
HMS Parthian (N75) was het leidende schip van de Britse Parthian-klasse, in 1929 te water gelaten en in 1931 in dienst gesteld bij de Royal Navy. Het schip kreeg de bijnaam “Peanut”, naar de op de toren geschilderde letters PN, en opereerde vooral in het Middellandse Zeegebied. Op 22 juli 1943 vertrok Parthian voor haar laatste patrouille; het schip keerde niet terug en ging vermoedelijk eind juli of begin augustus 1943 verloren in de Adriatische Zee. De inzetgeschiedenis omvat zowel offensieve patrouilles als logistieke missies naar het belegerde Malta.
Ontwerp en constructie
De Parthian-klasse was ontworpen voor langeafstandspatrouilles in imperial waters en combineerde een robuuste drukhuid met voldoende brandstofcapaciteit. Parthian werd gebouwd op Chatham Dockyard: kiellegging 30 juni 1928, tewaterlating 22 juni 1929 en indienststelling 13 januari 1931. Het casco mat circa 88 meter lengte, 9,1 meter breedte en had een diepgang van bijna 4,9 meter. De testduikdiepte lag rond 90 meter, met een maximale bedrijfsduikdiepte van circa 150 meter. De bemanning telde bij indienststelling ongeveer 53 personen en groeide in de oorlogsjaren naar ruim zestig.
Het aandrijfsysteem bestond uit twee Admiralty-dieselmotoren voor oppervlaktesnelheid en twee elektromotoren voor onderwatervaart. De maximale snelheid bedroeg ongeveer 17,5 knopen boven water en 8,6 knopen onder water. Het bereik reikte tot circa 8.400 zeemijl bij 10 knopen op de oppervlakte, passend bij het lange-afstandskarakter. De klasse was voorzien van twee schroefassen, een relatief ruime batterijcapaciteit en voorzieningen voor torpedo- en kanonbewapening. De opbouw omvatte een toren met twee periscopen (observatie en aanval) en werkruimten rond boeg- en hektorpedokamers.
Bewapening
De hoofdbewapening bestond uit acht 533-mm torpedobuizen, waarvan zes in de boeg en twee in de heksectie. In standaardconfiguratie voerde Parthian veertien reservetorpedo’s mee, waarmee meerdere salvo’s mogelijk waren tegen konvooien en escortevaartuigen. Als secundaire bewapening was een 4-inch (102 mm) dekkanon geplaatst, vanaf 1933/34 in de Mk XII-uitvoering, geschikt voor oppervlakteschermutselingen en kustbeschietingen. Aanvullend waren lichte machinegeweren (onder meer Lewis-typen) aanwezig voor lucht- en naafbeshcerming; later in de oorlog werden 20-mm Oerlikon-kanonnen toegevoegd.
Naast torpedo- en kanonbewapening kon Parthian mijnen via de buizen leggen, wat flexibiliteit gaf in kustinzet. Deze mogelijkheid werd vooral benut in scenario’s waar gebiedsontzegging of verstoring van kustvaart vooropstond. Tijdens logistieke missies in 1942 werden reservetorpedo’s tijdelijk van boord gehaald om ruimte en massa te winnen voor brandstof en munitie, waarmee de operationele rol tijdelijk naar transport verschoof.
Bepantsering
Parthian had geen klassiek scheepspantser zoals slagschepen of kruisers. De bescherming werd hoofdzakelijk geleverd door de stalen drukhuid en door compartimentering. De toren en de behuizing van het periscoophuis boden slechts beperkte bescherming tegen splinters en lichte wapens. Overlevingsvermogen was primair afhankelijk van diepte, stealth, uitwijkmanoeuvres en de structurele integriteit van de drukhuid. De klasse vertrouwde op tactiek, signaaldiscipline en onderwatersnelheid in plaats van op passieve bepantsering.
