Home Oorlogsmisdaden Bloedbad van Chenogne: oorlogsmisdaad 1945

Bloedbad van Chenogne: oorlogsmisdaad 1945

Propaganda-stijl schildering van Amerikaanse soldaten die Duitse krijgsgevangenen executeren in Chenogne, België, januari 1945.
Propaganda-achtige voorstelling van het bloedbad van Chenogne, waar Amerikaanse troepen Duitse krijgsgevangenen executeerden tijdens het Ardennenoffensief.

Het bloedbad van Chenogne was een oorlogsmisdaad gepleegd door Amerikaanse troepen op 1 januari 1945, tijdens het Ardennenoffensief in de Tweede Wereldoorlog. Na hevige gevechten bij het dorp Chenogne in België executeerden soldaten van de 11e Pantserdivisie ongeveer tachtig Duitse krijgsgevangenen. De gebeurtenis vond plaats kort nadat bekend was geworden dat bij Malmedy door de Waffen-SS tientallen Amerikaanse krijgsgevangenen waren gedood, en geldt als een wraakactie. Het bloedbad van Chenogne bleef lang onderbelicht; destijds werd het voorval in de doofpot gestopt en er zijn nooit daders vervolgd. Pas vele jaren later hebben historici deze episode aan het licht gebracht als een voorbeeld van geallieerde oorlogsmisdaden.

Achtergrond

In december 1944 lanceerde Duitsland een verrassingsaanval in de Ardennen, bekend als het Ardennenoffensief. Tijdens deze bloedige slag vonden ook verschillende oorlogsmisdaden plaats. Op 17 december 1944 voltrok zich het bloedbad van Malmedy: Waffen-SS-troepen onder leiding van Kampfgruppe Peiper executeerden bij Baugnez, nabij Malmedy, 86 gevangen Amerikaanse soldaten. Dit nieuws verspreidde zich snel onder de geallieerde troepen en veroorzaakte grote verontwaardiging aan het front. Veel Amerikaanse militairen voelden na dergelijke wreedheden geen genade meer voor vijandelijke eenheden.

Naarmate de strijd voortduurde, groeide binnen sommige Amerikaanse eenheden een sfeer van vergelding. Er werden onofficiële bevelen doorgegeven om geen gevangenen te maken van bepaalde Duitse troepen, met name van de geharde Waffen-SS en Fallschirmjäger (parachutisten). Zo gaf bijvoorbeeld het 328e Infanterieregiment de instructie dat “geen SS’ers of parachutisten gevangen zouden worden genomen maar op zicht doodgeschoten moesten worden”. Deze harde houding weerspiegelde de verbittering na Malmedy en andere Duitse wreedheden.

Het bloedbad van Chenogne

Chenogne is een klein dorp op ongeveer acht kilometer ten westen van Bastogne in België. Eind december 1944 was het dorp in Duitse handen en werd er hevig om gevochten door Duitse en Amerikaanse troepen. Chenogne wisselde meerdere malen van bezetter en raakte vrijwel volledig in puin: van de 32 huizen bleef er na de gevechten slechts één overeind. Ook de burgerbevolking werd zwaar getroffen. Slechts dertien dorpelingen overleefden de slag, terwijl 23 burgers omkwamen door het oorlogsgeweld.

Op nieuwjaarsdag 1945 veroverden soldaten van de Amerikaanse 11e Pantserdivisie het uitgeputte Chenogne definitief na een nacht van felle strijd. Enkele tientallen Duitse militairen van de Führerbegleitbrigade en de 3e Pantsergrenadierdivisie die zich tot dan toe in kelders schuilhielden, gaven zich die ochtend over. De Amerikaanse troepen dreven deze krijgsgevangenen bijeen onder bewaking. Kort daarop werden ongeveer twintig van de gevangengenomen Duitse soldaten ter plekke doodgeschoten, ondanks hun smeekbeden om genade. Enkele minuten later openden de Amerikanen het vuur met machinegeweren op nog eens zo’n zestig andere krijgsgevangenen in een veld bij het dorp. In totaal werden naar schatting tachtig ontwapende Duitsers geëxecuteerd. Deze executies waren een duidelijke schending van het oorlogsrecht en staan te boek als een geallieerde oorlogsmisdaad.

Nasleep en doofpot

Direct na het bloedbad bestond bij de Amerikaanse legerleiding de vrees voor reputatieschade. Generaal Dwight D. Eisenhower, de geallieerde opperbevelhebber, vernam meldingen dat in Chenogne een oorlogsmisdrijf was begaan en gelastte een onderzoek. Generaal George S. Patton, bevelhebber van het Amerikaanse Derde Leger waaronder de 11e Pantserdivisie viel, schreef op 4 januari 1945 in zijn dagboek dat zijn troepen een vijftigtal Duitse krijgsgevangenen hadden doodgeschoten en dat hij hoopte dat dit feit verzwegen kon worden. Officieren van de 11e Pantserdivisie werkten een grondig onderzoek tegen. Zij beriepen zich erop dat de oorlog toch bijna voorbij was en dat de eenheid spoedig zou worden ontbonden.

Het resultaat was dat er geen officiële vervolging of krijgsraad plaatsvond. Geen van de betrokken soldaten werd ooit ter verantwoording geroepen of gestraft voor de executies in Chenogne. Het voorval werd destijds stilgezwegen en raakte in vergetelheid, mede doordat de geallieerden de nadruk legden op de misdaden van de verslagen Asmogendheden. Het gezegde “de geschiedenis wordt geschreven door de overwinnaars” was hier van toepassing: informatie over Chenogne verdween decennialang in de doofpot. Pas vele jaren na de oorlog begonnen historici en onderzoeksjournalisten de waarheid te achterhalen aan de hand van dagboeken, getuigenissen en vrijgegeven legerdossiers. Zo wordt het bloedbad van Chenogne inmiddels erkend als een duistere episode in de slotfase van de oorlog.

Conclusie

Het bloedbad van Chenogne laat zien hoe fel en verbitterd de strijd in de Ardennen verliep en hoe wraakgevoelens tot excessen konden leiden. Hoewel de geallieerden streden tegen de misdaden van het nationaalsocialistische regime, maakten ook sommige geallieerde eenheden zich schuldig aan grove overtredingen van het oorlogsrecht. Jarenlang werd deze gebeurtenis nauwelijks genoemd in de officiële geschiedschrijving. Recent onderzoek heeft echter bijgedragen aan een vollediger beeld van de Tweede Wereldoorlog, waarin ook de ongemakkelijke episodes aan geallieerde zijde aandacht krijgen. Het incident in Chenogne onderstreept het belang van eerlijke en complete geschiedschrijving, zodat alle aspecten van het oorlogsverloop – aan beide kanten van het front – worden belicht.

Bronnen en meer informatie

  1. Schrijvers, Peter (2014). Those Who Hold Bastogne: The True Story of the Soldiers and Civilians Who Fought in the Biggest Battle of the Bulge. New Haven: Yale University Press. ISBN 978-0-300-21012-5.
  2. Bronnen voor historisch onderzoek 1800–1946