Home Voertuigen Tanks Tiger II (Königstiger): ontwerp en inzet, 1944–45.

Tiger II (Königstiger): ontwerp en inzet, 1944–45.

Tiger II tanks met smalle transportrupsen opgesteld in formatie op oefenterrein Sennelager, vóór vertrek naar Hongarije
Tiger II tanks van het 503e zware tankbataljon met smalle transportrupsen tijdens een propagandafilmopname in Sennelager, vóór inzet in Hongarije.

De Tiger II (Panzerkampfwagen Tiger Ausf. B) was een Duitse zware tank die vanaf 1944 werd ingezet. Hij combineerde het zware pantserconcept van de Tiger I met schuin geplaatste platen zoals bij de Panther. Met het 8,8 cm KwK 43 L/71-kanon was hij bedoeld voor gevechten op langere afstand.

Officiële Benaming En Plaats In De Tiger-reeks

De officiële benaming was Panzerkampfwagen Tiger Ausf. B, vaak verkort tot Tiger B. In de inventaris stond hij als Sd.Kfz. 182; commandovoertuigen kregen Sd.Kfz. 267 en 268. De bijnaam Königstiger werd informeel gebruikt en wordt in het Duits ook gekoppeld aan “King Tiger”. Geallieerde militairen gebruikten vaak de benamingen King Tiger of Royal Tiger.

De Tiger II volgde de Tiger I op en nam het idee van zware bescherming over, maar met meer schuine pantserplaten zoals bij de Panther. Het voertuig woog bijna 70 ton en had aan de voorkant ongeveer 100 tot 185 mm pantser, afhankelijk van het deel van romp en koepel. Het onderstel was ook de basis voor de Jagdtiger tankjager. Door oorlogsomstandigheden werden uiteindelijk 492 exemplaren gebouwd.

Ontwikkeling: Henschel, Porsche En Krupp

De ontwikkeling begon in 1937 met een ontwerpcontract voor Henschel. In 1939 volgde een tweede opdracht voor Porsche. Beide projecten gebruikten een koepelontwerp van Krupp, maar verschilden in romp, aandrijving en ophanging. Na beproeving kreeg Henschel het productiecontract en werden de serietanks door Henschel gebouwd.

De Henschel-uitvoering had een achterin geplaatste motor en een romp met aflopende pantserplaten. Per zijde gebruikte men negen grote overlappende loopwielen met torsiestaven, bedoeld om het gewicht te verdelen en toch onderhoud mogelijk te houden. Porsche werkte met een andere indeling, waaronder een koepel verder naar achteren en een ophanging met bogies zoals bij de Elefant. Er werden ook onorthodoxe aandrijfconcepten onderzocht, maar deze haalden de serie niet.

Koepeltypes En Pantseropbouw

In productie kwamen twee koepeltypes voor. Het vroege type had een afgeronde voorkant en sterk schuine zijkanten. Deze koepel wordt vaak “Porsche-koepel” genoemd, maar was een Krupp-ontwerp dat op beide prototypes paste. Een gebogen uitstulping aan de linkerzijde maakte ruimte voor de commandantenkoepel. Ongeveer vijftig van deze koepels werden op Henschel-rompen geplaatst.

Vanaf december 1943 verscheen de productietoren met een dikker, vlak front en minder steil aflopende zijkanten. Hierdoor verviel de uitstulping en kwam extra ruimte vrij voor munitie. In beschrijvingen wordt ook genoemd dat de vorm beter bestand was tegen ongelukkige ricochets. Op sommige Tiger II’s werd Zimmerit aangebracht, een ruwe laag die moest helpen tegen magnetische mijnen.

De bescherming was vooral op de voorzijde geconcentreerd. De bovenste frontplaat van de romp was ongeveer 150 mm en schuin geplaatst; de onderste frontplaat lag rond 100 mm. Zijkanten en achterzijde lagen doorgaans rond 80 mm. De productietoren had aan de voorkant ongeveer 180 mm, terwijl dakplaten rond 40 tot 44 mm lagen. Dit maakte zijdelings vuur en aanvallen op de achterzijde aantrekkelijker voor tegenstanders.