Sensoren en dataverwerking
Parthian was uitgerust met periscopen (aanvals- en observatieperiscoop) als hoofdobservatiemiddelen voor doelidentificatie, koersbepaling en schietgegevens. Passieve akoestische detectie verliep via een hydrofooninstallatie, waarmee geluidssporen van scheepsschroeven en escortes konden worden gelokaliseerd en gepeild. Deze passieve luisterapparatuur was standaard op onderzeeboten in deze periode en vormde in combinatie met periscoopexposure het kernpakket voor doelopsporing. Informatie werd aan boord handmatig verwerkt door de commandogroep, met gebruik van kaarten, kladnotities, tijd-/snelheid-/afstandberekeningen en optische waarnemingen.
Actieve sonar (ASDIC) was bij Britse onderzeeboten beperkter toepasbaar vanwege risico op zelfonthulling; wanneer aanwezig, werd deze in de praktijk spaarzaam gebruikt. Radiocommunicatie verliep via HF-/MF-zenders en ontvangers; tijdens de konvooiaanvalfase werd doorgaans radiostilte gehouden. In latere oorlogsjaren kregen sommige eenheden eenvoudige oppervlaktesurveillance-radars; voor Parthian is de inzet van passieve sensoren en periscopen de kern gebleven.
Modificaties
Tijdens de grote werfperiode in de Verenigde Staten (Portsmouth Naval Shipyard, Kittery) van september 1941 tot maart 1942 onderging Parthian een aanpassing voor logistieke taken. Reservetorpedo’s werden van boord gehaald, één batterijbank werd uitgebouwd en extra tanks voor vliegtuigbrandstof en munitie werden ingebracht. (T.bv. Malta) In 1942 zijn lichte luchtafweerverbeteringen doorgevoerd met 20-mm Oerlikons. Verder vonden in 1943 vervangingen van beide schroeven plaats en werden reparaties aan diepte-/trimuitrustingen uitgevoerd na gemelde storingen. Deze wijzigingen weerspiegelden de verschuiving tussen offensieve patrouilles en vitale bevoorradingsmissies naar Malta.
Status schip tijdens de oorlog
Parthian was aan het begin van de oorlog technisch passend binnen de Britse oceaanpatrouilledoctrine. De onderhoudstoestand wisselde per inzetperiode: routine-dockings in 1939/40 in Hongkong en 1941/42 in de VS brachten het schip op peil. In 1942–1943 traden herhaaldelijk problemen op met diepte-roeren en ballasttanks, wat tot afgebroken patrouilles en aanvullende reparaties leidde. De ontwerpfilosofie uit eind jaren twintig betekende dat Parthian in 1943 qua sensoren en dataverwerking soberder was dan nieuwere eenheden, maar het schip bleef inzetbaar in de Middellandse Zee en de Egeïsche Zee tot aan het verlies.
Operationele geschiedenis
Pre-oorlog en China Station (1931–1939)
Na indienststelling werd Parthian naar de China Station gedetacheerd en ingedeeld bij de 3rd Submarine Flotilla te Singapore. De jaren dertig kenden vooral patrouilles en oefeningen tussen Sabang, Soerabaja en Hongkong. De bemanning bouwde ervaring op in tropische wateren en bij lange transitmarsen via Suez en Gibraltar. Commandeurswisselingen (o.a. Edwards, Studholme) markeerden de normale rotatie. De operationele focus lag op aanwezigheid in imperiale zeeroutes en het gereedhouden voor eventuele interventies in de regio.
Overplaatsing naar de Middellandse Zee (1940)
Bij het uitbreken van de oorlog bleef Parthian aanvankelijk in het Verre Oosten, met beperkte actie. Begin 1940 verplaatste het schip via Colombo en Aden naar Port Said en werd ingedeeld bij de 1st Submarine Flotilla te Alexandrië. De eerste patrouilles verliepen terughoudend; op 10 juni 1940 trad Italië tot de oorlog toe. Tijdens de vierde oorlogspatrouille opereerde Parthian voor de Libische kust en boekte op 20 juni 1940 een belangrijk resultaat door het Italiaanse onderzeeboot Diamante met torpedo’s te vernietigen ten noordwesten van Tobroek, zonder overlevenden aan Italiaanse zijde.
