Home Voertuigen Gemechaniseerde artillerie SU-76 Sovjet 1942-1945 gemechaniseerd geschut

SU-76 Sovjet 1942-1945 gemechaniseerd geschut

Sovjet SU-76 gemechaniseerd geschut tentoongesteld bij Tweede Wereldoorlog voertuigen in het Kremlin van Nizhny Novgorod
Sovjet SU-76 gemechaniseerd geschut tijdens een tentoonstelling van voertuigen uit de Tweede Wereldoorlog in Nizhny Novgorod

De SU-76, voluit Samokhodnaya Ustanovka 76, was een Sovjet licht zelfrijdend geschut uit de Tweede Wereldoorlog, gebouwd op een verlengd T-70-chassis en bewapend met het 76,2 mm ZIS-3-kanon. Het voertuig werd vooral ingezet voor infanteriesteun, antitankvuur en indirect vuur. Door de eenvoudige bouw en grote productieaantallen werd het na de T-34 het meest gebouwde Sovjet pantservoertuig van de oorlog.

Ontwikkeling en eerste productie

De ontwikkeling van de SU-76 begon in juni 1942, nadat het Staatsverdedigingscomité opdracht gaf tot de bouw van lichte zelfrijdende kanonnen voor infanteriesteun. De Sovjet-Unie had behoefte aan voertuigen die goedkoper en sneller te bouwen waren dan middelzware tanks, maar toch over een bruikbaar veldkanon beschikten. Hoofdontwerper S.A. Ginzburg koos het chassis van de lichte T-70-tank als basis. Voor de montage van het kanon werd dit chassis verlengd met één extra loopwiel per zijde.

De bewapening bestond uit het ZIS-3 model 1942, een 76,2 mm divisieveldkanon dat al breed beschikbaar was. Het kanon werd geplaatst in een vaste gepantserde opbouw aan de achterzijde van de romp. De eerste versie had een volledig gesloten gevechtsruimte. De bestuurder zat voorin, terwijl commandant, schutter en lader in de opbouw werkten. Op 2 december 1942 werd de SU-76, met fabrieksaanduiding SU-12, formeel in dienst genomen.

De eerste voertuigen bereikten begin 1943 de trainingseenheden en kort daarna het front. De 1433e en 1434e regimenten zelfrijdende artillerie werden naar het Volchovfront gestuurd, waar zij deelnamen aan operaties rond Leningrad. In maart 1943 volgden de 1485e en 1487e regimenten aan het Westfront. Deze vroege inzet toonde dat het concept bruikbaar was, maar ook dat de aandrijving van de eerste productieversie ernstige problemen had.

De oorspronkelijke SU-76 gebruikte twee gekoppelde motoren die parallel op een gemeenschappelijke aandrijflijn werkten. In de praktijk leidde dit tot sterke torsietrillingen in assen, versnellingsbakken en hoofdreducties. Vooral rijden in de tweede versnelling op slecht terrein veroorzaakte veel schade. Al na korte frontdienst vielen veel voertuigen uit. Pogingen om assen te versterken hielpen niet, omdat de oorzaak in de opzet van de transmissie lag.

Op 21 maart 1943 werd de productie stilgelegd. In totaal waren 560 voertuigen van de eerste versie gebouwd bij fabriek nummer 38 in Kirov. Tijdens het onderzoek naar de storingen werd Ginzburg uit zijn functie gezet en naar het front gestuurd. Kort daarna sneuvelde hij. De vroege SU-76 bleef daardoor een overgangsmodel: technisch leerzaam, maar niet geschikt als duurzame basis voor grote aantallen frontvoertuigen.