Bewapening, Munitie En Richtmiddelen

Het hoofdwapen was het 8,8 cm KwK 43 L/71-kanon. De tank werd uitgerust met een turmzielfernrohr, bij latere voertuigen meestal de TZF 9d. Oefenrapporten melden hoge trefkansen op grotere afstand, maar gevechtsresultaten hingen sterk af van terrein, zicht en tactiek. Naast het hoofdwapen beschikte de tank over 7,92 mm-munitie, tot ongeveer 5.850 patronen.

Voor pantserdoelen was PzGr 39/43 de standaardgranaat, met explosieve vulling. PzGr 40/43 had een wolfraamkern en was bedoeld voor hogere doorslag, maar was beperkt beschikbaar. Voor zachte doelen was er SprGr 43. Daarnaast bestond HlGr 39, een holleladinggranaat met een opgegeven doorslag van circa 90 mm ongeacht afstand. De 8,8 cm-voorraad bedroeg ongeveer 80 patronen bij de vroege koepel en 86 bij de productietoren, vaak met een mix van pantser- en brisantmunitie.

De koepel werd hydraulisch gedraaid met een systeem dat via de hoofdmotor werd aangedreven. De schutter kon tussen standen kiezen en de beweging nauwkeurig regelen. Als de aandrijving uitviel, kon de koepel met de hand worden gedraaid, maar dit kostte tijd en was vooral bedoeld om het wapen toch te kunnen richten. Dit past bij de technische focus van de Tiger II op gecontroleerd vuur vanuit een gunstige positie.

Aandrijving, Transmissie, Onderstel En Rupsen

De Tiger II gebruikte een Maybach HL 230 P30 V‑12 benzinemotor van 700 pk, dezelfde basis als bij Panther en Tiger I. Door het hoge gewicht was het beschikbare vermogen krap en het brandstofverbruik hoog. De versnellingsbak was de Maybach OLVAR OG 40 12 16 B met acht versnellingen vooruit en vier achteruit. Het sturen en de eindoverbrenging vormden een zwaar belast deel van de aandrijflijn.

Het onderstel werkte met torsiestaven en per zijde negen wielstellen met overlappende wielen. De tank had twee rupssets: brede gevechtsrupsen en smallere transportrupsen voor spoorvervoer. De gronddruk lag rond 0,76 kg per cm², wat de inzet op zachte grond kon ondersteunen. In de praktijk vroeg het voertuig om goed onderhoud, vooral bij intensieve marsen en bij rijden op oneffen terrein.

Varianten En Verwante Voertuigen

De commandoversie heette Panzerbefehlswagen Tiger Ausf. B en kwam voor als Sd.Kfz. 267 en Sd.Kfz. 268. Door extra radioapparatuur werd de voorraad 8,8 cm-munitie teruggebracht tot ongeveer 63 patronen. Extern konden deze tanks afwijken door extra antennes. De Sd.Kfz. 267 was bedoeld met FuG 8 en FuG 5; de Sd.Kfz. 268 met FuG 7 en FuG 5.

De Tiger II-romp was ook de basis voor de Jagdtiger, een zware tankjager zonder draaibare koepel. Er waren daarnaast voorstellen voor verbeteringen, zoals de Maybach HL 234 met brandstofinjectie, die het vermogen zou verhogen tot ten minste 800 pk. Ook werden alternatieve transmissies, een dieselprogramma en een 10,5 cm-kanon besproken. Deze plannen kwamen niet meer tot serieproductie.

Productie, Aantallen En Kosten

De Tiger II werd laat in de oorlog in serie gebouwd. Er waren plannen voor 1.500 voertuigen, maar de productie werd herhaaldelijk verstoord door bombardementen, tekorten en transportproblemen. In 1944 werd de Henschel-fabriek zwaar getroffen, waarbij een groot deel van de productieruimte verloren ging. Het gevolg was dat leveringen achterbleven bij de planning.

In totaal werden 492 Tiger II’s geproduceerd: één in 1943, 379 in 1944 en 112 in 1945. De seriebouw liep grofweg van midden 1944 tot het einde van de oorlog. De kosten per voertuig worden genoemd als 321.500 Reichsmark. Dit onderstreept dat het om een complex en duur wapensysteem ging, met hoge eisen aan materiaal en arbeid.

