Home Personen Duits Walter Fries: Duitse generaal in de Tweede Wereldoorlog

Walter Fries: Duitse generaal in de Tweede Wereldoorlog

Walter Fries (1894–1982) was een militair die een lange loopbaan doorliep binnen zowel de Duitse Keizerlijke Leger als de Wehrmacht. Zijn carrière besloeg de Eerste Wereldoorlog, het interbellum en de Tweede Wereldoorlog, waarin hij verschillende commandoposten bekleedde. Na de oorlog werd hij berecht voor een militaire beslissing maar vrijgesproken. Dit artikel geeft een overzicht van zijn levensloop, zijn militaire dienst, en de context waarin hij handelde.

Vroege leven en opleiding

Walter Fries werd op 22 april 1894 geboren in Gusternhain, destijds onderdeel van het Duitse Keizerrijk. In 1912 begon hij zijn militaire loopbaan als eenjarige vrijwilliger bij het Füsilier-Regiment „von Gersdorff“ (Kurhessisches) Nr. 80. Hier ontving hij zijn eerste opleiding in militaire dienst. Op 30 september 1913 werd hij overgeplaatst naar de reserve, waarmee zijn actieve dienst tijdelijk eindigde.

Bij het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog in augustus 1914 werd Fries opnieuw opgeroepen voor militaire dienst. Hij werd toegewezen aan het 2. Nassauisches Infanterie-Regiment Nr. 88, waarmee hij zijn actieve loopbaan voortzette aan het front.

Deelname aan de Eerste Wereldoorlog

Gedurende de Eerste Wereldoorlog was Fries betrokken bij enkele van de zwaarste veldslagen aan zowel het west- als het oostfront. In 1914 vocht hij in de Slag bij de Marne. In 1915 kreeg hij de verantwoordelijkheid als compagniescommandant binnen zijn regiment aan het oostfront.

Later vervulde hij dezelfde rol binnen het Reserve-Infanterie-Regiment Nr. 253 en het Landwehr-Infanterie-Regiment Nr. 83. Tijdens deze periode ontving hij het IJzeren Kruis, zowel eerste als tweede klasse, en het Verwundetenabzeichen in zwart. Op 3 december 1918, kort na de wapenstilstand van Compiègne, verliet Fries het leger met de rang van leutnant der reserve.

Interbellum: Politiedienst en overgang naar de Wehrmacht

Na het einde van de oorlog trad Fries op 19 januari 1919 in dienst bij de politie in Kassel als commissaris-in-opleiding. In september van datzelfde jaar ging hij over naar de Schutzpolizei. In 1922 volgde hij een verkorte opleiding tot politieofficier, waarna hij zijn loopbaan vervolgde in leidinggevende functies.

Van maart 1926 tot juli 1933 werkte hij als politiehoofd in Keulen. Daarna werd hij adjudant van de Landespolizeiabteilung in Frankfurt am Main. In deze periode volgde hij een aanvullende opleiding voor hogere politie-officieren. Van april 1934 tot maart 1936 bekleedde hij de rang van politie-majoor binnen de politie-inspectie Zuidwest.

Op 16 maart 1936 maakte Fries de overstap naar de Wehrmacht. Aanvankelijk werd hij gestationeerd bij de staf van de 34e Infanteriedivisie. Kort daarna, op 1 april 1936, werd hij overgeplaatst naar de generale staf van dezelfde eenheid.

Deelname aan de Tweede Wereldoorlog

In oktober 1936 kreeg Fries het commando over het Infanterieregiment 15 (gemotoriseerd). Deze eenheid nam onder zijn leiding deel aan de invasie van Polen in 1939 en aan de veldtocht in West-Europa in 1940. In november 1940 kreeg hij het bevel over het Infanterieregiment 87 (gemotoriseerd), waarmee hij vanaf juni 1941 deel uitmaakte van Operatie Barbarossa, de Duitse aanval op de Sovjet-Unie.

