Karl von Fasbender: Beierse legerleiding 1872–1918

Karl Ritter von Fasbender (3 december 1852 – 13 mei 1933) was een Beiers generaal der infanterie. Tijdens de Eerste Wereldoorlog leidde hij vrijwel onafgebroken het I Koninklijk Beiers Reservekorps in het 6e Leger. In de laatste oorlogsweken kreeg hij kort het commando over het 19e Leger. Hij ontving onder meer de Pour le Mérite en de Militär-Max-Joseph-Orden.

Vroege leven en opleiding

Familie en afkomst

Karl Fasbender werd geboren in Michelbach bij Wiesbaden, destijds in de Pruisische provincie Hessen-Nassau. Hij was de zoon van fabriekseigenaar Karl Fasbender en Elisabeth Lossen. Hoewel zijn geboortegrond Pruisisch was, koos hij voor een loopbaan in het Beierse leger. In 1891 trouwde hij met Lili Zellner; uit het huwelijk kwamen twee kinderen voort.

School en eerste opleiding

Fasbender volgde een klassieke opleiding die aansloot bij de officierenopleiding van zijn tijd. Na de Latijnse school in Hadamar behaalde hij het eindexamen aan het humanistisch gymnasium in Würzburg. Vervolgens studeerde hij een jaar rechten aan de Universiteit van Würzburg. In Beieren bood het leger voor afgestudeerden een vaste carrièrelijn. Daarom koos hij definitief voor de krijgsmacht.

Loopbaan in vredestijd (1872–1912)

Vanaf 1872 doorliep Fasbender een klassieke loopbaan van infanterieofficier naar generale staf. Hij trad op 1 oktober 1872 als eenjarig vrijwilliger toe tot het 9e Infanterieregiment Wrede in Würzburg en werd een jaar later beroepsmilitair. Na de oorlogsschool werd hij op 12 november 1875 tot Sekondeleutnant bevorderd. Hij werkte onder meer als regimentsadjudant (1878–1881) en volgde daarna de Kriegsakademie, die hem kwalificeerde voor functies bij de generale staf en het militaire onderwijs.

Zijn verdere loopbaan combineerde stafwerk met commando’s in de Beierse infanterie. Als Premierleutnant diende hij als adjudant in Kaiserslautern en werd hij in 1888 naar de generale staf gecommandeerd, waarna een plaatsing bij de spoorwegafdeling van de Grote Generale Staf in Berlijn volgde. Daarna voerde hij een compagnie en gaf hij les aan de Kriegsakademie, gevolgd door bataljonscommando’s in het 10e Infanterieregiment König Ludwig en het 1e Jägerbataljon König. In 1901 werd hij commandant van de Militär-Schießschule Lechfeld, waar hij het gevechtsschieten in theorie en praktijk moderniseerde. Na bevordering tot Oberst kreeg hij in 1903 het commando over het 3e Infanterieregiment Prinz Karl von Bayern in Augsburg.

In de jaren vóór 1914 bereikte Fasbender hoge Beierse bevels- en stafposities. Na regimentcommando’s en de leiding over de 9e Infanteriebrigade werkte hij begin 1906 in Berlijn mee aan de hervorming van het infanterie-exerzierreglement. Op 30 december 1907 werd hij chef van de generale staf van het Beierse leger en inspecteur van militaire onderwijsinstellingen. In 1908 volgde de bevordering tot generaal-luitenant en het commando over de 4e Divisie in Würzburg. Door de verlening van het Komturkreuz van de Verdienstorden der Bayerischen Krone werd hij in de persoonlijke adelstand verheven en vanaf dat jaar als Ritter von Fasbender aangeduid; op 23 maart 1912 ging hij met de rangtitel generaal der infanterie met pensioen.

Deelname aan de Eerste Wereldoorlog

Mobilisatie en bevel over het I Reservekorps

Bij het uitbreken van de oorlog werd Fasbender uit zijn pensioen teruggeroepen en opnieuw in actieve dienst gesteld. Op 10 augustus 1914 nam hij als commandant-generaal het bevel over het nieuw gevormde I Koninklijk Beiers Reservekorps, dat onder het overwegend Beierse 6e Leger opereerde. Op 11 oktober 1914 werd hij voor de duur van de oorlog weer aangesteld als generaal der infanterie. In de administratieve positie à la suite van het 1e Jägerbataljon kreeg hij bovendien het recht het uniform van die eenheid te dragen. Het korps bleef vervolgens zijn hoofdcommando gedurende vrijwel de hele oorlog.