Organisatie En Gebruikte Eenheden

De Tiger II werd toegewezen aan zware tankbataljons van het Heer en de Waffen-SS. Een standaardbataljon omvatte 45 tanks, verdeeld over staf en drie compagnies met pelotons. Het concept was inzet in geconcentreerde groepen, met een nadruk op vuur op afstand en frontale bescherming. De praktijk vroeg daarbij om herstelcapaciteit, munitie en vooral brandstof.

Bij het Heer gebruikten onder meer de bataljons 501 tot en met 511 de Tiger II. Bij de Waffen-SS ging het om zware bataljons 501, 502 en 503. De eerste inzet in Normandië vond plaats bij het 503e zware tankbataljon in juli 1944. Op het Oostfront werd de Tiger II in augustus 1944 voor het eerst ingezet bij het 501e zware tankbataljon.

Betrouwbaarheid En Praktische Mobiliteit

Vroege Tiger II’s hadden problemen met afdichtingen en onderdelen van de aandrijflijn. Eindoverbrengingen en stuurinrichtingen konden uitvallen, mede door hoge belasting. Ook werd gemeld dat het rupsontwerp de belasting op de aandrijving kon vergroten. Wanneer bestuurders met beperkte training direct naar het front gingen, werkte dit storingen in de hand.

Later werden verbeteringen doorgevoerd aan afdichtingen, aandrijflijnonderdelen en het rups- en tandwielsysteem. Met betere training en onderhoud kon de inzetbaarheid toenemen. In cijfers van 15 maart 1945 wordt een inzetbaarheid van ongeveer 59% genoemd. Tegelijk bleven brandstoftekorten en herstelproblemen bepalend, waardoor tanks soms werden achtergelaten en door de eigen bemanning vernietigd om buitname te voorkomen.

De mobiliteit was niet alleen door techniek bepaald. Brede rupsen en lage gronddruk hielpen op zachte ondergrond, wat in waarnemingen ook wordt genoemd. De Tiger II kon daardoor op sommige terreinen redelijk manoeuvreren, ondanks het gewicht. De grenzen lagen vooral bij mechanische slijtage, brandstofverbruik en de belasting van de aandrijving bij lange marsen.

Inzet In 1944 En 1945

In juli 1944 verscheen de Tiger II in Normandië bij het 503e zware tankbataljon. Tijdens gevechten rond Operatie Atlantic gingen tanks verloren door gevechtsbeschadiging en door vastlopen in terrein dat door bombardementen was verstoord. Op het Oostfront werd de Tiger II in augustus 1944 ingezet bij gevechten rond de Wisła bij Baranów Sandomierski. In de omgeving van Oględów gingen meerdere tanks verloren in hinderlagen en door flankvuur, en enkele voertuigen werden buitgemaakt voor tests.

In oktober 1944 volgde inzet in Hongarije, onder meer rond Boedapest tijdens Operatie Panzerfaust en in de gevechten bij Debrecen. In december 1944 werd de Tiger II in grotere aantallen ingezet tijdens het Ardennenoffensief, met naar schatting circa 150 aanwezige tanks. In 1945 bleef hij aanwezig bij Sovjetoffensieven richting Oder, in Oost-Pruisen, bij het Balatonoffensief, op de Seelower Hoogten en in de eindfase rond Berlijn. In rapporten wordt herhaaldelijk genoemd dat mechanische uitval en brandstofgebrek een groot deel van de verliezen verklaarden.

Proeven En Beoordelingen Van Vuurkracht En Pantser

De Tiger II combineerde zwaar frontpantser met een kanon dat bedoeld was voor effectief antitankvuur op grotere afstand. In West-Europa stonden in 1944 meestal middelzware geallieerde tanks tegenover hem, waardoor flankaanvallen en vuur op zijkant en achterzijde vaak de aangewezen methode waren. Duitse en geallieerde beoordelingen benadrukken dat de tank frontaal moeilijk te doorboren was, zeker wanneer hij in een gunstige positie stond.

