De IJssellinie was in mei 1940 in principe makkelijk te verdedigen, omdat de IJssel een natuurlijke hindernis vormde met beperkte overgangen. Winkelman gaf deze linie feitelijk op als sterke verdedigingslijn. Daardoor verloor Nederland tijd voor de Franse opmars richting Noord-Brabant. De Grebbelinie was secundair en de Grebbeberg werd tijd- en materiaalverspilling.
Militaire en Politieke Situatie
Nederland hield tot 10 mei 1940 vast aan neutraliteit. Die politiek moest voorkomen dat Nederland vroeg in een oorlog werd betrokken. Militair betekende dit dat openlijke afspraken met Frankrijk en Groot-Brittannië beperkt bleven. Toen Duitsland Nederland aanviel, moest de Nederlandse verdediging daarom grotendeels uitgaan van eigen stellingen, eigen voorbereiding en eigen bevelvoering.
De Duitse inval in Nederland maakte deel uit van de aanval op West-Europa. Duitsland viel tegelijk Nederland, België, Luxemburg en Frankrijk aan. De Duitse leiding hield rekening met een geallieerde opmars naar België volgens het Dyle-plan. Daardoor konden Franse en Britse troepen naar het noorden worden getrokken, terwijl de Duitse hoofdaanval via de Ardennen naar de Maas en daarna naar het westen ging.
Voor Nederland was vooral de Breda-variant van het Dyle-plan van belang. In die variant moest het Franse Zevende Leger naar Noord-Brabant oprukken om aansluiting te zoeken met de Nederlandse verdediging. Die Franse beweging vroeg tijd. De Fransen moesten over grote afstand rijden, met voertuigen, artillerie, brandstof, munitie en verbindingsmiddelen. Zij konden niet zonder voorbereiding direct een vaste verdediging voeren.
De IJssellinie had in deze situatie meer waarde dan Winkelman eraan gaf. De linie lag vóór de westelijke Nederlandse verdediging en kon de Duitse opmars vertragen. De rivier dwong Duitse troepen naar bruggen, veerplaatsen en voorbereide oversteekpunten. Een sterker bezette IJssellinie had de Duitse snelheid eerder kunnen breken en daarmee tijd kunnen winnen voor de Franse beweging richting Noord-Brabant.
Winkelman koos niet voor deze aanpak. Hij concentreerde de hoofdverdediging vooral op de Grebbelinie, de Nieuwe Hollandse Waterlinie en de Vesting Holland. De IJssellinie kreeg daardoor vooral een rol als vertragingslinie. Dat was een foute beoordeling, omdat Nederland juist aan de IJssel beschikte over een natuurlijke barrière die beter gebruikt had moeten worden.
De Grebbelinie was binnen dit vraagstuk secundair. Zij was van betekenis voor de verdediging van Midden-Nederland, maar lag te ver naar het westen om de Franse voorbereiding in Noord-Brabant goed te ondersteunen. De Grebbeberg was slechts een onderdeel van die linie. De nadruk op de Grebbeberg was daarom tijd- en materiaalverspilling, omdat daar manschappen, munitie en aandacht werden gebonden die de IJssellinie sterker hadden kunnen maken.
Winkelman was in deze beoordeling niet gehinderd door enige bruikbare militaire kennis van het verband tussen rivierverdediging, tijdwinst en geallieerde aansluiting. Ook veel Nederlandse opperofficieren dachten vooral in vaste stellingen en binnenlandse verdedigingsvakken. De samenhang tussen IJssellinie, Noord-Brabant, Moerdijk, Dordrecht, Rotterdam en de Franse opmars werd onvoldoende verwerkt in de Nederlandse planning. Daardoor werd een goed verdedigbare rivierstelling niet gebruikt als sterke schakel in de totale verdediging.
Locatie
De IJssellinie lag langs de rivier de IJssel in het oosten van Nederland. De linie liep in grote lijnen vanaf het gebied bij Westervoort en Arnhem langs Doesburg, Zutphen, Deventer en Zwolle richting Kampen. De rivier vormde een duidelijke scheiding tussen de Duitse opmars uit het oosten en de wegen naar Midden-Nederland. Daardoor had de linie een gunstige natuurlijke ligging.