Westfront 1914: Valenciennes, Cambrai en Vimy

In het najaar van 1914 werd het I Reservekorps ingezet aan het Westfront in de sector tussen Valenciennes en Cambrai, in de omgeving van Arras. Begin oktober wist Fasbender met zijn korps een Franse reservedivisie onverwacht aan te vallen en te verslaan. Toch stokte de verdere opmars, omdat nieuw ingezette Franse formaties de Duitse troepen voor de Vimy-hoogten tot staan brachten. De gevechten bij Vimy en Loretto werden in Beierse onderscheidingsdossiers later genoemd bij de toekenning van het Ridderkruis van de Militär-Max-Joseph-Orden op 5 oktober 1914.

Lunéville en het eisen van een losgeld (september 1914)

Op 3 september 1914 tekende Fasbender in Hénamenil een brief waarin de burgerbevolking van Lunéville werd verplicht een bedrag van 650.000 francs te betalen, waaronder 50.000 francs in goud. Als motivering werd verwezen naar vermeende oorlogsacties door Franse burgers. In Franse rapporten uit 1915 werd later gesteld dat dergelijke incidenten door ondergeschikten zouden zijn uitgelokt om het eisen van het losgeld te rechtvaardigen. De kwestie wordt in bronnen genoemd als voorbeeld van spanningen rond bezettingsmaatregelen en de toepassing van het oorlogsrecht in de beginfase van de oorlog.

Verdediging bij Arras en Franse aanvallen (1915)

In 1915 lag het korps lange tijd in de omgeving van Arras, waar het front zich tot een stellingenoorlog ontwikkelde. In mei moest Fasbender herhaalde aanvallen van Franse troepen opvangen en daarbij zware verliezen accepteren. Op 5 mei ontstond een crisis toen de Franse 10e Legerformatie met het XXII Legerkorps een doorbraak van ongeveer drie kilometer diepte bereikte. Later dat jaar, in september 1915, wist hij een nieuwe reeks aanvallen te laten stuklopen ondanks een zeer zware Franse artillerie-inzet, door de opmars- en verzamelzones van de Franse 10e Legerformatie vroegtijdig onder vuur te nemen met eigen artillerie.

Slag aan de Somme en Maurepas (1916)

Tijdens de Sommeslag van 1916 kreeg Fasbender te maken met grootschalige geallieerde aanvallen en snelle verschuivingen in de frontlijn. In onderscheidingsmotiveringen werd benadrukt dat hij in een moeilijke situatie zelfstandig besloot om grotendeels afgeloste, uitgeputte troepen onmiddellijk opnieuw in te zetten om een doorbraak te voorkomen. In augustus 1916 wordt hem in dezelfde context ook het verhinderen van Franse inbraken bij Maurepas toegeschreven. Voor zijn optreden in 1916 ontving hij het Kommandeurkreuz van de Militär-Max-Joseph-Orden; in overzichten worden hiervoor twee data genoemd, 3 juni 1916 en 4 januari 1917.

Pour le Mérite en korpscommando tot 1918

Naast Beierse onderscheidingen kreeg Fasbender ook Pruisische erkenning binnen het keizerlijke legerverband. Op 13 september 1916 werd hij onderscheiden met de Pour le Mérite, de hoogste Pruisische orde van verdienste voor officieren. Het I Reservekorps bleef onder zijn leiding op het Westfront ingezet, vooral in de sector rond Arras en de Vimy-rug. Binnen het 6e Leger, dat grotendeels uit Beierse formaties bestond, bleef hij zijn korps lange tijd voeren, terwijl eenheden regelmatig werden verplaatst en heringedeeld.

Slag bij Arras en terugnemen van de linie (voorjaar 1917)

In het voorjaar van 1917 kwam het I Reservekorps opnieuw onder zware druk tijdens de Slag bij Arras. Het korps lag voor de Vimy-hoogten, maar een Britse doorbraak bij de naastliggende 14e Infanteriedivisie maakte het vasthouden van de bestaande positie niet haalbaar. Fasbender besloot daarom de verdediging ongeveer vijf kilometer terug te leggen om de Britse artillerie te dwingen naar een nieuw stellinggebied te verplaatsen. Op 13 april 1917 werd de nieuwe lijn betrokken. Daarop volgende Britse aanvallen op deze positie mislukten.