Sovjetproeven met buitgemaakte voertuigen bij Kubinka meldden dat het 8,8 cm-kanon sterk presteerde in doorslag en nauwkeurigheid. Tegelijk werden mechanische problemen genoemd, zoals oververhitting en het regelmatig moeten bijstellen van rupsbandspanning. Ook werd aangegeven dat de kwaliteit van lasnaden en pantserplaten bij late oorlogsbouw minder gelijkmatig was dan bij eerdere Duitse tanks, met risico op afsplintering aan de binnenzijde. In schietproeven werd daarnaast gewezen op kwetsbaarheden bij lassen en bij openingen, terwijl doordringing van de dikste frontdelen sterk afhankelijk bleef van afstand, hoek en herhaalde treffers.

Behouden Exemplaren

Meerdere Tiger II’s zijn bewaard gebleven, vooral in musea. Het enige rijdende exemplaar staat in Saumur (Frankrijk) en heeft de productietoren. Andere voertuigen zijn statisch bewaard of maken deel uit van restauratieprojecten. De staat varieert van compleet tot beschadigd of deels samengesteld.

Bekende bewaarplaatsen en projecten zijn:

  • Saumur, Frankrijk: rijdend exemplaar met productietoren.
  • Dorset, Verenigd Koninkrijk: prototype met vroege koepel.
  • Munster, Duitsland: exemplaar met productietoren.
  • Kubinka, Rusland: exemplaar met productietoren, buitgemaakt bij Oględów.
  • La Gleize, België: cosmetisch gerestaureerd exemplaar uit december 1944.
  • Fort Benning, Verenigde Staten: exemplaar met productietoren, opengewerkt voor onderwijsdoel.
  • Full, Zwitserland: exemplaar in restauratie.
  • Mantes-la-Jolie, Frankrijk: wrak onder een wegtracé.
  • Leicestershire, Verenigd Koninkrijk: reconstructieproject met originele en nieuw vervaardigde delen.

Conclusie

De Tiger II was een zware tank die vanaf 1944 werd ingezet en die frontale bescherming en langeafstands-vuurkracht centraal stelde. Hij kreeg twee koepelvarianten, een 8,8 cm KwK 43-kanon en een aandrijflijn die in de praktijk gevoelig was voor hoge belasting. De productie bleef beperkt tot 492 voertuigen door bombardementen en tekorten. Inzet werd daardoor in sterke mate bepaald door techniek, onderhoud en brandstof.

Bronnen en meer informatie

  1. Afbeelding: Bundesarchiv, Bild 146-1975-102-14A / Hamann / CC-BY-SA 3.0CC BY-SA 3.0 DE, via Wikimedia Commons
  2. Buckley, John (2004). British Armour in the Normandy Campaign, 1944. London: Frank Cass. ISBN 978-0-7146-5323-5.
  3. Jentz, Thomas L. (1996). Panzertruppen 2: The Complete Guide to the Creation & Combat Employment of Germany’s Tank Force 1943–1945. Atglen: Schiffer Publishing. ISBN 978-0-7643-0080-6.
  4. Jentz, Thomas L.; Doyle, Hilary L. (1993). Kingtiger Heavy Tank 1942–45. London: Osprey Publishing. ISBN 978-1-85532-282-0.
  5. Jentz, Thomas L.; Doyle, Hilary L. (1997). Germany’s Tiger Tanks: VK45 to Tiger II. Atglen: Schiffer Publishing. ISBN 978-0-7643-0224-4.
  6. Schneider, Wolfgang (2000). Tigers in Combat I. Mechanicsburg: Stackpole Books. ISBN 978-0-8117-3171-3.
  7. Schneider, Wolfgang (2005). Tigers in Combat II. Mechanicsburg: Stackpole Books. ISBN 978-0-8117-3203-1.
  8. Spielberger, Walter J.; Doyle, Hilary L. (2007). Tigers I and II and Their Variants. Atglen: Schiffer Publishing. ISBN 978-0-7643-2780-3.
  9. Wilbeck, Christopher (2004). Sledgehammers: Strengths and Flaws of Tiger Tank Battalions in World War II. Bedford: Aberjona Press. ISBN 978-0-9717650-2-3.
  10. Zaloga, Steven J. (2015). Armored Champion: The Top Tanks of World War II. Mechanicsburg: Stackpole Books. ISBN 978-0-8117-1437-2.