
De Tweede Slag aan de Sambre, gevoerd op 4 november 1918, vormde een onderdeel van de geallieerde eindoffensieven in West-Europa tijdens de Eerste Wereldoorlog. Deze slag omvatte tevens de Tweede Slag bij Guise (Frans: 2ème Bataille de Guise) en de Slag bij Thiérache (Bataille de Thiérache). Het offensief vond plaats in de slotfase van het conflict, slechts dagen voor de ondertekening van de wapenstilstand op 11 november 1918. De strijd was gericht op het doorbreken van de resterende Duitse verdediging in Noord-Frankrijk en West-België.
Achtergrond van het offensief
In de weken voorafgaand aan de slag vertoonde het Duitse leger tekenen van desintegratie aan het westelijk front. Tijdens de Slag aan de Selle (17–25 oktober 1918) werden ongekend veel Duitse militairen gevangengenomen, wat erop wees dat de weerstand snel afnam. Als reactie op deze ontwikkeling stelden de geallieerden een nieuw offensief op dat zich richtte op het gebied rond het Kanaal van Condé, met een frontlijn van circa 48 kilometer, vanaf Le Cateau tot aan de omgeving van Maubeuge en Mons.
De Franse Eerste Leger en drie Britse legers – het Eerste, Derde en Vierde – namen deel aan het offensief. Het doel was om via een brede aanval een doorbraak te forceren richting de Maas, met als gevolg dat het Duitse leger zich niet langer kon hergroeperen langs een verkorte verdedigingslinie. Tegelijkertijd zetten Amerikaanse troepen hun opmars voort vanuit het Argonnebos, wat de coördinatie van de Duitse verdediging verder onder druk zette.
Voorbereiding van de aanval
De aanval werd zorgvuldig voorbereid, ondanks logistieke uitdagingen en uitputting onder de troepen. Op 4 november 1918 om 05:45 uur begon het offensief. In totaal namen 17 Britse divisies en 11 Franse divisies deel aan de aanval. Onder de Britse troepen bevonden zich ook de 3e en 4e Canadese Divisies, die onderdeel waren van het Canadese Korps binnen het Britse Eerste Leger.
De ondersteuning door pantservoertuigen was beperkt. Door eerdere verliezen en mechanische uitputting kon het Britse Tankkorps slechts 37 tanks inzetten, verdeeld over een breed front.
De slag aan het Sambre-kanaal
Tactische situatie en eerste contact
Het eerste grote obstakel voor de Britse aanval was het Kanaal van de Sambre, dat op sommige plaatsen een breedte van 18 tot 21 meter had, met daar omheen drassig terrein en overstromingszones. Dit was dezelfde locatie waar het Britse Expeditieleger vier jaar eerder, in 1914, zijn eerste gevechten had geleverd.
De Britse XIII en IX Korpsen bereikten het kanaal als eerste en ondervonden direct hevig vuur van Duitse artillerie. Pogingen om tijdelijke bruggen te slaan stuitten op intense tegenstand. Veel bruggen werden tijdens het aanleggen vernietigd of beschadigd, waardoor infanterie-eenheden het water moesten oversteken onder zwaar vuur. De verliezen waren hoog; alleen al het IX Korps verloor circa 1.150 manschappen tijdens de oversteek, waaronder de Britse oorlogsdichter Wilfred Owen.
Verdere gevechten en doorbraak
Na de moeizame oversteek trokken Britse troepen verder door het landelijke gebied ten noorden van het kanaal, waar ze opnieuw hevige weerstand ondervonden. De Duitse verdediging had zich ingegraven in dorpen en bossen, wat de opmars vertraagde. Pas tegen het middaguur wisten Britse troepen een bres van ongeveer drie kilometer diep en 24 kilometer breed te slaan in de Duitse linies.
Een van de meest opvallende prestaties was de oversteek door het 2e Bataljon van het Sussex Regiment, onder leiding van luitenant-kolonel D.G. Johnson. Voor zijn leiderschap tijdens de operatie werd hij onderscheiden met het Victoria Cross.
Operaties in het noorden: Forêt de Mormal en de Canadezen
Aanval in het Mormal-bos
Ten noorden van het kanaal zetten het IV en V Korps hun opmars voort richting het Forêt de Mormal, een dicht bebost gebied dat van strategisch belang was. Hier opereerde ook het Canadese Korps met als doel de richting van Mons te benaderen. De Duitse verdediging was op veel plaatsen ongeorganiseerd. In sommige sectoren konden de Britse troepen bijna ongehinderd oprukken, zoals bij het 13e bataljon van de Royal Welsh Fusiliers, dat nauwelijks zijn wapens hoefde te gebruiken.
Daarentegen had de 9e eenheid van de 17e divisie zware verliezen te verwerken: van de 583 manschappen overleefden slechts 226 soldaten en 2 officieren de gevechten. Ondanks deze ongelijkheden in Duitse tegenstand, bleef het algehele tempo van de geallieerde opmars hoog.
De inname van Le Quesnoy
De stad Le Quesnoy, gelegen aan de westzijde van het Forêt de Mormal, werd ingenomen door de Nieuw-Zeelandse Divisie. Deze operatie werd uitgevoerd met ladders tegen de eeuwenoude vestingmuren van de stad, om zo onnodige burgerlijke slachtoffers te vermijden. De succesvolle bestorming van deze stad zonder grootschalige vernietiging werd achteraf beschouwd als een opmerkelijke prestatie van militaire discipline en planning.
