
Akitsu Maru (あきつ丸) was een Japans “Type C” landing craft depot ship en escortvliegdekschip, in gebruik bij het Keizerlijk Japans Leger tijdens de Tweede Wereldoorlog. Het schip was ontworpen als een amfibisch transportschip met vliegdek, bedoeld voor ondersteuning van landingsoperaties door middel van luchtdekking en het transporteren van landingsvaartuigen en vliegtuigen. In sommige bronnen wordt Akitsu Maru, samen met Nigitsu Maru, beschouwd als een van de eerste amfibische aanvalsschepen, hoewel deze rol eerder werd vervuld door Shinshū Maru, die als model diende voor Akitsu Maru. Het schip werd in 1944 tot zinken gebracht tijdens een konvooivaart in de Koreaanse Straat, nadat het door een Amerikaanse onderzeeër was getorpedeerd.
Ontwerp en constructie
Akitsu Maru werd oorspronkelijk als passagiersschip gebouwd bij de Harima-werf, maar tijdens de bouw overgenomen door het Keizerlijk Japans Leger. Het schip kreeg een vliegdek boven de romp zonder hangar; vliegtuigen werden opgeslagen op het oorspronkelijke hoofddek. Oorspronkelijk konden vliegtuigen alleen vertrekken vanaf het dek en niet landen, maar in juli 1944 werd KX arresting gear geïnstalleerd, waardoor landing mogelijk werd voor lichte toestellen zoals de Kokusai Ki-76 en Kayaba Ka-1 autogiro.
Het schip kon maximaal 27 Daihatsu-klasse landingsvaartuigen meenemen en was bedoeld om luchtsteun te bieden tijdens amfibische operaties, hoewel het in de praktijk vaak als vliegtuigtransport diende.
Technische gegevens (standaarduitrusting bij oplevering):
- Waterverplaatsing: 11.800 ton
- Lengte: 143,74 m
- Breedte: 20 m
- Diepgang: 7,85 m
- Voortstuwing: 4 ketels, 2 tandwielstoomturbines, 7.500 shp
- Snelheid: 20 knopen
- Capaciteit: 8 vliegtuigen (als carrier), tot 30 als ferry
- Landingsvaartuigen: 27 stuks Daihatsu-klasse
Bewapening
- 2 × enkele 75 mm luchtafweerkanonnen
- 10 × enkele 75 mm veldkanonnen
- 6 × enkele 25 mm luchtafweerkanonnen
Na modificatie in 1944 werden extra luchtafweerkanonnen en mortieren toegevoegd voor escorttaken.
Bepantsering
Akitsu Maru beschikte niet over zware bepantsering zoals slagschepen of zware kruisers. De constructie bood slechts basisbescherming tegen scherven en lichte wapens. Bescherming tegen torpedo’s en mijnen was beperkt, waardoor het schip kwetsbaar was voor onderzeebootaanvallen.
Sensoren en dataverwerking
Het schip was uitgerust met een waterluisterapparaat (passieve sonar) voor onderzeebootdetectie. Er zijn geen aanwijzingen dat Akitsu Maru beschikte over radarinstallaties of een Combat Information Center (CIC). Het ontbreken van een CIC betekende dat de coördinatie van sensorgegevens en gevechtsinformatie minder efficiënt verliep dan bij moderne oorlogsschepen vanaf 1943. In dat jaar werd het schip, vanuit operationeel oogpunt, als verouderd beschouwd in vergelijking met schepen met geïntegreerde commandosystemen.
Modificaties
In 1944 werd Akitsu Maru verbouwd tot escortvliegdekschip voor onderzeebootbestrijding. De werkzaamheden omvatten:
- Verbreding van het vliegdek
- Verplaatsing van brug en schoorsteen naar stuurboordzijde
- Uitbreiding van de hangarruimte
- Installatie van KX arresting gear en landingshulpsystemen
- Plaatsing van extra luchtafweerbewapening en mortieren
- Aanpassing van camouflagekleuren naar groen marinepatroon
Na deze verbouwing kon het schip acht lichte vliegtuigen (waaronder Ki-76 en Ka-1) inzetten voor patrouille- en escorttaken.
Status schip tijdens de oorlog
Bij de oplevering in 1942 voldeed Akitsu Maru aan de Japanse legervereisten voor gecombineerde lucht- en landingsoperaties. Door de snelle technologische ontwikkelingen, vooral in radar- en commandosystemen bij de geallieerden, was het schip vanaf 1943 operationeel verouderd. Ondanks de modificaties in 1944 bleef het kwetsbaar door het ontbreken van moderne detectieapparatuur en geavanceerde gevechtscoördinatie.