De waarde van de IJssellinie lag vooral in de beperkte overgangen. Een aanvaller kan een rivier niet overal even snel oversteken. Bruggen, veerplaatsen, dijken, wegen en spoorverbindingen bepalen waar een snelle doorgang mogelijk is. Dat maakte de verdediging overzichtelijker dan in open terrein. Nederlandse eenheden konden hun aandacht richten op bekende punten waar Duitse troepen moesten verschijnen.
Bij de bruggen waren vernielingen voorbereid. Wanneer een brug tijdig werd opgeblazen of onbruikbaar werd gemaakt, verloor de Duitse aanval snelheid. Dan moesten Duitse genie-eenheden pontons, boten of noodbruggen inzetten. Dat kostte tijd en bracht opstoppingen met zich mee. Juist daarom was de IJssellinie in principe makkelijk te verdedigen, zolang zij voldoende bezetting, artillerie en achterliggende troepen had gekregen.
Achter de IJssellinie lagen de routes naar de Veluwe, Apeldoorn, de Gelderse Vallei en verder naar het westen. De Duitse opmars naar de Grebbelinie liep daardoor door gebied dat vanaf de IJssel eerder kon worden gecontroleerd. Wanneer de linie langer had standgehouden, was de druk op de westelijker verdediging later gekomen. Ook had de Nederlandse legerleiding meer tijd gehad om de situatie in Noord-Brabant te volgen.
De ligging van de IJssellinie moet niet alleen vanuit Oost-Nederland worden bekeken. Zij had ook verband met de zuidelijke operatiezone. De Franse opmars naar Noord-Brabant had tijd nodig om vorm te krijgen. Als de Duitse aanval aan de IJssel langer was opgehouden, was er meer ruimte ontstaan voor Franse troepen om Breda, Tilburg en andere Brabantse posities te bereiken.
De Grebbeberg lag niet in deze eerste rivierzone. De berg werd pas een strijdpunt nadat Duitse troepen de IJssel waren gepasseerd en verder naar het westen oprukten. Daardoor kon de Grebbeberg de verloren tijd aan de IJssel niet terugbrengen. De Grebbeberg was geen oplossing voor het probleem van de geallieerde aansluiting in Noord-Brabant.
Militaire Leiders
Henri Winkelman was in mei 1940 opperbevelhebber van de Nederlandse land- en zeestrijdkrachten. Hij kreeg de leiding over een leger dat grotendeels uit dienstplichtigen bestond die opnieuw werden gemobiliseerd. Deze mannen hadden hun eerdere dienstplicht vervuld, maar kregen daarna geen voldoende vervolgopleiding en nauwelijks verdere training die aansloot op moderne oorlogvoering. Zij gingen daardoor feitelijk onvoorbereid de oorlog in.
De Nederlandse strijdkrachten beschikten over beperkte moderne middelen, weinig luchtsteun en onvoldoende ervaring met snelle gemechaniseerde oorlogvoering. Binnen het leger lag bovendien veel aandacht op marcheren, kazerneverblijf, orde en routine. Dat was niet hetzelfde als voorbereiding op luchtlandingen, pantserdoorbraken, rivierovergangen en snelle Duitse aanvalsmethoden. De kloof tussen dagelijkse militaire routine en werkelijke oorlogsomstandigheden was daardoor groot.
Winkelman behandelde de IJssellinie niet als hoofdverdediging. Hij koos voor concentratie op de Grebbelinie en Vesting Holland. Daardoor kreeg de IJssel vooral de taak om kort te vertragen. Deze keuze liet geen bruikbare militaire kennis zien van de waarde van een rivierstelling in samenhang met geallieerde bewegingen. De IJssel bood namelijk een natuurlijke hindernis die beter benut had moeten worden.
De commandant van het Veldleger was luitenant-generaal J.J.G. baron van Voorst tot Voorst. Onder zijn verantwoordelijkheid vielen formaties die de verdediging in Midden-Nederland moesten dragen. Langs de IJssel stonden lagere commandanten, infanterie-eenheden, grensdetachementen, kazematbemanningen en het Korps Politietroepen. Zij moesten bruggen bewaken, vernielingen uitvoeren en Duitse overgangen vertragen.
