
De USS Wilson (DD-408) was een torpedobootjager van de Benham-klasse in dienst van de United States Navy tijdens de Tweede Wereldoorlog. Het schip werd vernoemd naar bootsman Charles Wilson, die tijdens de Amerikaanse Burgeroorlog dapper optrad aan boord van de USS Carondelet. De USS Wilson speelde een rol in meerdere grote operaties in de Stille Oceaan, waaronder de campagnes op Guadalcanal, de Marianen en Okinawa. Daarnaast nam zij deel aan nucleaire testen na de oorlog, waarna zij werd afgezonken. Dit artikel behandelt de ontwerpkenmerken, bewapening, sensoren, operationele inzet en de uiteindelijke lotgevallen van dit oorlogsschip.
Ontwerp en constructie
De USS Wilson behoorde tot de Benham-klasse, een reeks torpedobootjagers die in de tweede helft van de jaren dertig werden ontworpen. De kiel werd gelegd op 22 maart 1937 bij de Puget Sound Navy Yard te Bremerton, Washington. Het schip werd te water gelaten op 12 april 1939 en op 5 juli 1939 officieel in dienst genomen.
De Benham-klasse werd ontworpen met het doel een hogere snelheid en wendbaarheid te combineren met krachtige torpedobewapening. De schepen hadden een standaardwaterverplaatsing van circa 2.250 ton en een lengte van 103,86 meter. De aandrijving bestond uit Westinghouse-turbines met twee schroeven, goed voor een vermogen van 50.000 shp en een topsnelheid van 38,5 knopen. Het bereik bedroeg 6.500 zeemijlen bij een kruissnelheid van 12 knopen.
Het schip had een bemanning van ongeveer 251 officieren en manschappen. De bouw van de Benham-klasse sloot aan bij de moderniseringsdoelen van de Amerikaanse marine in de aanloop naar de Tweede Wereldoorlog.
Bewapening
De hoofdartillerie van de USS Wilson bestond uit vier 127 mm/38 kanonnen, die zowel tegen oppervlakteschepen als luchtdoelen konden worden ingezet. Daarnaast beschikte het schip over vier 12,7 mm machinegeweren en zestien 533 mm torpedobuizen, opgesteld in viervoudige lanceerinrichtingen. Voor onderzeebootbestrijding waren dieptebomrekken aan boord geplaatst.
De combinatie van zware torpedobewapening en flexibele artillerie maakte de Benham-klasse tot veelzijdige schepen, inzetbaar in escortetaken, konvooibescherming en offensieve operaties tegen oppervlakteschepen.
Bepantsering
De USS Wilson had, zoals gebruikelijk bij torpedobootjagers van haar generatie, geen zware bepantsering. Het schip vertrouwde op hoge snelheid, manoeuvreerbaarheid en actieve verdediging om vijandelijke aanvallen te ontwijken.
Sensoren en dataverwerking
Tijdens de Tweede Wereldoorlog werden Amerikaanse torpedobootjagers stapsgewijs uitgerust met verbeterde detectiesystemen. Aanvankelijk beschikte de USS Wilson over standaardoptische waarnemingsmiddelen en sonar (ASDIC) voor onderzeebootdetectie.
Vanaf 1942 werd zij voorzien van radarapparatuur, waaronder de SG-surface search radar en de SC-luchtdoelradar. Deze systemen vergrootten de mogelijkheden om vijandelijke schepen en vliegtuigen tijdig te ontdekken. De SG-radar had een bereik van ongeveer 15 zeemijlen voor oppervlakteschepen, terwijl de SC-radar geschikt was voor het vroegtijdig waarnemen van vliegtuigen.
Daarnaast werd de USS Wilson uitgerust met sonar voor onderzeebootbestrijding, waardoor zij effectief kon deelnemen aan escortetaken.
Een belangrijk element in de strijdvoering vanaf 1943 was het Combat Information Center (CIC). Dit commandocentrum maakte het mogelijk radargegevens, sonarwaarnemingen en visuele meldingen te combineren en snel te vertalen naar tactische beslissingen. Het CIC was cruciaal voor gecoördineerde verdediging tegen luchtaanvallen, inclusief de Japanse kamikazetactieken die vanaf 1944 werden ingezet.
Dankzij de integratie van radar, sonar en CIC kon de USS Wilson tijdens latere oorlogsjaren efficiënter worden ingezet bij lucht- en oppervlaktegevechten. Het ontbreken van dergelijke middelen zou haar operationele waarde aanzienlijk hebben beperkt, maar de moderniseringen zorgden ervoor dat zij in 1944 en 1945 volwaardig deel bleef uitmaken van de Amerikaanse vlootoperaties.
Modificaties
Tijdens haar diensttijd onderging de USS Wilson verschillende modificaties. De luchtafweerbewapening werd versterkt met extra 20 mm en 40 mm luchtdoelkanonnen, ter vervanging van de oorspronkelijke .50 kaliber machinegeweren. Ook werden de radar- en communicatiesystemen verbeterd. Deze aanpassingen waren noodzakelijk om de dreiging van Japanse luchtmacht en kamikaze-aanvallen het hoofd te kunnen bieden.
Status schip tijdens de oorlog
Bij haar indienststelling in 1939 behoorde de USS Wilson tot de moderne torpedobootjagers van de Amerikaanse vloot. Naarmate de oorlog vorderde en nieuwe scheepsklassen met zwaardere bewapening en betere sensoren verschenen, raakte het ontwerp gedeeltelijk verouderd. Toch bleef de Wilson dankzij aanpassingen en installaties van radar en CIC effectief inzetbaar. Tot aan de oorlogseinde werd zij beschouwd als operationeel bruikbaar en geschikt voor escortetaken en ondersteunende operaties.