Patrouilles rond Kreta en Zuid-Italië (1940–1941)
Tussen juli en december 1940 patrouilleerde Parthian rond Kreta, Kalabrië en de Ionische Zee. Diverse torpedoaanvallen mislukten door uitwijkende doelen of beperkte schootskansen. In januari 1941 werd het Italiaanse vrachtschip Carlo Martinolich (4.208 BRT) ten oosten van Punta Stilo tot zinken gebracht. In februari verkende Parthian de omgeving van Kastellorizo voorafgaand aan Operatie Abstention. In maart 1941 werd de Giovanni Boccaccio (3.141 BRT) bij Capo dell’Armi beschadigd; de tegenmaatregelen van escortes vergden snelle dieptevluchten en ontwijkmanoeuvres.
Dardanellen- en Egeïsche fase (mei–juli 1941)
Na technische proeven aan de diepte-regeling volgde een patrouille naar de Egeïsche Zee en de uitgang van de Dardanellen, gericht op olie-transporten aus Rumenië. Op 3 juni 1941 werd de Italiaanse tanker Strombo (5.232 BRT) beschadigd. Parthian vuurde bovendien op 8 juni twee torpedo’s de haven van Mytilini in, waarbij kade-aanleg en kleine vaartuigen werden getroffen. Op 25 juni 1941 torpedeerde Parthian het Vichy-Franse onderzeeboot Souffleur in de Baai van Jounieh, met zwaar verlies aan mensenlevens. Dit was de tweede succesvolle onderzeeboot-tegen-onderzeeboot-actie van Parthian.
Oversteek naar de VS en Malta-bevoorrading (1941–1942)
In de zomer van 1941 werd Parthian via Gibraltar naar Portsmouth en vervolgens naar de Portsmouth Naval Shipyard (Maine) verplaatst voor een grote refit. De werfperiode duurde tot maart 1942 en betrof onder meer de logistieke aanpassingen voor Malta-runs. Door technische nazorg vertraagde de Atlantische terugkeer; medio juni 1942 arriveerde Parthian in Gibraltar. Tussen juli en november 1942 voer het schip zes logistieke missies naar Malta, met transport van vliegtuigbrandstof, munitie, post en onderdelen, en evacuatie van personeel op terugreizen. Deze tochten waren risicovol maar van operationele waarde.
Herstart offensieve inzet en technische tegenslag (eind 1942–maart 1943)
Vanaf november 1942 hervatte Parthian offensieve patrouilles in de zuidelijke uitlopers van de Tyrreense Zee, zonder bevestigde scheepsverliezen. Een patrouille in december werd vroegtijdig afgebroken wegens problemen met duiktanks en diepte-roeren. Tijdens de overplaatsing naar Beirut voor reparaties escaleerden de storingen; op 13 januari 1943 leidde een defect ventiel tot een ongecontroleerde dieptewijziging en tankbeschadiging, waarna aanvullende herstelwerkzaamheden in Port Said tot maart noodzakelijk waren. De commandowissel naar luitenant M. B. St. John viel in deze periode.
Egeïsche operaties en kustacties (maart–mei 1943)
Van 23 maart tot 10 april 1943 opereerde Parthian in de noordelijke Egeïsche Zee. Het schip stopte en vernietigde kleine kaïks (Angela Mytilene en Archangelos) na evacuatie van de bemanning en beschietingen van haveninstallaties. Op 31 maart werd de Elpis door kanonvuur tot zinken gebracht. Na schroefvervangingen voer Parthian van 30 april tot 12 mei opnieuw naar Kreta en de noordelijke Egeïsche Zee, zette een commandoafzetting aan de kusten van Lasithi af en voerde beschietingen uit, waaronder tegen Platamonas, waarbij twee kleine vaartuigen in de haven verloren gingen.
