Kunizo Mori (1890–1949) was een Japanse marineofficier die tijdens de Tweede Wereldoorlog berucht werd vanwege zijn rol in oorlogsmisdaden. Hij diende als viceadmiraal in de Keizerlijke Japanse Marine en was onder meer commandant op het eiland Chichijima, waar Amerikaanse krijgsgevangenen werden geëxecuteerd en slachtoffer werden van kannibalisme. Mori geloofde dat het consumeren van menselijke organen medische voordelen had, een praktijk die later bekend werd als “medisch kannibalisme”. Na de oorlog werd hij door de geallieerden berecht voor zijn betrokkenheid bij deze misdaden. Uiteindelijk eindigde zijn leven aan de galg na veroordeling door een tribunaal.
Vroege leven en opleiding
Kunizo Mori werd geboren op 18 december 1890 in de prefectuur Shizuoka, Japan. Hij groeide op als zoon van Mori Sōjirō en diens vrouw Raku. Na de middelbare school werd Mori in 1908 toegelaten tot de Keizerlijke Japanse Marineacademie. Hij studeerde in 1912 af als onderdeel van de 40e promotie van het marine-officierskorps, als 23e van 144 cadetten in rangorde. Deze academie op het eiland Etajima stond bekend om haar zware discipline en vormde hem tot een marineofficier met sterk plichtsbesef. In december 1913 trad hij officieel in dienst als onderluitenant-ter-zee. Als jonge officier volgde hij een gespecialiseerde opleiding aan de marine-torpedoschool, wat zijn expertise in torpedotechniek en marinebewapening vergrootte.
Interbellum
In de decennia tussen de Eerste en Tweede Wereldoorlog doorliep Mori gestaag de rangen van de Japanse marine. Tijdens de jaren 1920 diende hij op verschillende marineschepen en vervulde hij stafrollen bij kustverdedigingseenheden. Zo was hij onder meer sectiecommandant op de kruiser Asama en torpedo-officier op torpedobootjagers als de Numakaze. Ook bekleedde hij stafposities bij marinebases, waaronder de strategische vesting Tsushima en de marinehaven Chinkai in Korea.
Mori werd in 1925 bevorderd tot luitenant-kapitein en vier jaar later, in 1929, tot kapitein-luitenant-ter-zee. In de jaren 1930 kreeg hij bevel over zijn eerste schip, de kanonneerboot Ataka, en diende als eerste officier (executive officer) op grotere oorlogsschepen zoals de slagkruiser Atago en het slagschip Nagato. In 1936 bereikte Mori de rang van kapitein-ter-zee. Aan de vooravond van de Tweede Wereldoorlog, in november 1941, werd hij aangesteld als commandant van de gecombineerde speciale landingsmacht van de marinebasis Sasebo. In deze positie bereidde hij Japanse mariniers (Special Naval Landing Forces) voor op amfibische operaties. Hoewel Japan vanaf 1937 verwikkeld was in de oorlog met China, speelde Mori in die jaren vooral een rol in de binnenlandse verdediging en marineplanning, buiten directe gevechtsacties.
Deelname aan de Tweede Wereldoorlog
Invasie van Nederlands-Indië
Kort na de Japanse aanval op Pearl Harbor in december 1941 werd Mori’s eenheid ingezet bij de snelle opmars in Zuidoost-Azië. In januari 1942 leidde hij de gecombineerde Sasebo Speciale Landingsmacht bij de invasie van het toenmalige Nederlands-Indië. Zijn troepen, samen met een mariniersdetachement uit Yokosuka, voerden op 11 januari 1942 een verrassingsaanval uit op het noorden van Celebes. De lokale KNIL-troepen (Nederlands-Indisch leger) boden slechts lichte weerstand. Mori’s mannen veroverden binnen enkele dagen de belangrijke havenstad Menado en nabijgelegen luchthavens, waarmee een strategische toegangspoort tot de Indische archipel werd geopend. In de daaropvolgende maanden breidden de Japanse strijdkrachten hun controle uit over de rest van Celebes en andere eilanden van de archipel.