De Duitse aanval op Nederland viel onder Heeresgruppe B. De Duitse 18. Armee stond onder bevel van generaal Georg von Küchler. Voor de opmars door Oost-Nederland waren Duitse infanteriekorpsen, genie-eenheden en snelle formaties van belang. Zij moesten de rivierlinies passeren en daarna druk zetten op de Nederlandse verdediging in het westen.
Generaal Christian Hansen voerde het X. Armeekorps aan. Duitse infanteriedivisies en SS-eenheden traden op tegen Nederlandse stellingen in het oosten en midden van het land. In het zuiden was de 9e Pantserdivisie van groot belang. Die divisie moest via Noord-Brabant naar de Moerdijkbruggen oprukken en aansluiting maken met Duitse luchtlandingstroepen.
Aan Franse zijde was generaal Henri Giraud belangrijk door zijn bevel over het Franse Zevende Leger. Dit leger moest in de Breda-variant naar het noorden oprukken. Die opdracht was zwaar, omdat de Franse eenheden over enkele honderden kilometers moesten bewegen. Zonder voldoende tijd konden zij geen voorbereide verdediging opbouwen. De zwakke Nederlandse verdediging aan de IJssel (en Peel-Raamstelling) maakte dat probleem groter.
Doelstelling en planning
De IJssellinie had als doel de Duitse opmars te vertragen. In de Nederlandse planning was zij geen hoofdverdediging, maar een vooruitgeschoven verdedigingszone. Nederlandse troepen moesten bruggen vernielen, oversteekplaatsen onder vuur nemen en de Duitse beweging ophouden. Daarmee moest tijd worden gewonnen voor de westelijker verdediging.
Deze beperkte doelstelling was verkeerd gekozen. De IJssel was een natuurlijke hindernis en kon sterker worden verdedigd dan open terrein. De vaste overgangen waren bekend, de bruggen konden worden voorbereid voor vernieling en de naderingswegen konden onder vuur worden genomen. Daarom had de linie niet alleen als korte vertraging moeten dienen. Zij had als sterke verdedigingslijn moeten worden gebruikt.
Winkelman gaf de IJssellinie feitelijk op als linie waarop Nederland langdurig zou standhouden. Door manschappen en middelen naar westelijker stellingen te brengen, bleef de IJssellinie zwak bezet. Zij beschikte niet over voldoende diepte achter de voorste posten. Ook ontbraken sterke achterliggende troepen die Duitse overgangen konden terugwerpen. Daardoor werd de linie afhankelijk van plaatselijke weerstand en brugvernielingen.
De Grebbelinie kreeg te veel aandacht. Zij was niet de plaats waar Nederland de meeste tijd kon winnen voor de Franse opmars naar Noord-Brabant. De Grebbeberg was daarbinnen nog beperkter. Manschappen, munitie, artillerie en stellingenbouw werden gebonden aan een plek die de Duitse route via Moerdijk, Dordrecht en Rotterdam niet kon afsluiten. Binnen deze beoordeling was de Grebbeberg tijd- en materiaalverspilling.
De planning werd verder verzwakt door de kwaliteit van de voorbereiding van de dienstplichtigen die opnieuw werden gemobiliseerd. Zij hadden geen doorlopende training gekregen waarmee zij waren voorbereid op moderne aanvalsvormen. Veel aandacht ging uit naar marcheren, verblijf in de kazerne, discipline en vaste routines. Dat leverde geen troepen op die goed konden reageren op luchtsteun, snelle doorbraken, brugaanvallen en geïsoleerde kazematstrijd.
De Duitse planning richtte zich op snelheid en ontregeling. Het doel was niet alleen om terrein te winnen, maar ook om bruggen, vliegvelden, havens en verbindingen te controleren. De aanval op Moerdijk, Dordrecht en Rotterdam paste daarbij. Door deze punten snel te bedreigen, kon Duitsland de verbinding tussen Vesting Holland en de geallieerde opmars vanuit België doorsnijden.
Het Mansteinplan was bedoeld om de beste geallieerde strijdmacht naar België te trekken. Franse en Britse legers zouden volgens het Dyle-plan naar voren komen, terwijl de Duitse hoofdaanval via de Ardennen doorbrak. In Nederland werkte hetzelfde probleem door. De Duitse route via Noord-Brabant naar de grote rivieren bedreigde de aansluiting tussen Nederland en de Fransen. Juist daarom had de IJssellinie sterker moeten zijn.
