
De United Nations War Crimes Commission (UNWCC) was een multilaterale commissie die tussen 1943 en 1948 bestond en zich richtte op het verzamelen van bewijsmateriaal over oorlogsmisdaden gepleegd tijdens de Tweede Wereldoorlog. De oprichting vond plaats vóór het formele ontstaan van de Verenigde Naties. De commissie ondersteunde geallieerde staten bij het voorbereiden en uitvoeren van rechtsvervolgingen van verdachten, zonder zelf een rechterlijke rol te vervullen. Ondanks haar omvangrijke werk is de UNWCC relatief onbekend gebleven, in tegenstelling tot de meer besproken processen in Neurenberg en Tokio.
Oprichting van de UNWCC
Politieke context en aanloop
De oprichting van de UNWCC vond plaats tegen de achtergrond van toenemende documentatie van oorlogsmisdaden door de Asmogendheden. Al in januari 1942 kwamen negen exilregeringen in Londen bijeen, wat leidde tot de oprichting van de Inter-Allied Commission for the Punishment of War Crimes. Deze voorbereidende structuur vormde de basis voor de latere UNWCC.
Officiële oprichting in 1943
Op 7 oktober 1942 kondigde de Britse Lord Chancellor John Simon aan dat er een internationale commissie moest komen om oorlogsmisdaden te onderzoeken. De formele oprichting van de UNWCC vond plaats op 20 oktober 1943 tijdens een bijeenkomst in het Britse ministerie van Buitenlandse Zaken. Zeventien geallieerde landen namen deel, waaronder de Verenigde Staten, het Verenigd Koninkrijk, China, Frankrijk, de Sovjet-Unie (aanvankelijk als waarnemer) en andere landen die onder Duitse bezetting hadden geleden.
Doelstellingen en werkwijze van de commissie
Mandaat en juridische basis
De UNWCC kreeg als opdracht het verzamelen en beoordelen van bewijsmateriaal inzake oorlogsmisdaden. De commissie had geen juridische bevoegdheid om zelf verdachten te vervolgen, maar ondersteunde nationale rechtbanken bij de juridische voorbereiding en identificeerde verdachten.
De voornaamste doelen waren onder meer:
- Vastleggen en beoordelen van bewijs
- Indienen van rapporten aan regeringen
- Opmaken van lijsten met verdachten
- Adviseren over uitleveringsverdragen en procesprocedures
Organisatiestructuur
De UNWCC kende drie hoofdcommissies:
- Commissie voor feiten en bewijs
- Commissie voor praktische uitvoering
- Adviescommissie
Het voorzitterschap lag aanvankelijk bij Sir Cecil Hurst en vanaf januari 1945 bij Lord Robert Wright. De eerste officiële bijeenkomst van de commissie vond plaats op 26 oktober 1943.
Activiteiten en resultaten
Beweismateriaal en registratie
Vanaf februari 1944 werden de eerste bewijzen van oorlogsmisdaden aan de commissie overhandigd. Tegen het einde van de oorlog in 1945 had de UNWCC 8.178 dossiers geopend tegen in totaal 36.810 verdachten. Van deze personen waren 34.270 Duitsers.
De commissie gebruikte ook informatie van het Central Registry of War Criminals and Security Suspects (CROWCASS), dat was opgericht door de geallieerde militaire autoriteiten. In augustus 1947 telde de officiële lijst meer dan 24.000 namen, waarvan ruim 22.000 Duitse staatsburgers.
Juridische discussies binnen de UNWCC
Gedurende de oorlog richtte de UNWCC zich vooral op juridische uitgangspunten. De commissie boog zich over fundamentele vragen, zoals de strafbaarheid van agressieoorlogen en de reikwijdte van het begrip ‘misdaden tegen de menselijkheid’. Hierover ontstonden diepgaande discussies, die echter vaak onopgelost bleven vanwege verdeeldheid onder de leden.