Escalatie van tegenmaatregelen (mei–juni 1943)
Op 5 mei 1943 kwam het tot een schermutseling met het Duitse U-bootbevoorradingsschip Drache, dat schade opliep door dekkanonvuur. Parthian werd daarop intensief met dieptebommen bestookt en liep periscoopschade op, wat de patrouille verkortte. De negentiende patrouille (27 mei–13 juni) in de zuidelijke Egeïsche Zee leverde geen bevestigde resultaten op. Op 15 juni 1943 nam luitenant C. A. Pardoe (RNR) het commando over. De twintigste patrouille richting Kreta (20 juni–7 juli) kende geen successen; op 30 juni mislukte een aanval op de door Duitsers ingezette Griekse Tanais.
Laatste patrouille en verlies (juli–augustus 1943)
Op 22 juli 1943 vertrok Parthian vanuit Malta voor de 21e patrouille. Het schip werd eind juli naar het gebied Otranto-Brindisi gedirigeerd om de zuidelijke Adriatische Zee te bewaken. Op 6 augustus volgde het bevel om naar Beirut te verplaatsen, met aankomstdatum 11 augustus. Er kwam geen ontvangstbevestiging en Parthian arriveerde niet. De meest waarschijnlijke oorzaak is een mijnenveld in de nabijheid van Brindisi in de periode 6–7 augustus 1943. Onder de slachtoffers bevond zich Timothy Walker, zoon van kapitein F. J. “Johnny” Walker. Er waren geen overlevenden.
Na de oorlog
Dit hoofdstuk is niet van toepassing. Het wrak van HMS Parthian is tot op heden niet gelokaliseerd en het schip bleef officieel vermist. Er volgde geen naoorlogse herindienststelling of museale conservering, aangezien de eenheid in 1943 verloren ging.
Conclusie
HMS Parthian belichaamde een interbellum-ontwerp dat in 1939–1941 effectief inzetbaar was voor lange patrouilles, torpedoaanvallen en opportunistische artillerieacties. De logistieke aanpassing voor Malta benadrukte de flexibiliteit binnen de Middellandse Zee-strategie. In 1943 was de technologische lat hoger komen te liggen: zonder een Combat Information Center of Air Information Centre bleef de dataverwerking bemanningsgestuurd. Volgens de militaire normen van 1943 gold een dergelijk sensor- en informatieprofiel als verouderd ten opzichte van nieuwere systemen, al bleef Parthian operationeel inzetbaar tot het verlies in de Adriatische Zee.
Bronnen en meer informatie
- Afbeelding: Allen, E E (Lt), Public domain, via Wikimedia Commons
Akermann, Paul (2002). Encyclopaedia of British Submarines 1901–1955. Penzance: Periscope Publishing. ISBN 1-904381-05-7.
Bagnasco, Erminio (1977). Submarines of World War Two. Annapolis: Naval Institute Press. ISBN 0-87021-962-6.
Caruana, Joseph (2012). “Emergency Victualling of Malta During WWII”. Warship International 69(4): 357–364. ISSN 0043-0374.
Chesneau, Roger (1980). Conway’s All the World’s Fighting Ships 1922–1946. Greenwich: Conway Maritime Press. ISBN 0-85177-146-7.
Colledge, J. J.; Warlow, Ben (2006). Ships of the Royal Navy: The Complete Record of all Fighting Ships of the Royal Navy (Rev. ed.). London: Chatham Publishing. ISBN 978-1-86176-281-8.
McCartney, Innes (2006). British Submarines 1939–1945. New Vanguard 129. Oxford: Osprey. ISBN 1-84603-007-2.
Playfair, I. S. O.; Molony, C. J. C.; Flynn, F. C.; Gleave, T. P. (2009) [HMSO 1954]. The Mediterranean and Middle East, Vol. I: The Early Successes Against Italy, to May 1941. Uckfield: Naval & Military Press. ISBN 978-1-84574-065-8.
Wingate, John (1991). The Fighting Tenth: The Tenth Submarine Flotilla and the Siege of Malta. Penzance: Periscope Publishing. ISBN 978-1-904381-32-6.