De Franse voorbereiding hing af van tijd, routes en contactpunten. Het Franse Zevende Leger kon niet zonder rust een verdedigende slag opbouwen na een lange verplaatsing. Artillerie moest worden opgesteld, voertuigen moesten worden aangevuld en verbindingen moesten worden gelegd. Door de IJssellinie niet als sterke verdediging te gebruiken, kreeg de Franse opmars onvoldoende ruimte om zich te vormen.
Militaire eenheden
De Nederlandse verdediging aan de IJssel bestond uit infanterie-eenheden, grensdetachementen, kazematbemanningen, politietroepen en beperkte artillerie. Deze eenheden waren verspreid over een lange rivierlinie. Hun opdracht was zwaar, omdat zij bruggen, wegen en mogelijke oversteekplaatsen moesten bewaken. De bezetting was te licht voor een langdurige verdediging.
Veel Nederlandse militairen waren dienstplichtigen die opnieuw werden gemobiliseerd. Zij hadden hun dienstplicht eerder vervuld en werden bij de mobilisatie opnieuw onder de wapenen geroepen. Daarna volgde geen voldoende vervolgopleiding en geen verdere training die hen voorbereidde op moderne oorlogvoering. Zij werden daardoor feitelijk onvoorbereid de oorlog ingezonden.
In vaste stellingen konden deze militairen bruikbaar zijn wanneer zij duidelijke opdrachten kregen en goed waren ingegraven. Dat gold vooral voor eenvoudige bewakingstaken, brugverdediging en vaste posten. Voor snelle tegenaanvallen, herstel van doorbraken, verplaatsingen onder luchtdruk en samenwerking met artillerie waren de mogelijkheden kleiner. De opleiding sloot niet goed aan op de omstandigheden van mei 1940.
De nadruk in de voorbereiding lag te veel op marcheren en verblijf in de kazerne. Zulke onderdelen konden orde en discipline ondersteunen, maar zij bereidden militairen niet voldoende voor op Duitse snelheid, luchtlandingen en gecombineerde aanvallen. Juist bij de IJssellinie was dat nadelig. Een rivierstelling vraagt niet alleen standvastigheid, maar ook goed gecoördineerde brugvernieling, verbindingen, vuurleiding en snelle reactie op oversteekpogingen.
De kazematten langs de IJssel moesten bruggen en oevers onder vuur nemen. Sommige kazematten waren geplaatst bij vaste overgangen en hadden een duidelijke taak binnen het verdedigingsplan. Toch waren deze posten kwetsbaar wanneer zij geïsoleerd raakten. Zonder sterke achterliggende troepen konden zij plaatselijk weerstand bieden, maar geen doorbraak op linieniveau herstellen.
Het Korps Politietroepen had een bijzondere taak bij de bruggen. Deze eenheden moesten bruggen bewaken en erop toezien dat vernielingen op het juiste moment werden uitgevoerd. Dat was belangrijk, omdat een intacte brug de Duitse opmars sterk kon versnellen. Waar bruggen tijdig werden vernield, werd de Duitse aanval vertraagd. Het effect bleef echter beperkt door de zwakke opbouw van de linie als geheel.
Aan Duitse zijde werden infanterie, genie en snelle eenheden gecombineerd. De infanterie moest Nederlandse posten bereiken en uitschakelen. De genie moest vernielde bruggen vervangen, pontons inzetten en noodovergangen maken. Deze samenwerking maakte de Duitse aanval geschikt voor het passeren van rivierhindernissen. De Nederlandse verdediging had te weinig middelen en te weinig geoefende samenhang om zulke overgangen duurzaam te blokkeren.
In Noord-Brabant speelde de 9e Pantserdivisie een belangrijke rol. Deze divisie moest oprukken naar de Moerdijkbruggen. Daar bevonden zich Duitse luchtlandingstroepen die de bruggen moesten vasthouden. Zodra de grondtroepen aansluiting kregen met deze luchtlandingseenheden, ontstond een route richting Dordrecht, Rotterdam en Vesting Holland. Deze beweging was voor de Nederlandse verdediging gevaarlijker dan de strijd om de Grebbeberg alleen.
