer na ingebruikname. Wel werden in de ontwerpfase aanpassingen gedaan, zoals het schrappen van de geplande katapultinstallaties. De marine beschikte namelijk niet over werkende dekkatapultsystemen en verving deze uiteindelijk door raketondersteunde startapparatuur (RATOG).

Ook de derde geplande lift werd wegens tijdsdruk niet gebouwd. Het schip kreeg twee grote liften om vliegtuigen tussen de hangar- en het vliegdek te verplaatsen. 

Status schip tijdens de oorlog

Bij haar indienststelling in maart 1944 was Taihō een van de modernste vliegdekschepen van de Japanse vloot. In theorie betekende haar bepantsering en constructie een verbetering ten opzichte van oudere schepen, maar in de praktijk bleek het schip kwetsbaar voor moderne onderzeebootaanvallen en luchtaanvallen.

De afwezigheid van een geïntegreerde gevechtsinformatiecentrale (CIC), beperkte ervaring met gecombineerde wapeninzet en onvoldoende training van het schadeherstelpersoneel zorgden ervoor dat het schip ondanks de technologische vooruitgang operationeel kwetsbaar bleef.

Daarnaast was de kwaliteit van de Japanse vliegtuigbemanning aan het eind van de oorlog sterk gedaald, mede door hoge verliezen in eerdere veldslagen. Het beperkte vliegdekpersoneel en de gebrekkige coördinatie tussen verkenning, communicatie en vuurleiding maakten Taihō’s effectiviteit als vliegdekschip beperkt, ondanks haar moderne specificaties.

Operationele geschiedenis

Na oplevering werd Taihō ingezet bij de Eerste Mobiele Vloot, waar zij zich voegde bij Shōkaku en Zuikaku. De drie vliegdekschepen oefenden nabij Lingga en later bij Tawi-Tawi op Borneo. Op 15 april 1944 verplaatste viceadmiraal Jisaburō Ozawa zijn vlag naar Taihō, vanwege de moderne commandofaciliteiten aan boord.

In juni 1944 vertrok de Japanse vloot voor Operatie A-GO, een poging om de Amerikaanse marine een slag toe te brengen bij de Marianen. Tijdens de Slag in de Filipijnenzee op 19 juni lanceerde Taihō meerdere aanvalsgolven, maar werd ze vroeg in het gevecht getorpedeerd door de Amerikaanse onderzeeër USS Albacore. De torpedo sloeg in ter hoogte van het vliegdekschip’s stuurboordzijde, vlak voor het eiland, en beschadigde het voortstuwingssysteem en de vliegtuigliften.

In eerste instantie leek de schade beperkt en werd geprobeerd het vliegdek tijdelijk te herstellen met geïmproviseerde houten bekleding. Desondanks lekte luchtvaartbenzine uit de beschadigde brandstoftanks en verzamelde zich in de gesloten hangars. Door het gebrek aan effectieve ventilatie en verkeerde schadebeheersmaatregelen konden de dampen zich verspreiden.

Het zinken van de Taihō

Tegen het begin van de middag bereikte de situatie een kritiek punt. De bemanning kon de dampen niet verwijderen en besloot uiteindelijk alle ventilatieopeningen volledig te openen. In plaats van verbetering leidde dit tot verspreiding van de brandbare dampen naar andere delen van het schip. Omstreeks 14:30 uur vond een zware interne explosie plaats. Een tweede explosie volgde later, en tegen 16:28 uur zonk Taihō achterwaarts in de Filipijnse Zee. Van de 2.150 bemanningsleden kwamen er 1.650 om.

Viceadmiraal Ozawa overleefde de ramp doordat hij op tijd werd overgebracht naar de zware kruiser Haguro. Taihō zonk op de coördinaten 12°05′N 138°12′E, minder dan vier maanden na haar ingebruikname.

Conclusie

Het vliegdekschip Taihō was in ontwerp en constructie een moderne ontwikkeling binnen de Japanse marine. Toch bleek tijdens de eerste inzet dat deze technologische verbeteringen onvoldoende waren in combinatie met slechte schadebeheersing, ontoereikende integratie van sensoren en gebrekkige operationele doctrines. Het ontbreken van een centrale gevechtsinformatiecentrale, zoals wel aanwezig bij de Amerikaanse marine, en het falen van cruciale schadebeperkende systemen leidden uiteindelijk tot het verlies van het schip.

Taihō’s korte operationele levensduur benadrukt de toenemende kwetsbaarheid van Japanse vliegdekschepen in het laatste oorlogsjaar en de structurele tekortkomingen in doctrine en bemanningstraining die de Keizerlijke Japanse Marine parten speelden in haar confrontatie met de geallieerde strijdkrachten.

Bronnen en meer informatie

  1. Afbeelding: HIJMS Taiho public domain, via wiki commons
  2. Ahlberg, Lars; Lengerer, Hans (2008). Encyclopedia of Warships 40, Taiho volume 2. A. J. Press. ISBN 978-83-7237-232-1

  3. Brown, David (1977). WWII Fact Files: Aircraft Carriers. Arco Publishing. ISBN 978-0-668-04231-2

  4. Dull, Paul S. (1978). A Battle History of the Imperial Japanese Navy (1941–1945). Naval Institute Press. ISBN 978-0-87021-524-7

  5. Friedman, Norman (1981). Naval Radar. Conway Maritime Press. ISBN 978-0-85177-243-0

  6. Reynolds, Clark G. (1968). The Fast Carriers: The Forging of an Air Navy. McGraw-Hill. ISBN 978-0-07-051846-9

  7. Sturton, Ian (1980). In Chesneau, Roger (ed.). Conway’s All the World’s Fighting Ships 1922–1946. Conway Maritime Press. ISBN 978-0-85177-146-4

  8. Y’Blood, William T. (1981). Red Sun Setting: The Battle of the Philippine Sea. Naval Institute Press. ISBN 978-0-87021-532-2 

  9. Bronnen voor historisch onderzoek 1800–1946