Franse operaties: Guise en Thiérache
De rol van het Franse Eerste Leger
Ten zuiden van de Britse linies voerde het Franse Eerste Leger een eigen aanval uit met als doelstellingen de verovering van Guise en Origny-en-Thiérache. Deze operaties stonden bekend als respectievelijk de Tweede Slag bij Guise en de Slag bij Thiérache. In beide gevallen slaagden de Franse troepen erin om de Duitse verdediging te doorbreken en de genoemde dorpen in te nemen. Hiermee werd de zuidflank van het geallieerde front versterkt, waardoor een gezamenlijke geallieerde linie ontstond.
Uitbreiding van het bruggenhoofd
Na de succesvolle aanvallen werd een bruggenhoofd van bijna 80 kilometer lang gevormd, met een diepte van drie tot vijf kilometer. Dit bruggenhoofd vormde de basis voor de geallieerde opmars in de laatste dagen van de oorlog. In veel gevallen werd dagelijks terreinwinst geboekt van vijf kilometer of meer, wat kenmerkend was voor de afbrokkelende Duitse verdediging.
Voortzetting van de geallieerde opmars
Na de successen van 4 november 1918 trokken de geallieerde legers in hoog tempo verder op naar het oosten. Door de doorbraak langs het Sambre-kanaal en de opmars door het Forêt de Mormal konden Britse, Canadese, Nieuw-Zeelandse en Franse eenheden vrijwel dagelijks aanzienlijke terreinwinst boeken. De Duitse verdediging viel in veel sectoren uiteen. De Duitse bevelstructuren waren ernstig ontwricht en veel eenheden trokken zich ongeorganiseerd terug of gaven zich over.
Gevechten tot aan de wapenstilstand
In de dagen na 4 november zetten de geallieerden hun offensief onverminderd voort. De Britse troepen naderden de stad Mons, waar het Britse Expeditieleger in 1914 voor het eerst in actie was gekomen. De symboliek van deze terugkeer was groot, maar binnen militaire kringen werd dit vooral als een strategische afsluiting van de veldtocht beschouwd.
De Nieuw-Zeelandse Divisie rukte verder op richting het noordoosten en bevrijdde op 5 november het dorp Frameries. Tegelijkertijd trokken Canadese troepen op naar Havré en verder richting de lijn die uiteindelijk als de wapenstilstandslijn van 11 november zou worden vastgelegd.
Het tempo van de geallieerde opmars bleef hoog. In sommige gebieden werd tot acht kilometer per dag gewonnen. In totaal werd tussen 4 en 11 november een gebied van meer dan 80 kilometer breed en gemiddeld 5 kilometer diep bevrijd van Duitse bezetting.
De wapenstilstandslijn van 11 november 1918
De opmars kwam tot stilstand op de ochtend van 11 november 1918 om 11:00 uur, het tijdstip waarop het staakt-het-vuren in werking trad. De geallieerde troepen bevonden zich op dat moment langs een lijn die liep van Gent, via Hourain, Bauffe, Havré en Consoire, tot aan Sivry aan de Frans-Belgische grens. Deze lijn werd in de officiële documenten vastgelegd als de eindpositie van de gevechtshandelingen aan het westelijk front.
De Tweede Slag aan de Sambre bleek daarmee de laatste grote slag van de Eerste Wereldoorlog aan het westfront. De verliezen waren zwaar, vooral aan geallieerde zijde bij het oversteken van het Sambre-kanaal. Toch was het offensief een doorslaggevend succes dat de Duitse militaire weerstand definitief brak.
Conclusie
De Tweede Slag aan de Sambre markeerde het slotstuk van vier jaar strijd aan het westelijk front. In de vroege ochtend van 4 november 1918 begon een grootschalig offensief van Franse en Britse troepen over een front van bijna 50 kilometer breed. Ondanks beperkte tankondersteuning en zwaar verdedigde overgangen, wisten de geallieerden door te breken bij het Sambre-kanaal en het bosgebied van Mormal.
De snelle opmars in de daaropvolgende dagen leidde tot het uiteenvallen van de Duitse verdediging, het verlies van strategisch gelegen dorpen zoals Le Quesnoy en Guise, en de verovering van een breed bruggenhoofd. De slag had een directe invloed op het besluit van de Duitse legerleiding en regering om in te stemmen met de wapenstilstand van 11 november 1918.
Deze slag is om meerdere redenen historisch van belang: als militaire overwinning, als symbolisch sluitstuk van het westelijk front, en als onderdeel van het grotere proces van het beëindigen van de Eerste Wereldoorlog. De gebeurtenissen illustreren de militaire uitputting van alle betrokken partijen en de beslissende invloed van gecoördineerde geallieerde samenwerking in de laatste fase van de oorlog.
Bronnen en meer informatie
Edmonds, J.E. (1947). Military Operations France and Belgium, 1918, Volume V: 26th September – 11th November. London: HMSO. ISBN 978-1-84574-720-6.
Sheffield, G.D. (2001). Forgotten Victory: The First World War – Myths and Realities. London: Headline Book Publishing. ISBN 978-0-7472-7667-0.
Terraine, John (1982). The Western Front 1914–1918. Harmondsworth: Penguin Books. ISBN 978-0-14-006249-0.
Bennett, Geoffrey (2005). Naval Battles of the First World War. Barnsley: Pen & Sword Military Classics. ISBN 978-1-84415-300-8.
- Bronnen Mei1940