Mori kreeg in maart 1942 het commando over de 23e Speciale Basisstrijdmacht, gestationeerd in Makassar (Zuid-Celebes). Deze eenheid was verantwoordelijk voor de beveiliging van veroverde gebieden en het beheer van krijgsgevangenenkampen. Onder Mori’s toezicht werden tienduizenden geallieerde krijgsgevangenen vastgehouden in kampen op Celebes, waaronder een groot kamp bij Makassar. De leefomstandigheden in deze kampen waren zwaar en verslagen na de oorlog wijzen op mishandelingen en wreedheden. Zo kwamen bijvoorbeeld in Kendari (Zuidoost-Celebes) meerdere krijgsgevangenen om het leven door uitputting en executies. In mei 1942 werd Mori bevorderd tot schout-bij-nacht (admiraal). Eind 1942 keerde hij terug naar Japan, waar hij kort dienstdeed als kustverdedigingscommandant in Yokosuka en betrokken was bij de training van nieuwe matrozen. In september 1943 kreeg hij een veldcommando in Nieuw-Guinea, maar na enkele maanden werd hij weer overgeplaatst naar Japan. In Nieuw-Guinea waren de Japanse troepen toen al zwaar in het defensief gedrongen; Mori’s overplaatsing volgde op de verslechterende militaire situatie en bevoorradingsproblemen aan dat front.
Chichijima en kannibalisme
Begin 1944 werd viceadmiraal Mori aangesteld als commandant van het garnizoen op Chichijima, het hoofdeiland van de Bonin-eilanden (Japanse Ogasawara-archipel). Chichijima was een belangrijke Japanse communicatiebasis en lag ten noorden van het strijdtoneel bij Iwo Jima. Mori deelde het bevel over het sterk gefortificeerde eiland met generaal-majoor Yoshio Tachibana van het Japanse leger. In september 1944 werden op Chichijima acht neergehaalde Amerikaanse piloten gevangengenomen. De krijgsgevangenen werden wekenlang ondervraagd, gefolterd en uiteindelijk op bevel van Tachibana geëxecuteerd door onthoofding. Vervolgens deden zich lugubere gebeurtenissen voor: op aandringen van Mori en enkele andere officieren werden de lichamen van ten minste vier gedode piloten verminkt en werden delen van hun lever en andere organen verwijderd.
Mori geloofde dat het eten van de lever van vijandelijke soldaten een geneeskrachtig effect zou hebben op de gezondheid en moedigde deze vorm van “medisch kannibalisme” aan. Officieren van het garnizoen, onder wie Mori zelf, consumeerden lichaamsdelen van de Amerikaanse gevangenen tijdens besloten bijeenkomsten. Dit beruchte voorval staat bekend als het Chichijima-incident. Dergelijke gevallen van kannibalisme deden zich ook op andere fronten voor tijdens de oorlog, veelal uit hongersnood of wraak. Het incident op Chichijima was echter uitzonderlijk door de betrokkenheid van hogere officieren en het idee dat het een ‘medicinale’ handeling betrof. Onder de neergeschoten piloten bevond zich George H.W. Bush – de latere president van de Verenigde Staten – die aan dit lot ontsnapte doordat hij nog tijdig door een Amerikaanse onderzeeër uit zee werd opgepikt. De overblijfselen van de slachtoffers werden later teruggevonden door geallieerde onderzoekers. In mei 1945, enkele maanden voor de Japanse capitulatie, werd Mori nog bevorderd tot viceadmiraal. In augustus 1945 gaf het garnizoen op Chichijima zich zonder verdere strijd over na de algehele Japanse overgave.
Na de oorlog
Toen Japan zich op 15 augustus 1945 overgaf, werd Mori als krijgsgevangene genomen en verantwoordelijk gehouden voor de gebeurtenissen op Chichijima. In 1946 ontdekten Amerikaanse onderzoekers wat er met de vermiste piloten was gebeurd. Hierop werd Mori (samen met anderen) aangeklaagd als oorlogsmisdadiger. In augustus 1946 vond op Guam het proces plaats tegen Mori en elf andere Japanners voor de executie van de Amerikaanse piloten en de daaropvolgende kannibalismepraktijken. Hij werd schuldig bevonden en veroordeeld tot levenslange gevangenisstraf door de Amerikaanse militaire rechtbank. Zijn medecommandant op Chichijima, generaal Tachibana, kreeg in hetzelfde proces de doodstraf en werd in 1946 op Guam geëxecuteerd.