SU-76M en technische opbouw

De verbeterde SU-76M kwam voort uit een nieuwe ontwerpwedstrijd voor een licht aanvalskanon met een 76,2 mm kanon. GAZ en fabriek nummer 38 dienden ontwerpen in. Bij proeven op het artillerieterrein van Gorochovets in juli 1943 kreeg het ontwerp SU-15 de voorkeur. Na aanpassingen werd dit voertuig aangenomen als SU-76M. De belangrijkste veranderingen betroffen de aandrijving, het gewicht en de gevechtsruimte.

De gesloten opbouw werd vervangen door een gevechtsruimte die boven en deels achter open was. Daardoor werd het voertuig lichter en verbeterde de ventilatie na het afvuren van het kanon. Ook konden bemanningsleden sneller in- en uitstappen, en werd onderhoud aan het kanon eenvoudiger. De open bovenzijde maakte het voertuig kwetsbaarder voor granaatscherven, handgranaten en vuur van bovenaf, maar in de praktijk woog de betere bruikbaarheid zwaar.

De SU-76M kreeg een aandrijving die aansloot bij latere T-70-varianten. Twee GAZ-202-benzinemotoren werden in serie geplaatst aan de rechterzijde van het voertuig. Deze opzet was betrouwbaarder dan de parallelle motorinstallatie van de vroege SU-76. De transmissie gebruikte onder meer een droge tweeschijfs hoofdkoppeling, een vierversnellingsbak van het ZIS-5-type, eindaandrijving, zijkoppelingen en zijreducties. Deze eenvoud paste bij Sovjet massaproductie.

De gevechtsmassa van de SU-76M bedroeg ongeveer 10,5 ton. De bodemvrijheid lag rond 0,3 meter. Het voertuig kon een helling van 28 graden nemen, een greppel van 1,6 meter passeren, een hindernis van 0,6 meter beklimmen en een doorwaadbare plaats van 0,9 meter oversteken. Door het lage gewicht en de beperkte bodemdruk kon het voertuig terrein gebruiken waar zwaardere tanks vaker vastliepen.

Het ZIS-3-kanon had een verticale richtsector van ongeveer -5 tot +15 graden en kon horizontaal ongeveer 15 graden naar links en rechts worden gericht. De vuursnelheid lag bij gericht vuur rond tien schoten per minuut en kon bij snelvuur hoger uitvallen. De munitievoorraad omvatte brisantgranaten, scherfgranaten, pantsergranaten, holle-ladinggranaten, subkalibergranaten en brandmunitie. Daardoor kon de SU-76M meerdere taken uitvoeren.

Productie en doorontwikkeling

De massaproductie van de SU-76M begon in 1943 en liep door tot oktober 1945. Naast GAZ namen ook fabriek nummer 40 in Mytisjtsji en andere productieplaatsen deel. GAZ werd vanaf begin 1944 de belangrijkste producent. In totaal werden 13.732 SU-76M-voertuigen gebouwd. Daarmee was het type het meest geproduceerde Sovjet pantservoertuig na de T-34-tank.

N.A. Astrov en A.A. Lipgart speelden bij GAZ een belangrijke rol in de verdere technische verbetering. Het ontwerp werd aangepast aan grote serieproductie. Latere voertuigen kregen onder meer een hogere achterplaat aan de gevechtsruimte, gewijzigde schietpoorten en voorzieningen om een machinegeweer te plaatsen voor luchtafweer of nabijverdediging. Deze veranderingen waren bedoeld om praktische tekortkomingen te verminderen, niet om het voertuig in een zwaardere tank te veranderen.

De eenvoud van het ontwerp maakte reparatie en opleiding relatief goed uitvoerbaar. Veel onderdelen waren afgeleid van bestaande lichte tanks, vrachtwagens en veldartillerie. Dat verminderde de druk op de industrie en maakte het voertuig geschikt voor inzet bij een groot aantal regimenten. De SU-76M was geen zwaar gepantserde doorbraaktank, maar een goedkoop, mobiel kanon dat dicht bij de infanterie kon opereren.