De Franse eenheden die naar Noord-Brabant moesten komen, hadden een moeilijke opdracht. Zij moesten een lange verplaatsing uitvoeren onder toenemende druk. Hun voertuigen, artillerie en voorraden moesten over volle wegen naar het noorden. Zonder voldoende Nederlandse vertraging konden zij geen sterke posities voorbereiden. De zwakke IJssellinie maakte hun opdracht daardoor zwaarder.
Het verloop van de strijd aan de IJssellinie
De Duitse aanval begon in de vroege ochtend van 10 mei 1940. Duitse troepen overschreden de Nederlandse grens en rukten snel op naar de IJssel. Tegelijk werden elders in Nederland luchtlandingen en luchtaanvallen uitgevoerd. De Duitse aanval was gericht op snelheid, verwarring en het uitschakelen van verbindingen.
Bij verschillende bruggen probeerden Duitse eenheden intacte overgangen in handen te krijgen. Bruggen waren van groot belang voor voertuigen, artillerie en aanvoer. Wanneer een brug behouden bleef, konden Duitse troepen snel doorstoten. Wanneer een brug werd vernield, moesten zij wachten op genie en oversteekmiddelen. Daarom waren de eerste uren aan de IJssel vooral een strijd om bruggen en tijd.
Nederlandse verdedigers voerden op meerdere plaatsen brugvernielingen uit. Dat vertraagde de Duitse aanval. Duitse troepen moesten uitwijken, wachten of met boten en pontons oversteken. Deze vertraging bevestigt dat de IJssellinie als rivierstelling werkte. De natuurlijke hindernis was aanwezig en kon de Duitse beweging beperken.
Het probleem lag niet bij de rivier, maar bij de gekozen verdediging. De linie was te zwak bezet en had te weinig diepte. Kazematten en veldposten boden plaatselijk weerstand, maar konden niet overal worden ondersteund. Wanneer Duitse troepen een oversteekpunt vonden of afdwongen, stonden er onvoldoende Nederlandse achterliggende eenheden klaar om die doorbraak te herstellen.
De beperkte training van veel gemobiliseerde dienstplichtigen werkte daarbij door. Zij waren opnieuw opgeroepen, maar hadden geen voldoende vervolgopleiding of verdere training gekregen. Daardoor werden zij geconfronteerd met een moderne Duitse aanval waarvoor zij feitelijk onvoldoende waren voorbereid. Een leger dat vooral aandacht had gegeven aan marcheren en kazerneroutine kon aan de IJssel moeilijk reageren op snelle druk bij meerdere bruggen tegelijk.
Bij plaatsen als Westervoort, Doesburg, Zutphen, Deventer en Zwolle ontstonden gevechten rond bruggen, oevers en toegangswegen. Duitse artillerie en infanterie zetten druk op Nederlandse posten. Genie-eenheden werden gebruikt om overgangen mogelijk te maken. De Nederlandse weerstand vertraagde de aanval, maar kon geen langdurig aaneengesloten front aan de rivier vormen.
De terugtocht uit delen van het IJsselfront werd daardoor snel noodzakelijk. Nadat Duitse eenheden op meerdere plaatsen over de rivier waren gekomen, dreigde afsnijding van Nederlandse posten. De resterende eenheden moesten terug naar westelijker posities of raakten verspreid. Daarmee verloor Nederland de eerste sterke natuurlijke hindernis in het oosten.
Tegelijk verslechterde de situatie in Noord-Brabant. Duitse luchtlandingstroepen hielden posities bij Moerdijk, Dordrecht en Rotterdam onder druk. De 9e Pantserdivisie rukte op om aansluiting te maken met deze troepen. Daardoor ontstond een Duitse route naar de grote rivieren en het westen van Nederland. Deze beweging ondermijnde de Franse aansluiting veel sterker dan de strijd bij de Grebbeberg kon herstellen.
De Franse opmars naar Noord-Brabant kwam onder deze omstandigheden te laat. De Fransen hadden een lange rit achter zich en konden geen voorbereide verdedigingsslag opbouwen. Zij moesten reageren op een situatie die al snel veranderde. Door het verlies van tijd aan de IJssel en de Duitse druk bij Moerdijk viel de samenhang tussen de Nederlandse verdediging en het Dyle-plan uiteen.
