Home Schepen Escort aircraft carrier USS Bougainville CVE-100 – Amerikaanse escortcarrier

USS Bougainville CVE-100 – Amerikaanse escortcarrier

USS Bougainville (CVE-100), een Amerikaanse escortcarrier, varend op zee tijdens haar inzet in 1945 in de Stille Oceaan.
De USS Bougainville (CVE-100) in actieve dienst op zee, vermoedelijk tijdens haar logistieke ondersteuning in de Stille Oceaan, 1945.

De USS Bougainville (CVE-100) was een Amerikaans escortevliegdekschip van de Casablanca-klasse dat tijdens de Tweede Wereldoorlog werd ingezet in de Stille Oceaan. Het schip werd vernoemd naar de Bougainville-campagne, een geallieerde operatie in het zuidwesten van de Stille Oceaan. Als onderdeel van de Amerikaanse Pacific Fleet vervulde de Bougainville hoofdzakelijk een logistieke rol. Ze vervoerde vliegtuigen en voorraden en fungeerde als aanvulschip voor andere vliegdekschepen. De Bougainville werd gebouwd in 1944 en na de oorlog buiten dienst gesteld. Ondanks de beperkte gevechtscapaciteit leverde het schip ondersteuning aan grote offensieven zoals Iwo Jima en Okinawa.

Ontwerp en constructie

De USS Bougainville maakte deel uit van de Casablanca-klasse, een serie van vijftig escortevliegdekschepen die tussen 1942 en 1945 werden gebouwd door de Kaiser Shipbuilding Company in Vancouver, Washington. Deze schepen werden ontworpen voor snelle en grootschalige productie, gebruikmakend van gestandaardiseerde onderdelen en geprefabriceerde modules. De inzetbaarheid van deze schepen hing samen met hun logistieke en ondersteunende taken binnen de grotere vlootstructuur.

De Bougainville werd oorspronkelijk besteld onder de naam Didrickson Bay, conform de vroege traditie van het vernoemen van escortevliegdekschepen naar baaien of geluiden in Alaska. Tijdens de bouw werd de naam gewijzigd in Bougainville, in overeenstemming met een nieuw beleid dat schepen in deze klasse vernoemde naar veldslagen of militaire operaties.

Technische specificaties

  • Scheepswerf: Kaiser Shipbuilding Company

  • Lengte: 156,13 meter (over alles)

  • Breedte: 33 meter (maximaal)

  • Diepgang: 6,32 meter

  • Waterverplaatsing: 8.188 ton (standaard), 10.902 ton (volgeladen)

  • Voortstuwing: Twee Skinner Unaflow stoommachines, 4 ketels

  • Vermogen: 9.000 shp (6.700 kW)

  • Snelheid: 19 knopen (35 km/u)

  • Actieradius: 10.240 zeemijl bij 15 knopen

  • Vliegdekken: 477 meter (vluchtdek), 257 meter (hangardek)

  • Vliegtuigcapaciteit: Ontworpen voor 27, operationeel tot 60

  • Bemanning: Circa 910–916, inclusief vliegtuigbemanning

Het schip beschikte over een boegkatapult en twee liften, één aan de voorzijde en één aan de achterzijde, voor het verplaatsen van vliegtuigen tussen hangar- en vliegdek. De grootte van het schip en de beperkte ruimte vereisten een hoge mate van operationele efficiëntie.

Bewapening

De oorspronkelijke bewapening van de USS Bougainville was gericht op zelfverdediging tegen luchtaanvallen. De configuratie was bescheiden, passend bij haar rol als escorte- en bevoorradingsschip.

Oorspronkelijke bewapening

  • 1 × 127 mm (5 inch)/38 kaliber kanon op het achterschip

  • 8 × 40 mm Bofors luchtafweerkanonnen in enkelvoudige opstelling

  • 12 × 20 mm Oerlikon luchtafweerkanonnen rondom het dek

Gewijzigde bewapening tijdens de oorlog

Naarmate de dreiging van Japanse kamikazepiloten toenam, werd de luchtafweer aanzienlijk uitgebreid. Tegen het einde van de oorlog bestond de bewapening uit:

  • 1 × 127 mm/38 kaliber kanon

  • 8 × dubbele 40 mm Bofors luchtafweeropstellingen (totaal 16 lopen)

  • 30 × 20 mm Oerlikon luchtafweerkanonnen

De uitbreiding van de bewapening weerspiegelde de aanpassing aan het veranderende dreigingsbeeld in de laatste oorlogsfasen.