Varianten en verwante voertuigen

De OSU-76 was een experimentele versie op basis van het T-60-chassis. In de zomer van 1944 werden drie prototypes gebouwd met een ZIS-3-kanon. Het voertuig bleef echter een proefmodel. Het lichtere T-60-chassis bood onvoldoende ruimte en draagvermogen voor brede toepassing. De OSU-76 toont vooral dat Sovjet ontwerpers bleven zoeken naar een zo eenvoudig mogelijke drager voor het 76,2 mm kanon.

De SU-76 met fabrieksaanduiding SU-12 was de eerste productieversie. Deze variant had het verlengde T-70-chassis, een gesloten opbouw en de minder betrouwbare aandrijving met twee parallel werkende motoren. Door de storingen werd de productie beëindigd na 560 exemplaren. Sommige bemanningen verwijderden in het veld delen van het dak, omdat de gesloten ruimte slecht werd geventileerd na herhaald vuren.

De SU-76M, met fabrieksaanduiding SU-15M, werd de standaardversie. Deze variant had een open gevechtsruimte en de aandrijflijn met twee in serie geplaatste GAZ-202-motoren. Het lagere gewicht, de betere koeling en de eenvoudiger bediening maakten de SU-76M veel geschikter voor langdurige frontdienst. Uit deze basis ontstond ook de ZSU-37, het eerste Sovjet rupsvoertuig voor seriematige gepantserde luchtafweer.

Er waren ook ontwerpen met een zwaarder 85 mm kanon. De SU-85A en SU-85B waren gebaseerd op een verlengde SU-76M-romp. De SU-85A gebruikte het D-5S-85A-kanon, maar proeven toonden problemen met stabiliteit bij het vuren. De SU-85B kreeg het LB-2-kanon en verbeteringen aan gevechtsruimte en ophanging. In 1945 werd het voertuig technisch aanvaardbaar geacht, maar na de oorlog was er minder behoefte aan nieuwe lichte zelfrijdende kanonnen.

Enkele voertuigen droegen verwarrende namen zonder direct tot de SU-76-familie te behoren. De SU-76i was gebouwd op buitgemaakte Duitse Panzer III- en StuG III-chassis en had een 76,2 mm S-1-kanon in een vaste opbouw. Ongeveer tweehonderd werden omgebouwd en vanaf 1943 ingezet. De SU-76P uit Leningrad was een omgebouwde T-26 met een 76 mm regimentkanon, ontstaan uit de noodsituatie tijdens het beleg van de stad.

Inzet aan het Oostfront

De SU-76M nam in de Rode Legerorganisatie de plaats in die lichte tanks steeds minder goed konden vervullen. Het voertuig bood infanterie directe vuursteun tegen mitrailleurnesten, veldversterkingen, lichte voertuigen en antitankstellingen. De open gevechtsruimte maakte communicatie met infanteristen eenvoudiger dan bij gesloten tanks. Vooral in dorpen, bossen en steden was dit voordeel praktisch, omdat commandanten snel aanwijzingen konden ontvangen.

Volgens de organisatie van 1943 beschikte een licht regiment zelfrijdende artillerie gewoonlijk over 21 SU-76M-voertuigen. Aan het einde van de oorlog waren er 119 van zulke regimenten. Daarnaast werden eind 1944 en begin 1945 tientallen divisies zelfrijdende artillerie gevormd voor geweerdivisies, meestal met zestien voertuigen. Ook waren er lichte brigades van de reserve van het opperbevel, met zestig SU-76M’s per brigade.

De SU-76M kon drie hoofdtaken uitvoeren: infanteriesteun, mobiele antitankverdediging en indirect artillerievuur. Als aanvalskanon schoot het op bunkers, gebouwen en loopgraven. Als antitankwapen was het effectief tegen lichte en middelzware Duitse tanks. Tegen een Panther kon een flanktreffer resultaat hebben, maar tegen een Tiger was het 76,2 mm kanon meestal te zwak. Sovjet aanwijzingen richtten zich daarom op rupsbanden, loop of zijkant.