Samenwerking met nationale justitiesystemen
De UNWCC adviseerde nationale overheden over het opzetten van rechtsprocedures en droeg actief bij aan de oprichting van het Neurenbergtribunaal. Ook ondersteunde zij de processen in onder meer Polen, Frankrijk, China en de Balkan. In totaal was de UNWCC indirect betrokken bij honderden nationale processen.
Internationale samenwerking en beperkingen
Samenstelling en geopolitieke spanningen
De UNWCC bestond uit vertegenwoordigers van zeventien landen die betrokken waren bij de geallieerde oorlogsinspanningen. Deze landen hadden uiteenlopende politieke belangen, wat leidde tot spanningen binnen de commissie. Een belangrijk voorbeeld is de weigering van de Sovjet-Unie om toe te treden, nadat hun verzoek om zeven stemmen voor verschillende Sovjetrepublieken werd afgewezen. De overige leden, waaronder het Verenigd Koninkrijk en de Verenigde Staten, wilden slechts drie stemmen toekennen.
Rol van exilregeringen
Acht van de deelnemende regeringen bevonden zich in ballingschap, waaronder die van Polen, Nederland, België en Luxemburg. Deze regeringen leverden cruciaal bewijsmateriaal over oorlogsmisdaden in hun bezette gebieden, maar beschikten niet over uitvoerende macht om zelf vervolgingen in te stellen. De samenwerking met geallieerde militaire autoriteiten was dan ook essentieel om rechtshandhaving te realiseren.
Juridische bijdragen aan het internationaal recht
Nieuwe categorieën van misdrijven
De UNWCC leverde bijdragen aan de ontwikkeling van rechtsconcepten zoals ‘misdaden tegen de menselijkheid’ en ‘misdaden tegen de vrede’. In het eindrapport werd uitgebreid verwezen naar historische precedenten, waaronder het optreden tegen de Armeense genocide van 1915. Dit leidde tot de juridische onderbouwing van artikel 6 van het Neurenberg Handvest.
Beïnvloeding van latere VN-instrumenten
Hoewel het werk van de commissie beperkt bleef tot 1948, beïnvloedde het belangrijke juridische documenten zoals de VN-conventie tegen genocide (1948) en het statuut van het Internationaal Strafhof. In discussies over de definities van genocide in latere VN-rapporten (zoals het Whitaker- en Ruhashyankiko-rapport) werd echter zelden verwezen naar de documenten van de UNWCC, ondanks de aanwezige juridische relevantie.
Regionale inzet en subcommissies
Sub-Commission Pacific Affairs
In 1944 werd een aparte subcommissie opgericht voor het Aziatisch-Pacifisch gebied, met het hoofdkantoor in Chongqing, China. Deze Sub-Commission on Pacific Affairs werkte nauw samen met de Chinese regering en organiseerde militaire rechtbanken in steden als Nanking, Shanghai en Taiwan. Tussen 1945 en 1947 werden circa 2.500 Japanse verdachten vervolgd, met ongeveer 110 uitgesproken doodvonnissen.
Rol van China in de UNWCC
De Chinese vertegenwoordiger Wellington Koo speelde een centrale rol binnen de UNWCC, met als prioriteit de vervolging van Japanse oorlogsmisdaden. China drong er op aan dat deze misdrijven even serieus werden genomen als die gepleegd in Europa. Deze inspanningen leidden mede tot de oprichting van het Internationaal Militair Tribunaal voor het Verre Oosten (IMTFE) in Tokio, waar onder meer klasse-A oorlogsmisdadigers terechtstonden.
Conclusie
De United Nations War Crimes Commission vormde tussen 1943 en 1948 een belangrijk internationaal instrument voor de voorbereiding van rechtsvervolgingen van oorlogsmisdaden begaan tijdens de Tweede Wereldoorlog. De commissie legde de basis voor het internationale strafrecht, met aandacht voor nieuwe categorieën zoals misdaden tegen de menselijkheid. De UNWCC was echter geen gerechtelijk orgaan en had geen uitvoerende bevoegdheden, wat haar impact op de daadwerkelijke rechtsgang beperkte. Toch leverde zij onmisbare bijdragen aan de juridische fundamenten van latere processen, waaronder Neurenberg en Tokio. Ondanks haar invloedrijke werkzaamheden is de commissie relatief onbekend gebleven. De archieven en analyses van de UNWCC bieden nog altijd waardevol materiaal voor historisch en juridisch onderzoek naar internationale gerechtigheid.