Bepantsering

Zoals gebruikelijk bij de Casablanca-klasse, was de Bougainville gebouwd zonder zware bepantsering. De nadruk bij deze klasse lag op snelle productie en functionaliteit als ondersteuningseenheid. Er waren geen pantserdekken of zijgordels aanwezig. Dit maakte het schip kwetsbaar voor luchtaanvallen en torpedo’s, hoewel de grotere vlooteenheden bescherming boden bij gecombineerde operaties.

Sensoren en dataverwerking

De USS Bougainville was uitgerust met SC- en SG-radarsystemen. De SC-radar werd gebruikt voor luchtwaarschuwing en kon vijandelijke vliegtuigen op grotere afstand detecteren. Deze radars behoorden tot de vroege generatie luchtdoelradars en hadden een beperkter bereik en resolutie dan latere modellen, maar vervulden een essentiële rol bij het tijdig signaleren van luchtaanvallen. De SG-radar werd toegepast voor oppervlaktewaarneming, onder meer om schepen op zee te lokaliseren. Sonarinstallaties waren niet aanwezig, aangezien het schip niet was ontworpen voor onderzeebootbestrijding.

Op het gebied van luchtoperaties beschikte de Bougainville over een Air Operations Center (AirOps). Dit centrum coördineerde de planning, lancering en begeleiding van vliegtuigen. AirOps werkte samen met het Carrier Air Traffic Control Center (CATCC), dat verantwoordelijk was voor het reguleren van het luchtverkeer, waaronder veilige starts en landingen. AirOps functioneerde doorgaans als een gespecialiseerd onderdeel van het Combat Information Center (CIC), waar gegevens over scheeps- en luchtactiviteiten werden verzameld en geanalyseerd. Terwijl het CIC zich richtte op de algehele tactische situatie, concentreerde AirOps zich op de uitvoering van luchtoperaties. Door deze taakverdeling kon de Bougainville lucht- en zeestrijdkrachten effectief coördineren, wat de operationele efficiëntie tijdens de Tweede Wereldoorlog ondersteunde.

Modificaties

Tijdens haar inzet in de Stille Oceaan onderging de Bougainville enkele aanpassingen. Deze betroffen met name de uitbreiding van de luchtafweer:

  • Vervanging van enkelvoudige Bofors-installaties door dubbele opstellingen

  • Uitbreiding van het aantal Oerlikon-kanonnen van 12 naar 30

Deze wijzigingen werden doorgevoerd zonder dat het schip naar een scheepswerf hoefde terug te keren voor structurele herbouw. Er zijn geen aanpassingen geregistreerd aan de voortstuwing, radarapparatuur of dekstructuur. De aanpassingen pasten binnen de standaard modificatieprogramma’s van de Amerikaanse marine voor escortevliegdekschepen.

Status schip tijdens de oorlog

De USS Bougainville was tijdens haar operationele inzet niet technisch verouderd, maar beschikte niet over de meest geavanceerde informatiesystemen die vanaf 1943 gemeengoed werden. Het schip was uitgerust met SC- en SG-radarsystemen voor respectievelijk lucht- en oppervlaktewaarneming, en had een Air Operations Center (AirOps) dat in samenwerking met het Carrier Air Traffic Control Center (CATCC) de coördinatie van luchtoperaties verzorgde. Hoewel AirOps functioneerde als een gespecialiseerd onderdeel van het Combat Information Center (CIC), was er geen volledig geïntegreerd CIC aanwezig, waardoor de zelfstandige tactische inzetbaarheid beperkt bleef. De Bougainville werd regelmatig onderhouden en onderging herstelperiodes in onder meer San Diego en Pearl Harbor, wat de operationele inzetbaarheid ondersteunde.

Operationele geschiedenis

De USS Bougainville werd op 18 juni 1944 in dienst gesteld. Na een korte proefvaart langs de westkust van de Verenigde Staten begon het schip op 25 juli 1944 aan haar eerste transportmissie naar de Marshalleilanden, via Pearl Harbor naar Majuro. Terug in San Diego op 23 augustus, vertrok ze op 9 september opnieuw, ditmaal naar Finschhafen in Nieuw-Guinea en Manus in de Admiraliteitseilanden. In oktober vervoerde ze een luchtgroep terug naar Pearl Harbor en laadde daar 64 jachtvliegtuigen met bestemming Saipan en Guam.