Operationele geschiedenis
Vroege inzet en Java-veldtocht
Na de voltooiing in januari 1942 werd Akitsu Maru ingezet in de Zuidelijke Operaties. Tijdens de inval op Java in februari–maart 1942 maakte het schip deel uit van de landingsgroep bij Merak, terwijl zusterschip Shinshū Maru bij Bantam opereerde. De landing verliep zonder ernstige tegenstand ter plaatse. Kort daarna viel Java volledig in Japanse handen.
Transport- en bevoorradingstaken 1942–1943
Na de Java-operatie werd Akitsu Maru voornamelijk gebruikt voor het transport van troepen, voertuigen, vliegtuigen en landingsvaartuigen tussen basissen in Zuidoost-Azië en de Grote Oceaan, waaronder Rabaul, Singapore, Saigon, Truk, Surabaya, Manila en Takao. Het schip voer herhaaldelijk naar gebieden die zwaar onder luchtaanvallen lagen, zoals Rabaul, zonder ernstige schade op te lopen.
Conversie en anti-onderzeeboottaken 1944
In april 1944 begon de verbouwing tot escortvliegdekschip. Na voltooiing in juli werd het schip uitgerust voor onderzeebootbestrijding in de Straat van Korea en de Japanse Zee. Het opereerde samen met lichte escorte-eenheden en voerde luchtpatrouilles uit, maar kwam in deze periode geen vijandelijke onderzeeërs tegen, aangezien de Amerikaanse marine op dat moment geen actieve onderzeebootoperaties in de Japanse Zee uitvoerde.
Laatste missie en ondergang
In november 1944 werd Akitsu Maru ingezet voor een grote troepentransportoperatie naar de Filipijnen als onderdeel van Konvooi HI-81. Het vervoerde onder meer elementen van de 64e Infanterieregiment, Maru-Ni explosieve motorboten en lichte vliegtuigen. Op 15 november 1944 werd het schip, ten westen van Kyushu in de Koreaanse Straat, getroffen door torpedo’s van de Amerikaanse onderzeeër USS Queenfish. Een explosie in het achterste munitiedepot veroorzaakte zware structurele schade, gevolgd door ketelontploffingen. Het schip zonk snel; meer dan 2.000 militairen en bemanningsleden kwamen om, slechts enkele honderden werden gered.
Conclusie
Akitsu Maru was een uniek schip binnen het Keizerlijk Japans Leger door de combinatie van amfibische transportcapaciteit en vliegdek. Het ontwerp bood flexibiliteit bij landingsoperaties en het transport van vliegtuigen en landingsvaartuigen. Technologisch gezien was het schip bij oplevering in 1942 geschikt voor zijn beoogde taken, maar door het ontbreken van radar en een Combat Information Center (CIC) raakte het vanaf 1943 operationeel achter bij geallieerde marineschepen met geavanceerde detectie- en commandosystemen. De ombouw tot escortvliegdekschip verbeterde de luchtafweer en de mogelijkheid tot onderzeebootbestrijding, maar kon de fundamentele kwetsbaarheden niet wegnemen. De ondergang in november 1944 illustreert de risico’s van grote transportschepen zonder voldoende bescherming tegen moderne onderzeebootdreigingen.
Bronnen en meer informatie
- Afbeelding: 日本語: 日本陸軍 English: Imperial Japanese Army, Public domain, via Wikimedia Commons
- Brooks, Peter W. (1988). Cierva Autogiros: The Development of Rotary-Wing Flight. Washington, D.C.: Smithsonian Institution Press. ISBN 0-87474-268-4.
- Cressman, Robert (2000). The Official Chronology of the U.S. Navy in World War II. Annapolis, Maryland: Naval Institute Press. ISBN 1-55750-149-1.
- Lengerer, Hans (2023). The Aircraft Carriers of the Imperial Japanese Navy and Army: Technical and Operational History. Vol. II. Katowice, Poland: Model Hobby. ISBN 978-83-60041-71-0.
- Roscoe, Theodore; Voge, R. G. (1949). United States Submarine Operations in World War II. Annapolis, Maryland: Naval Institute Press. ISBN 0-87021-731-3.
- Sturton, Ian (1980). “Japan”. In Chesneau, Roger (ed.). Conway’s All the World’s Fighting Ships 1922–1946. Greenwich, UK: Conway Maritime Press. ISBN 0-85177-146-7.
- Worth, Richard (2002). Fleets of World War II. Cambridge, Massachusetts: Da Capo Press. ISBN 0-306-81116-2.
- Bronnen voor historisch onderzoek 1800–1946