Bij indirect vuur kon de SU-76M doelen achter de voorste linie beschieten. De maximale dracht lag rond dertien kilometer, maar de kracht van de 76,2 mm granaat bleef beperkt vergeleken met zwaardere houwitsers. Toch was deze taak nuttig wanneer snel verplaatsbare artillerie nodig was. De hoge elevatie ten opzichte van veel andere Sovjet zelfrijdende kanonnen maakte het voertuig bruikbaar als lichte artilleriedrager.

Tijdens Operatie Bagration in 1944 kwam het terreinvoordeel duidelijk naar voren. In moerassige gebieden konden SU-76M’s soms oprukken waar zwaardere voertuigen technische steun nodig hadden of vastliepen. Daardoor konden infanterie en genie beter druk zetten op Duitse steunpunten buiten de voor de hand liggende wegen. Het voertuig was niet zwaar gepantserd, maar het kon door zijn lage gewicht verrassende routes gebruiken.

In de slotfase van de oorlog werd de SU-76M veel gebruikt bij gevechten in Polen, Duitsland en Berlijn. In stedelijk gebied bleef de kwetsbaarheid voor aanvallen van boven en dichtbij groot. Toch hielp de open opbouw bij samenwerking met infanterie. Voertuigen werden soms voorzien van buitgemaakte machinegeweren en vervoerden infanteristen op de romp. Na de Duitse capitulatie werd het type ook ingezet in de Sovjet-Japanse oorlog van augustus 1945.

Gebruik na 1945

Na de Tweede Wereldoorlog bleef de SU-76M nog enige tijd in Sovjetdienst. De meeste voertuigen verdwenen begin jaren vijftig uit de actieve eenheden, hoewel sommige later als opleidingsvoertuig bleven bestaan. De snelle ontwikkeling van zwaarder gepantserde voertuigen, betere antitankwapens en modernere infanteriegevechtsvoertuigen maakte de SU-76M geleidelijk verouderd. Toch bleef het type bruikbaar voor staten met beperkte middelen.

Het Poolse Volksleger ontving tijdens de oorlog 130 SU-76M’s en gebruikte het type tot in de jaren vijftig. Ook Tsjechoslowakije en Roemenië namen het voertuig in dienst. In Roemenië ontstond later de MLVM, een voertuig voor berginfanterie dat gebruikmaakte van een chassis dat op de SU-76M was terug te voeren. Oost-Duitsland gebruikte SU-76M’s in het Nationale Volksleger tot begin jaren zestig en bij grenstroepen nog langer.

Noord-Korea ontving volgens naoorlogse gegevens 75 SU-76M’s van de Sovjet-Unie. Het voertuig werd tijdens de Koreaanse Oorlog gebruikt en enkele exemplaren werden na de landing bij Incheon door Zuid-Koreaanse troepen buitgemaakt. Ook China, Albanië, Vietnam, Joegoslavië en andere landen worden genoemd als voormalige gebruikers. De verspreiding kwam vooral door eenvoud, beschikbaarheid en het gebruik van een bekend kanon.

Overgebleven voertuigen

Door de hoge productieaantallen zijn veel SU-76M’s bewaard gebleven. In Rusland, Belarus, Oekraïne en andere landen staan exemplaren bij militaire musea, herinneringsplaatsen en monumenten voor de oorlog aan het Oostfront. Het voertuig is daardoor een van de beter zichtbare Sovjet zelfrijdende kanonnen uit de Tweede Wereldoorlog. De meeste tentoongestelde voertuigen zijn SU-76M’s, niet de vroege SU-76.