In november en december 1944 voerde de Bougainville meerdere bevoorradingsmissies uit tussen Pearl Harbor, Eniwetok en de Marianen. Begin 1945 hervatte zij haar inzet als transport- en bevoorradingsschip. Op 8 februari werd zij toegevoegd aan Task Group 50.8.4, een mobiele bevoorradingsgroep die ondersteuning bood aan de gevechtsgroepen van de Vijfde Vloot, met name tijdens de landingen op Iwo Jima en later Okinawa.

Tussen februari en juni 1945 diende de Bougainville als aanvulschip voor de Fast Carrier Task Force van viceadmiraal Marc Mitscher. Ze leverde reservevliegtuigen, onderdelen en munitie. Tijdens de inzet nabij Okinawa in juni 1945 raakte de Bougainville beschadigd door Typhoon Connie, waarbij 27 vliegtuigen verloren gingen en beide liften vastliepen. Ondanks schade aan haar romp en vliegdek kon zij haar taken blijven uitvoeren na beperkte noodreparaties.

Na herstel in San Diego in augustus 1945 vertrok de Bougainville opnieuw naar de westelijke Stille Oceaan, waar zij tijdens de Japanse overgave op 2 september nabij Roi-Namur lag. In de daaropvolgende maanden vervoerde zij waarnemingseskaders van het US Marine Corps naar Taku en Qingdao in China, als onderdeel van de Amerikaanse bezettingstroepen in Azië.

Na de oorlog

Na voltooiing van haar bezettingsmissie keerde de Bougainville eind oktober 1945 terug naar de Verenigde Staten. Op 28 november vertrok zij opnieuw voor een transportmissie naar Eniwetok en kwam op 12 januari 1946 terug in San Diego. Kort daarna werd zij naar Tacoma, Washington overgebracht, waar zij op 29 juli in reserve werd geplaatst.

De Bougainville werd op 30 november 1946 officieel uit dienst genomen en ondergebracht in de Pacific Reserve Fleet. In juni 1955 werd zij heringedeeld als hulpkustvliegtuigdrager (CVU-100) en later als vliegtuigenveerboot (AKV-35) in mei 1959. Op 1 april 1960 werd zij geschrapt van het Navy-register en in september verkocht aan Cole Export Corporation. In november 1960 werd zij voor sloop overgedragen en ontmanteld in Japan.

Conclusie

De USS Bougainville vertegenwoordigde de kernkenmerken van de Casablanca-klasse: snelle productie, modulaire opbouw en inzetbaarheid als ondersteuningseenheid. Het schip vervulde een waardevolle rol als bevoorradingsvliegdekschip binnen strategische operaties in de Stille Oceaan, waaronder Iwo Jima en Okinawa.

De Bougainville was uitgerust met SC- en SG-radarsystemen voor respectievelijk lucht- en oppervlaktewaarneming, en beschikte over een Air Operations Center (AirOps) dat in samenwerking met het Carrier Air Traffic Control Center (CATCC) luchtoperaties coördineerde. Hoewel AirOps functioneerde als gespecialiseerd onderdeel van het Combat Information Center (CIC), was er geen volledig geïntegreerd CIC aanwezig. Volgens de militaire maatstaven vanaf 1943 betekende dit dat het schip minder geschikt was voor zelfstandige tactische operaties. Ondanks deze beperking bleef de Bougainville operationeel waardevol als logistieke schakel binnen de vloot.

Bronnen en meer informatie

  1. Afbeelding: Naval History & Heritage Command , Public domain, via Wikimedia Commons
  2. Chesneau, Robert; Gardiner, Robert (1980). Conway’s All the World’s Fighting Ships 1922–1946. London: Naval Institute Press. ISBN 9780870219139

  3. Y’Blood, William (2014). The Little Giants: U.S. Escort Carriers Against Japan. Annapolis, Maryland: Naval Institute Press. ISBN 9781612512471

  4. “Bougainville I (CVE-100)”, Dictionary of American Naval Fighting Ships, Naval History and Heritage Command, 1 mei 2017

  5. Maksel, Rebecca (2012). “How Do You Name an Aircraft Carrier?”, Air & Space / Smithsonian, 14 augustus 2012

  6. Stubblebine, Daniel (2011). “Escort Carrier Makin Island (CVE-93)”, WW2DB, juni 2011

  7. “World Aircraft Carriers List: US Escort Carriers, S4 Hulls”, Hazegray.org, 14 december 1998

  8. “Kaiser Vancouver, Vancouver WA”, ShipbuildingHistory.com, 27 november 2010

  9. Bronnen voor historisch onderzoek 1800–1946