Bronnen en meer informatie
- Afbeelding: Autor nieznany, Public domain, via Wikimedia Commons
- Plesch, Daniel (2017). Human Rights After Hitler: The Lost History of Prosecuting Axis War Crimes. Georgetown University Press. ISBN 978-1-62616-431-4.
- Kochavi, Arieh J. (1998). Prelude to Nuremberg. University of North Carolina Press. ISBN 0-8078-2433-X.
- Kochavi, Arieh J. (1992). “Britain and the Establishment of the United Nations War Crimes Commission”. The English Historical Review. 107 (423): 323–349. doi:10.1093/ehr/CVII.423.323. JSTOR 575067.
- Fleming, Michael (2022). In the Shadow of the Holocaust: Poland, the United Nations War Crimes Commission, and the Search for Justice. Cambridge University Press. ISBN 9781009098984.
- Bathurst, M. E. (1945). “The United Nations War Crimes Commission”. American Journal of International Law. 39 (3): 565–570. doi:10.1017/S0002930000138059. ISSN 0002-9300.
- Wieviorka, Annette (2006). Le procès de Nuremberg. Éditions Liana Levi. ISBN 286746420X.
- Sigel, Robert (1992). Im Interesse der Gerechtigkeit: Die Dachauer Kriegsverbrecherprozesse 1945–48. Campus. ISBN 3-593-34641-9.
- Lessing, Holger (1993). Der erste Dachauer Prozess (1945/46). Nomos. ISBN 3-7890-2933-5.
- Form, Wolfgang (2007). “Justizpolitische Aspekte west-alliierter Kriegsverbrecherprozesse 1942–1950”. In: Eiber, Ludwig & Sigl, Robert (red.). Dachauer Prozesse – NS-Verbrechen vor amerikanischen Militärgerichten in Dachau 1945–1948. Wallstein. ISBN 978-3-8353-0167-2.
- Kettenacker, Lothar (1999). “Die Behandlung der Kriegsverbrecher als anglo-amerikanisches Rechtsproblem”. In: Ueberschär, Gerd R. (red.). Die alliierten Prozesse gegen Kriegsverbrecher und Soldaten 1943–1952. Fischer. ISBN 3-596-13589-3.
- Krivec, Boris (2004). Von Versailles nach Rom – Der lange Weg von Nullum crimen, nulla poena sine lege. Dissertation. Hamburg. ISBN 3-86113-378-1.
- Segesser, Daniel Marc (2010). Recht statt Rache oder Rache durch Recht? Die Ahndung von Kriegsverbrechen in der internationalen wissenschaftlichen Debatte 1872–1945. Schöningh. ISBN 978-3-506-76735-8.
- Mei, Ju-ao (2022). The Tokyo Trial and War Crimes in Asia. Springer Nature Singapore. ISBN 978-981-15-9815-9.
- Ziccardi Capaldo, Giuliana (red.) (2015). Global Community: Yearbook of International Law and Jurisprudence. Oxford University Press. ISBN 978-0-19-935980-4.
- Lai, Wen-Wei (2014). “China’s Standpoint on UNWCC Jurisdiction”. Criminal Law Forum. 25(1). doi:10.1007/s10609-013-9221-7.
- Avedian, Vahagn (2018). Knowledge and Acknowledgement in the Politics of Memory of the Armenian Genocide. Routledge. ISBN 978-1-13-831885-4.
- Gorman, Robert F. (2001). Great Debates at the United Nations: An Encyclopedia of Fifty Key Issues 1945-2000. Greenwood Publishing Group. ISBN 978-0-313-31386-8.
- Bronnen voor historisch onderzoek 1800–1946