Dit bleek echter niet het einde van Mori’s berechting. Naast zijn daden op Chichijima moest hij zich ook verantwoorden voor misdragingen tegen krijgsgevangenen in Nederlands-Indië. De Nederlandse autoriteiten eisten Mori op voor een afzonderlijk tribunaal betreffende oorlogsmisdaden in de voormalige kolonie. In 1948 verscheen hij voor een Nederlandse krijgsraad in Makassar (Celebes), bekend als het Tribunaal 32.
Hem werd ten laste gelegd dat hij als commandant van de 23e Speciale Basis op Celebes na de bezetting betrokken was bij de marteling en moord op Nederlandse en geallieerde krijgsgevangenen, onder andere de executie van drie geallieerde krijgsgevangenen in Kendari na een ontsnappingspoging. Het Nederlandse tribunaal achtte Mori schuldig aan deze feiten en legde de doodstraf op. Op 22 april 1949 werd Mori in de gevangenis van Makassar door ophanging geëxecuteerd. Zijn executie vond plaats vlak voor het einde van het Nederlandse gezag in Indonesië en was een van de laatste uitgevoerde doodvonnissen tegen Japanse oorlogsmisdadigers na de Tweede Wereldoorlog.
Militaire rangen
- 1913: benoemd tot onderluitenant-ter-zee (luitenant-ter-zee der 3e klasse, start als junior officier).
- 1925: bevorderd tot luitenant-ter-zee der 1e klasse.
- 1929: bevorderd tot kapitein-luitenant-ter-zee.
- 1936: bevorderd tot kapitein-ter-zee (scheepskapitein).
- 1942: bevorderd tot schout-bij-nacht (admiraalsrang).
- 1945: bevorderd tot viceadmiraal (hoogste rang als actief officier).
Onderscheidingen
Mori ontving tijdens zijn loopbaan de gebruikelijke Japanse dienstonderscheidingen die hoorden bij zijn rang en functie. Er zijn echter geen bijzondere of opvallende persoonlijke decoraties van hem gedocumenteerd in openbare bronnen. Zijn nalatenschap wordt vooral bepaald door zijn militaire carrière en de oorlogsmisdaden waarvoor hij na afloop van de oorlog is berecht.
Conclusie
Kunizo Mori’s levensloop biedt een blik op zowel de militaire opkomst van een Japanse officier als de nasleep waarmee oorlogsmisdaden onverbiddelijk werden bestraft. Als getalenteerde marineofficier klom hij op tot in de hoogste rangen en speelde hij een rol in belangrijke campagnes in de Stille Oceaan. Toch wordt zijn naam vooral geassocieerd met het gruwelijke Chichijima-incident en andere wreedheden begaan in oorlogstijd. Mori’s verhaal illustreert hoe zelfs hoge officieren ter verantwoording werden geroepen voor wandaden tijdens de oorlog. De gruweldaden op Chichijima bleven lang minder bekend bij het grote publiek, maar kwamen later aan het licht door historische onderzoeken en publicaties. Zijn proces en executie na 1945 markeren het slotstuk van een loopbaan die getekend werd door zowel plichtsbesef als misdadige ontsporingen.
Bronnen en meer informatie
- Bradley, James (2003). Flyboys: A True Story of Courage. New York: Little, Brown & Co. ISBN 978-0-316-10584-2.
- Hearn, Chester G. (2003). Sorties into Hell: The Hidden War on Chichi Jima. Westport (CT): Praeger Publishers. ISBN 0-275-98081-2.
- Tanaka, Yuki (1996). Hidden Horrors: Japanese War Crimes in World War II. Boulder: Westview Press. ISBN 978-0-8133-2717-4.
- Oktorino, Nino (2013). Ensiklopedi Pendudukan Jepang di Indonesia: Konflik Bersejarah. Jakarta: Elex Media Komputindo. ISBN 978-602-02-2872-3.
- Bronnen voor historisch onderzoek 1800–1946