Grootkruis van de Militär-Max-Joseph-Orden (april 1917)

De verdediging in april en begin mei 1917 leidde tot de hoogste klasse van de Beierse militaire orde. Op voordracht van zijn opperbevelhebber, veldmaarschalk kroonprins Rupprecht van Beieren, werd Fasbender onderscheiden met het Großkreuz van de Militär-Max-Joseph-Orden (23 april 1917). In de motivering werd verwezen naar een voorstel aan de hoogste leiding en de uitvoering daarvan, waardoor de Britse aanvallen van 23 en 28 april en 3 mei 1917 konden worden afgeslagen. De tekst van de onderscheiding koppelde dit resultaat ook aan de militaire vorming en discipline van de onder zijn bevel staande troepen.

Voorjaarsoffensief 1918 en het einde van de oorlog

Tijdens het Duitse voorjaarsoffensief van 1918, in Duitse bronnen vaak aangeduid als de Michael-Schlacht, voerde Fasbender op 28 maart een aanval uit richting Arras die niet het beoogde resultaat opleverde. Zijn korps bleef daarna onderdeel van de defensieve fase waarin de geallieerden het initiatief terugnamen. In de laatste oorlogsperiode kreeg hij nog een hoger commando: hij werd aangewezen als opperbevelhebber van het 19e Leger. Op 18 november 1918, kort na de wapenstilstand, werd hij uit de dienst ontslagen.

Interbellum: functies en orden (1919–1932)

Na de wapenstilstand bleef Fasbender verbonden aan een Beierse instelling met militaire betekenis, de Militär-Max-Joseph-Orden. Van 1 april tot 8 juli 1919 fungeerde hij als Großkanzler van deze orde, die in het Koninkrijk Beieren gold als de hoogste zuiver militaire onderscheiding. Daarmee had hij in 1919 een formele rol binnen het bestuur van de orde. In de overgangsperiode na 1918 veranderde het staatsbestel, maar de orde bleef als historische instelling bestaan.

Na een onderbreking keerde hij in 1921 terug in dezelfde functie. Van 9 april 1921 tot oktober 1932 was Fasbender opnieuw Großkanzler van de Militär-Max-Joseph-Orden. Daarmee bekleedde hij gedurende een groot deel van de Weimarperiode een formele bestuursrol binnen het Beierse ordenwezen. In biografische overzichten wordt dit genoemd als zijn voornaamste publieke positie na het actieve commando. Over andere werkzaamheden in deze jaren worden in die overzichten geen verdere details vermeld.

Ook zijn naamgebruik veranderde door ontwikkelingen in het Duitse staatsrecht. In 1908 werd Fasbender door een Beierse onderscheiding in de persoonlijke adelstand verheven, waardoor de titel Ritter aan zijn naam werd toegevoegd als Ritter von Fasbender. Voor 1919 konden dergelijke adellijke titels vóór de volledige naam worden geplaatst; na de afschaffing van de adel als rechtsstand in augustus 1919 werden ze juridisch behandeld als onderdeel van de achternaam en komen ze in de schrijfwijze meestal na de voornamen. Sindsdien worden Ritter en het voorvoegsel von bij alfabetisch sorteren doorgaans genegeerd. Een vrouwelijke variant bestond voor deze titel niet.

Na de oorlog

Na zijn ontslag op 18 november 1918 keerde Fasbender terug naar het burgerleven, terwijl Duitsland een politieke en militaire heroriëntatie doormaakte. Zijn korte legercommando aan het einde van de oorlog werd gevolgd door werkzaamheden binnen de Militär-Max-Joseph-Orden, eerst in 1919 en later opnieuw vanaf 1921. Daarmee bleef hij in Beierse kring verbonden aan de administratieve voortzetting van een koninklijke militaire instelling.

Fasbender bracht zijn laatste levensfase door in München, waar hij op 13 mei 1933 overleed. In biografische samenvattingen ligt de nadruk op zijn langdurige korpscommando aan het Westfront en op functies binnen de Beierse legerleiding. Zijn laatste ordensfunctie eindigde in oktober 1932, enkele jaren vóór het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog. De tijdlijn van zijn openbare loopbaan loopt daarmee van zijn toetreding tot het Beierse leger in 1872 tot zijn overlijden in 1933.

Militaire Rangen

De rangen die Fasbender bereikte volgen de Beierse en Duitse benamingen van de late 19e eeuw. Hij begon als Sekondeleutnant en doorliep via Hauptmann en Major de stap naar hogere veld- en generaalsrangen. Vanaf 1908 droeg hij de rang van Generalleutnant, en bij zijn pensionering in 1912 werd hem het karakter van General der Infanterie toegekend, een eretitel bij pensionering. Dat was in het keizerlijke leger een volledige generaalsrang binnen de infanterie. Tijdens de oorlog werd hij in die rang opnieuw aangesteld voor de duur van het conflict.