De Grebbeberg werd daarna een zwaar strijdpunt. Nederlandse troepen vochten daar onder moeilijke omstandigheden. Toch veranderde dat niets aan het strategische probleem. De Grebbeberg lag niet op de plaats waar de Franse voorbereiding in Noord-Brabant beschermd kon worden. De middelen die daar werden gebonden, konden het verlies van de IJssellinie niet goedmaken.
Resultaat
Het taktische resultaat aan de IJssellinie was beperkt. Nederlandse verdedigers vertraagden de Duitse aanval door bruggen te vernielen en oversteekplaatsen te verdedigen. Duitse troepen moesten op meerdere punten gebruikmaken van boten, pontons of noodbruggen. De IJssel bewees daarmee zijn waarde als hindernis.
Het taktische tekort lag in de zwakke bezetting. De linie kon de vertraging niet omzetten in langdurige verdediging. Daarvoor waren meer infanterie, artillerie, verbindingsmiddelen en achterliggende troepen nodig geweest. Een rivierstelling werkt pas goed wanneer doorbraken direct kunnen worden bestreden. Aan de IJssel ontbrak die tweede laag.
Het gebrek aan opleiding maakte dit tekort groter. De gemobiliseerde dienstplichtigen hadden geen voldoende vervolgopleiding en geen verdere training gehad voor de omstandigheden waarin zij terechtkwamen. Zij waren wel onder de wapenen geroepen, maar niet goed voorbereid op snelle Duitse bewegingen, luchtsteun, brugaanvallen en ontregeling van verbindingen. Daardoor werd plaatselijke moed niet omgezet in een samenhangende rivierverdediging.
Het strategische resultaat was ongunstig voor Nederland. De Duitse opmars naar Midden-Nederland kwam snel op gang. De Fransen kregen onvoldoende tijd om Noord-Brabant voor te bereiden als verdedigingsgebied. Daardoor werd de Breda-variant van het Dyle-plan in de praktijk losgetrokken van de Nederlandse verdediging. De verbinding tussen Nederland en de geallieerde beweging verzwakte snel.
De politieke gevolgen waren groot. De Nederlandse regering en legerleiding kregen te maken met verlies van grondgebied, verstoorde verbindingen en druk op Vesting Holland. De Duitse dreiging kwam niet alleen uit het oosten, maar ook via Noord-Brabant en de luchtlandingen in het westen. Daardoor werd de Nederlandse positie in korte tijd onhoudbaar.
De maatschappelijke gevolgen waren direct merkbaar in de IJsselstreek. Burgers moesten vluchten, werden geëvacueerd of zochten dekking in woningen, kelders en boerderijen. Brugvernielingen en gevechten verstoorden het verkeer en de bevoorrading. Dorpen en steden aan de rivier kregen snel te maken met Duitse bezetting.
Het resultaat laat zien dat de IJssellinie niet het probleem was. De rivierstelling had goede verdedigbare eigenschappen. De fout lag in de keuze om deze linie niet als sterke verdediging te gebruiken. Daardoor werd de Grebbelinie zwaarder belast dan nodig was en werd de Grebbeberg een kostbaar punt zonder voldoende strategische opbrengst.
Miltaire en burger slachtoffers
Voor de IJssellinie bestaat geen betrouwbaar totaal dat alle Nederlandse, Duitse en burgerlijke slachtoffers per deelgebied volledig samenbrengt. De gevechten waren verspreid over bruggen, kazematten, dorpen, wegen en oversteekplaatsen. Nederlandse militairen sneuvelden of raakten gewond tijdens plaatselijke gevechten. Anderen werden krijgsgevangen gemaakt of moesten zich terugtrekken.
De Duitse verliezen aan de IJssel bleven plaatselijk. Vooral infanterie en genie liepen risico bij het naderen van bruggen en oevers. Oversteekpogingen onder vuur waren gevaarlijk en konden vertraging opleveren. Toch konden de Duitse eenheden deze verliezen dragen. De aanval als geheel werd er niet door gestopt.