Operationele geschiedenis
Vroege operaties en Atlantische inzet
Na indienststelling opereerde de USS Wilson langs de Amerikaanse westkust en Midden- en Zuid-Amerika. In 1940 nam zij deel aan grootschalige vlootoefeningen rond Hawaï. In juni 1941 werd het schip overgeplaatst naar de Atlantische Oceaan, waar zij escorteerde langs de Amerikaanse oostkust en konvooien begeleidde naar IJsland en de Britse eilanden.
Guadalcanal en de Slag bij Savo Island
In juli 1942 werd de USS Wilson overgeplaatst naar de Stille Oceaan, als onderdeel van de escortemacht van het vliegdekschip USS Wasp. Tijdens de landingen op Guadalcanal en Tulagi in augustus 1942 leverde zij artilleriesteun en luchtafweer. Op 9 augustus nam het schip deel aan de Slag bij Savo Island, waar zij Japanse kruisers bestreed en vervolgens drenkelingen van de gezonken Amerikaanse kruisers Quincy, Astoria en Vincennes redde.
Operaties in de Salomonseilanden
Na een periode van onderhoud keerde de Wilson begin 1943 terug naar Guadalcanal. Zij nam deel aan de landingen op de Russell-eilanden en voerde bombardementen uit op vijandelijke posities in New Georgia. Daarnaast escorteerde zij geallieerde transportschepen in de regio.
Aanvallen op Rabaul, Nauru en Marshalleilanden
In november 1943 maakte de USS Wilson deel uit van de schermingsmacht voor vliegdekschepen die luchtaanvallen uitvoerden op Rabaul en Nauru. Begin 1944 nam zij deel aan operaties tegen de Marshalleilanden en de Carolinen, waarbij zij intensief werd ingezet als escorte tegen luchtaanvallen.
Marianen en de Slag in de Filipijnse Zee
Tijdens de zomer van 1944 was de USS Wilson betrokken bij de Marianen-campagne. Zij leverde vuursteun tijdens de invasie van Guam en begeleidde vliegdekschepen tijdens de Slag in de Filipijnse Zee.
Operaties in de Filipijnen en Okinawa
In december 1944 escorteerde Wilson een konvooi naar Mindoro en werd zij aangevallen door Japanse kamikazevliegtuigen. Ook tijdens de landingen in de Lingayengolf in januari 1945 was zij actief.
Op 16 april 1945, tijdens de slag om Okinawa, werd de USS Wilson geraakt door een kamikaze. Hierbij kwamen vijf bemanningsleden om en bleef een bom onontploft achter in het achterschip. Na reparaties keerde zij terug in actie en bleef actief tot juni 1945.
Einde oorlog
Na de Japanse capitulatie in augustus 1945 opereerde de Wilson vanuit Saipan en nam zij deel aan bezettingsactiviteiten. In december keerde zij terug naar de westkust van de Verenigde Staten.
Na de oorlog
In mei 1946 werd de USS Wilson aangewezen als doelschip voor nucleaire testen tijdens Operation Crossroads bij Bikini-atol. Door de blootstelling aan radioactieve straling werd het schip onbruikbaar. In augustus 1946 werd zij formeel uit dienst gesteld. Op 8 maart 1948 werd het schip ten slotte tot zinken gebracht nabij Kwajalein.
Conclusie
De USS Wilson vertegenwoordigde de overgang van torpedobootjagers uit de jaren dertig naar de modernere ontwerpen van de oorlogsjaren. Hoewel het ontwerp tegen 1943 verouderd raakte, bleef zij dankzij de toevoeging van radar, sonar en een Combat Information Center operationeel bruikbaar. Haar lange inzet in de Stille Oceaan, van Guadalcanal tot Okinawa, toont de veelzijdigheid van Amerikaanse torpedobootjagers in escortetaken en artilleriesteun.
Bronnen en meer informatie
- Afbeelding: See page for author, Public domain, via Wikimedia Commons
- Friedman, Norman (2004). U.S. Destroyers: An Illustrated Design History. Annapolis: Naval Institute Press. ISBN 978-1-55750-442-9.
- Chesneau, Roger (1980). Conway’s All the World’s Fighting Ships, 1922–1946. London: Conway Maritime Press. ISBN 978-0-85177-146-5.
- Silverstone, Paul H. (1968). U.S. Warships of World War II. London: Ian Allan. ISBN 978-0-7110-0006-6.
- Morison, Samuel Eliot (2001, herdruk). History of United States Naval Operations in World War II. Volume V: The Struggle for Guadalcanal. Urbana: University of Illinois Press. ISBN 978-0-252-07064-5.
- Hone, Trent (2018). Learning War: The Evolution of Fighting Doctrine in the U.S. Navy, 1898–1945. Annapolis: Naval Institute Press. ISBN 978-1-68247-293-4.
- Bauer, K. Jack & Roberts, Stephen S. (1991). Register of Ships of the U.S. Navy, 1775–1990: Major Combatants. New York: Greenwood Press. ISBN 978-0-313-26202-9.
- Stillwell, Paul (1982). Air Raid: Pearl Harbor! Recollections of a Day of Infamy. Annapolis: Naval Institute Press. ISBN 978-0-87021-031-0.
- Bronnen voor historisch onderzoek 1800–1946








