ZES EN EEN KWART

Door de invoering van de euro zijn veel benamingen van bankbiljetten en vooral munten verloren gegaan. Als jongeren over tien jaar lezen of horen spreken over de oude muntstukken, kwartje, gulden, piek, daalder, rijksdaalder, gouden vijfje of tientje, dan klinkt het hun vreemd in de oren. Herdrukken van negentiende en twintigste-eeuwse boeken dienen dan voorzien te worden van een uitleg.

Mogelijk ontstaan er in de toekomst nieuwe muntbenamingen. De namen stuiver en dubbeltje zullen wel overleven. Na de bevrijding kon men een tijdlang met drie soorten munten betalen, namelijk met het vooroorlogs, oorlogs en met het naoorlogs geld. Nadat er voldoende munten waren, verdwenen er een paar vreemdsoortige munten. Wie kent nog de halve cent en de vierkante stuiver. Tijdens de oorlog kon men met deze munten nog een standbeeldje maken van de beruchte Seyss-Inquart. Men nam een cent. Daarop soldeerde men de punt van een vierkante stuiver en aan de bovenzijde ervan kwam een gehalveerde halve cent. Het resultaat was waard ZES EN EEN KWART, een van de vele scheldnamen van de nazi zetbaas in Nederland. De spotnaam was niet alleen gebaseerd op zijn verbasterde naam, de man liep ook mank. Het beeldje was te gebruiken als sigarettendover. Meer praktisch was het als pijpenstopper, bij gebruik van de slechte eigen tabaksteelt. Tijdens het aanstampen kreeg Seyss het heet onder de voeten – uiteindelijk in mei 1945 met goed gevolg.

Uiting van ‘klein verzet’. Zes-en-een-kwart is een van de spotnamen voor de nazi Dr. Arthur Seyss-Inquart. Seyss is afkomstig uit Oostenrijk. Als rijkscommissaris van het bezette Nederland staat hij direct onder Hitler. Hij heeft aan een val in de bergen een mank been overgehouden, dus die ‘kwart’ is meer dan een verbastering. Andere bijnamen voor hem zijn Seys Hinkelepink, Leyss Hinkwat en Judas Mankabenus. Na de oorlog wordt hij in Neurenberg berecht en opgehangen.

Het twee-en-een-halve centstuk kennen waarschijnlijk alleen nog de muntverzamelaars. De grote bronzen munt stond ook bekend als ‘plak’, ‘lap’ en vooral als ‘vierduitstuk’. Die laatste benaming stamt uit het begin van de negentiende eeuw na de invoering van het Nederlandse decimale geldstelsel. De stuiver van voor 1800 was onderverdeeld in 8 duiten of 4 oortjes. Het muntje van een halve stuiver was dus 4 duiten waard en werd daarom een vierduitstuk genoemd. Na de invoering van het decimale geldstelsel ging die naam over op het bronzen twee en halve cent stuk. Tijdens de bezetting kwam er nog tijdelijk een zinken uitvoering van. De laatste geslagen uitvoering ervan is tamelijk zeldzaam en heeft een hoge verzamelwaarde.

De vooroorlogse 2 1/2 cent werd tijdens de crisisjaren gebruikt als kerkegeld voor kinderen. Ze konden zo een (vier) duit in het kerkezakje doen. Belangrijk was de ‘plak’ als ‘gasmunt op afbetaling’. In de woningen stonden vroeger munt-gasmeters. Een gasmuntje kostte in 1933 negen cent en was goed voor 1 kubieke meter stadsgas. Het vierduitstuk was even groot als een gasmuntje. Het moest alleen voorzien worden van een uitsparing (zaagsnede) om in de meter te kunnen. Deze noodmunt gaf tijdelijk uitstel van betaling, als de meteropnemer kwam, moesten deze ‘nep’ gasmunten worden afgerekend.

Door F.J.J. de Gooijer.