Voor Nederland waren de verliezen moeilijker op te vangen. Het leger beschikte wel over dienstplichtigen die opnieuw werden gemobiliseerd, maar hun inzetbaarheid was beperkt door het ontbreken van vervolgopleiding en verdere training. Een deel van hen had eerder militaire opleiding gehad en werd opnieuw opgeroepen. Zij waren vooral bruikbaar in vaste stellingen, maar minder geschikt voor snelle verplaatsingen, tegenaanvallen en herstel van doorbraken.
Deze mannen werden feitelijk onvoorbereid de oorlog ingezonden. De nadruk op marcheren, verblijf in de kazerne en algemene militaire routine had hen onvoldoende voorbereid op de Duitse aanvalsmethode. Dat had gevolgen voor het aanvullen van verliezen na de eerste gevechten. Er was personeel, maar de kwaliteit van de inzetbaarheid voor moderne oorlogsomstandigheden was onvoldoende.
Na het verlies van de IJssellinie konden de Nederlandse verliezen niet goed worden aangevuld aan dezelfde stelling. De linie was opgegeven en Duitse troepen waren op meerdere plaatsen over de rivier. Daardoor was herstel van het IJsselfront niet meer realistisch binnen de beschikbare tijd. Overgebleven eenheden moesten worden teruggenomen of elders worden ingezet.
Burgerslachtoffers zijn voor de IJssellinie niet in één zeker totaalcijfer samen te vatten. Wel werden burgers getroffen door beschietingen, brugvernielingen, vlucht en schade aan woningen en verbindingen. Voor de bevolking langs de IJssel begon de oorlog direct in de eigen omgeving. De gevechten hadden daardoor niet alleen militaire, maar ook lokale maatschappelijke gevolgen.
De slachtoffers versterkten het probleem van de zwakke verdedigingsopbouw. Iedere uitgeschakelde kazemat, verloren post of verspreide eenheid maakte herstel moeilijker. Bij een sterkere IJssellinie hadden achterliggende troepen verliezen kunnen opvangen en nieuwe posities kunnen bezetten. Die mogelijkheid ontbrak in mei 1940 grotendeels.
Materiele verliezen
De materiële verliezen aan Nederlandse zijde bestonden uit vernielde bruggen, beschadigde kazematten, achtergelaten wapens, verloren munitie en verstoorde verbindingen. Een deel van de brugvernielingen was bewust uitgevoerd. Militair was dat nodig om de Duitse opmars te vertragen. Tegelijk betekende het dat Nederlandse bewegingen over de rivier daarna moeilijker werden.
Kazematten en veldstellingen konden na zware druk niet altijd behouden blijven. Wanneer een post werd verlaten of omsingeld, bleven wapens en munitie soms achter. De Nederlandse eenheden hadden weinig tijd om materiaal ordelijk af te voeren. Daardoor gingen middelen verloren die later in de verdediging van Midden-Nederland nuttig hadden kunnen zijn.
Voor de Duitse aanval leverden vernielde bruggen tijdelijk verlies aan snelheid op. Genie-eenheden moesten schade herstellen, pontons aanleggen of andere overgangen zoeken. Dat kostte materiaal en tijd. Toch konden de Duitsers dit meestal oplossen door betere voorbereiding op snelle rivierovergangen. De Nederlandse vertraging werd daardoor niet omgezet in een blijvende blokkade.
De gevolgen voor Nederlandse voorraden waren groter dan alleen het verlies aan wapens. Munitie, brandstof, verbindingsmateriaal en transportmiddelen moesten over een krimpend gebied worden verdeeld. Door de Duitse druk op meerdere plaatsen werd herverdeling moeilijk. Een leger dat snel terrein verliest, verliest ook routes, opslagpunten en overzicht.
De Franse voorraden en voertuigen kwamen eveneens onder druk te staan. De opmars naar Noord-Brabant vergde brandstof, onderhoud, munitie en voldoende verkeersruimte. De Fransen moesten over grote afstand rijden en konden hun materieel niet rustig opstellen voor een verdedigende slag. Door de snelle Duitse opmars bij Moerdijk en Dordrecht werd de Franse bewegingsruimte kleiner.