DatumRang
12 november 1875Sekondeleutnant
1 oktober 1890Hauptmann
13 april 1896Major
7 maart 1900Oberstleutnant
15 oktober 1902Oberst
9 april 1905Generalmajor
26 juni 1908Generalleutnant
23 maart 1912Charakter als General der Infanterie (pensionering)
11 oktober 1914Wederindienststelling als General der Infanterie (voor de duur van de oorlog)

Onderscheidingen

Fasbenders loopbaan werd begeleid door onderscheidingen uit zowel Beieren als Pruisen, wat past bij de structuur van het keizerlijke Duitse leger. Binnen Beieren gold de Militär-Max-Joseph-Orden als de hoogste puur militaire orde, met drie klassen die meestal aan hogere officieren werden toegekend na bewezen leiderschap. Fasbender ontving in de loop van de oorlog achtereenvolgens alle klassen. Daarnaast kreeg hij in 1916 de Pruisische Pour le Mérite, een onderscheiding die vaak aan korps- en legercommandanten werd verleend.

De eerste klasse die hij ontving was het Ridderkruis van de Militär-Max-Joseph-Orden op 5 oktober 1914, verbonden met de gevechten bij Vimy en Loretto. Het Kommandeurkreuz volgde later voor zijn optreden in 1916; in de aangeleverde gegevens staan als datum 3 juni 1916 en in een ander overzicht 4 januari 1917. Op 23 april 1917 kreeg hij het Großkreuz, na aanbeveling door kroonprins Rupprecht, met verwijzing naar de verdediging tegen Britse aanvallen eind april en begin mei. De Pour le Mérite werd hem op 13 september 1916 toegekend.

Al vóór de oorlog had een onderscheiding invloed op zijn maatschappelijke status. Met het Komturkreuz van de Verdienstorden der Bayerischen Krone werd hij in 1908 in de persoonlijke adelstand verheven en als Ritter von Fasbender in de adelsmatrikel bij de ridderklasse ingeschreven. Na 1918 bleef hij als Großkanzler van de Militär-Max-Joseph-Orden betrokken bij het ordenwezen, wat aansluit bij zijn eigen positie als drager van alle drie klassen. Daarmee werd zijn naoorlogse publieke rol vooral verbonden aan het beheer en de representatie van een bestaande militaire onderscheidingstraditie.

Conclusie

Karl Ritter von Fasbender combineerde een lange vooroorlogse carrière in het Beierse leger met vrijwel onafgebroken korpscommando in de Eerste Wereldoorlog. Hij bekleedde vóór 1914 hoge functies in de Beierse generale staf en leidde vanaf augustus 1914 het I Koninklijk Beiers Reservekorps aan het Westfront, met inzet rond Arras, Vimy en de Somme. Aan het einde van 1918 voerde hij kort het 19e Leger. In het interbellum vervulde hij vooral een bestuursrol als Großkanzler van de Militär-Max-Joseph-Orden, tot kort voor zijn overlijden in 1933.

Bronnen en meer informatie

  1. Hackl, Othmar (1989). Die Bayerische Kriegsakademie (1867–1914). München: C.H. Beck’sche Verlagsbuchhandlung. ISBN 3-406-10490-8.
  2. Bronnen voor historisch onderzoek 1800-1946
Previous articleUSS Shamrock Bay (CVE-84): inzet in WOII 1944–1945
Next articleLouis de Maud’huy, Franse WOI-generaal 1857
Redactie Mei 1940
De redactie van mei1940.org bestaat uit een diverse groep schrijvers met een gemeenschappelijke interesse in de Tweede Wereldoorlog. Sommigen hebben een militaire achtergrond en brengen praktijkervaring en strategisch inzicht mee, terwijl anderen een academische of wetenschappelijke opleiding hebben gevolgd, zoals aan de Koninklijke Militaire Academie (KMA) of in historisch onderzoek. Deze combinatie van expertise zorgt voor diepgaande, goed onderbouwde artikelen die zowel feitelijk accuraat als analytisch sterk zijn. De redactie streeft ernaar om objectieve en goed gedocumenteerde informatie te bieden, waarbij kennis en ervaring samenkomen om een genuanceerd beeld te schetsen van deze ingrijpende periode in de geschiedenis.