Bekende museale voorbeelden bevinden zich onder meer in het Tank Museum in Bovington, het Militair Technisch Museum in Lešany, het Nationaal Militair Museum in Boekarest en meerdere Russische collecties, waaronder Kubinka en musea in Moskou en Sint-Petersburg. Sommige voertuigen verkeren in rijdende staat. Zulke bewaarde exemplaren helpen bij het begrijpen van de krappe gevechtsruimte, de eenvoudige constructie en het beperkte pantser.

Conclusie

De SU-76 en vooral de SU-76M vormden een belangrijk onderdeel van de Sovjet zelfrijdende artillerie in de Tweede Wereldoorlog. De vroege SU-76 had ernstige technische tekortkomingen, maar de SU-76M groeide uit tot een betrouwbaar en veel geproduceerd steunvoertuig. Het combineerde een bestaand veldkanon, een eenvoudig chassis en een bruikbare tactische rol bij infanterie, antitankverdediging en indirect vuur. De dunne bepantsering en open gevechtsruimte beperkten de bescherming, maar het lage gewicht, de goede terreinvaardigheid en de grote beschikbaarheid maakten het voertuig waardevol binnen de Sovjet oorlogvoering. Na 1945 bleef de SU-76M nog jaren in gebruik bij verschillende landen.

Bronnen en meer informatie

  1. Afbeelding: Photo by User:LostArtilleryman via Wiki Commons
  2. Chubachin, Aleksandr (2009). SU-76. “Bratskaya mogila ekipazha” ili oruzhie Pobedy? Moscow: Eksmo. ISBN 978-5-699-32965-6.
  3. Zaloga, Steven J. (2019). SU-76 Assault Gun. Oxford: Osprey Publishing. ISBN 978-1-4728-3215-3.
  4. Zaloga, Steven J.; Grandsen, James (1984). Soviet Tanks and Combat Vehicles of World War Two. London: Arms and Armour Press. ISBN 0-85368-606-8.
  5. Foss, Christopher F. (1977). The Illustrated Encyclopedia of the World’s Tanks and Fighting Vehicles: A Technical Directory of Major Combat Vehicles from World War I to the Present Day. London: Chartwell Books. ISBN 978-0-89009-145-6.
  6. Foss, Christopher F., ed. (1979). Jane’s Armour and Artillery 1979–80. London: Jane’s Publishing Company. ISBN 0-354-00588-X.
  7. Bishop, Chris (1998). The Encyclopedia of Weapons of World War II. New York: Metro Books. ISBN 978-0760710227.
  8. Tucker, Spencer C. (2011). The Encyclopedia of the Vietnam War: A Political, Social, and Military History. Santa Barbara: ABC-CLIO. ISBN 9781851099603.
  9. Kočevar, Iztok (2014). Micmac à tire-larigot chez Tito: L’arme blindée yougoslave durant la Guerre froide. Batailles et Blindés 62: 66–79. ISSN 1765-0828.
  10. Dougherty, Martin J. (2008). Tanks; From World War I to the Present Day. New York: Metro Books. ISBN 1-4351-0123-5.
  11. Bronnen voor historisch onderzoek 1800–1946.
Previous articleWerner Braune Krim 1941 Einsatzcommando SS
Next articleJane Bernigau: Gross-Rosen 1944 kampbewaker
Redactie Mei 1940
De redactie van mei1940.org bestaat uit een diverse groep schrijvers met een gemeenschappelijke interesse in de Tweede Wereldoorlog. Sommigen hebben een militaire achtergrond en brengen praktijkervaring en strategisch inzicht mee, terwijl anderen een academische of wetenschappelijke opleiding hebben gevolgd, zoals aan de Koninklijke Militaire Academie (KMA) of in historisch onderzoek. Deze combinatie van expertise zorgt voor diepgaande, goed onderbouwde artikelen die zowel feitelijk accuraat als analytisch sterk zijn. De redactie streeft ernaar om objectieve en goed gedocumenteerde informatie te bieden, waarbij kennis en ervaring samenkomen om een genuanceerd beeld te schetsen van deze ingrijpende periode in de geschiedenis.