De materiële inzet bij de Grebbeberg leverde in dit verband te weinig op. Stellingen, munitie, artillerie en manschappen werden geconcentreerd op een plaats die de verbinding met de Franse opmars niet kon veiligstellen. De Grebbeberg was daardoor tijd- en materiaalverspilling binnen de bredere verdediging. De IJssellinie had deze middelen harder nodig, omdat zij de Duitse snelheid eerder had kunnen beperken.
Conclusie
De doelstelling van de IJssellinie werd slechts beperkt gehaald. De linie vertraagde de Duitse aanval plaatselijk, vooral door brugvernielingen en weerstand bij overgangen. Toch hield zij niet lang genoeg stand om de Franse opmars richting Noord-Brabant voldoende voorbereidingstijd te geven. Dat kwam niet door de rivier zelf, maar door de zwakke bezetting en de verkeerde planning.
De IJssellinie was in principe makkelijk te verdedigen. De rivier vormde een natuurlijke hindernis en dwong Duitse troepen naar bekende oversteekpunten. Winkelman gaf deze positie feitelijk op als sterke verdedigingslijn. Daarmee verloor Nederland verdedigingsdiepte en tijd. Zijn keuze liet geen bruikbare militaire kennis zien, vooral in relatie tot het Dyle-plan en de Duitse druk op Noord-Brabant.
De gemobiliseerde dienstplichtigen waren geen goed voorbereide moderne oorlogsmacht. Zij werden opnieuw onder de wapenen geroepen, maar kregen geen voldoende vervolgopleiding en geen verdere training. De aandacht voor marcheren, verblijf in de kazerne en vaste routine bereidde hen niet goed voor op de Duitse aanval. Daardoor gingen veel Nederlandse militairen feitelijk onvoorbereid de oorlog in.
De Grebbelinie was in deze beoordeling secundair. De Grebbeberg was tijd- en materiaalverspilling, omdat zij middelen bond op een punt dat de Franse voorbereiding in Noord-Brabant niet kon beschermen. De Duitse aanval liep niet alleen richting Midden-Nederland, maar vooral via bruggen, vliegvelden, havens en verbindingen bij Moerdijk, Dordrecht en Rotterdam. Daar werd de samenhang met de geallieerde opmars ondermijnd.
De gevolgen waren militair, politiek en maatschappelijk zwaar. Nederland verloor snel ruimte in het oosten, de Fransen konden zich niet voldoende voorbereiden en Vesting Holland raakte steeds meer onder druk. De slachtoffers en materiële verliezen konden niet goed worden aangevuld aan de IJssel. Daardoor werd de strijd verplaatst naar westelijker posities, terwijl de kans op een betere aansluiting met de geallieerden al grotendeels verloren was.
Bronnen en meer informatie
- Amersfoort, Herman; Kamphuis, Piet, red. (2012). Mei 1940: De strijd op Nederlands grondgebied. Amsterdam: Boom. ISBN 978-94-6105-702-0.
- Brongers, E.H. (2004). Opmars naar Rotterdam set: De luchtlanding; Van Maas tot Moerdijk; De laatste fase. Soesterberg: Uitgeverij Aspekt. ISBN 978-90-5911-369-5.
- Middelkoop, Teo van (2004). Stellingen en linies in het strategisch plan van generaal Winkelman, 1940. In: Jaarboek Monumentenzorg 2004: Op weerstand gebouwd. Verdedigingslinies als militair erfgoed. Zwolle: Waanders Uitgevers. ISBN 90-400-9025-4.
- Frieser, Karl-Heinz (2005). The Blitzkrieg Legend: The 1940 Campaign in the West. Annapolis: Naval Institute Press. ISBN 978-1-59114-294-2.
- Doughty, Robert A. (2014). The Breaking Point: Sedan and the Fall of France, 1940. Mechanicsburg: Stackpole Books. ISBN 978-0-8117-1459-4.
- Horne, Alistair (2007). To Lose a Battle: France 1940. London: Penguin Books. ISBN 978-0-14-103065-4.
- Dildy, Douglas C. (2014). Fall Gelb 1940 (2): Airborne Assault on the Low Countries. Oxford: Osprey Publishing. ISBN 978-1-78200-644-2.
- Bronnen voor historisch onderzoek 1800–1946.