Tijdens de gevechten rond Moskou in de winter van 1941 toonde Fries zich een bekwaam bevelhebber. Hiervoor werd hij op 14 december 1941 onderscheiden met het Ridderkruis van het IJzeren Kruis. Op 8 oktober 1942 volgde de toekenning van het Duitse Kruis in goud. Op 15 oktober van dat jaar werd zijn eenheid hernoemd tot Grenadierregiment 87. Fries werd vervolgens overgeplaatst naar de Führerreserve en diende als instructeur aan de infanterieschool in Döberitz.

 

Deelname aan de Tweede Wereldoorlog (vervolg)

Op 1 maart 1943 werd Walter Fries aangesteld als commandant van de 29e Infanteriedivisie. Deze divisie werd op 23 juni 1943 omgevormd tot de 29e Panzergrenadier-Divisie. Onder zijn leiding nam deze eenheid deel aan gevechtsoperaties op Sicilië en in Zuid-Italië, waarbij zij betrokken was bij hevige gevechten tegen geallieerde troepen.

Voor zijn inzet en leiderschap tijdens deze veldtochten werd Fries op 29 januari 1944 onderscheiden met het Eikenloof bij het Ridderkruis van het IJzeren Kruis. Op 5 maart 1944 gaf hij het bevel over de divisie over aan Hans Boelsen en werd hij opnieuw in de Führerreserve geplaatst.

In de zomer van 1944 werd Fries tweemaal genoemd in het Wehrmachtsbericht, op 28 juni en 29 juli. Op 11 augustus 1944 ontving hij de Zwaarden bij het Ridderkruis van het IJzeren Kruis, als 87e ontvanger van deze onderscheiding.

Vanaf 21 september 1944 kreeg hij het bevel over het XXXXVIe Pantserkorps. Deze eenheid werd ingezet in zware gevechten in de regio rond Warschau tussen september 1944 en januari 1945. Tijdens deze periode gaf Fries, ondanks tegenstrijdige bevelen, opdracht tot de terugtrekking van zijn uitgeputte troepen naar het noordelijke oevergebied van de Weichsel. De toestand van zijn eenheid — gebrek aan zware wapens, brandstof en voorraden — leidde volgens hem tot deze beslissing.

Proces en gevangenschap

Wegens het niet opvolgen van directe bevelen werd Walter Fries op 19 januari 1945 uit zijn functie ontheven en opnieuw naar de Führerreserve overgeplaatst. Op 24 maart 1945 werd hij aangeklaagd voor het Reichskriegsgericht. De zaak werd voorgezeten door generaalstabsrechter Dr. Karl Schmauser. De zittende rechters waren onder anderen generaal Albert Praun, generaal Friedrich-Georg Eberhardt en generaal Maximilian Fretter-Pico. Fries werd bijgestaan door generaal Otto von Knobelsdorff.

De aanklacht betrof het ongeoorloofd terugtrekken van zijn korps, wat formeel als ongehoorzaamheid werd beschouwd. Tijdens de zitting erkende het gerecht dat Fries handelde binnen de context van een uitzichtloze militaire situatie. De rechtbank concludeerde dat zijn troepen vrijwel volledig waren uitgeput en niet meer inzetbaar, wat leidde tot zijn vrijspraak.

Hoewel hij werd vrijgesproken, kreeg Fries tot het einde van de oorlog geen nieuw commando. Op 8 mei 1945 werd hij door geallieerde troepen krijgsgevangen genomen. Hij verbleef in krijgsgevangenschap tot zijn vrijlating op 30 juni 1947. Nadien leefde hij in Weilburg, waar hij op 6 augustus 1982 overleed.

Militaire rangen

De militaire loopbaan van Walter Fries weerspiegelde zijn voortdurende promotie door zowel politie- als militaire rangen:

  • 27 februari 1914 – Vizefeldwebel der Reserve
  • 19 januari 1915 – Leutnant der Reserve
  • 20 september 1919 – Polizeileutnant
  • 19 januari 1920 – Polizeioberleutnant
  • 9 april 1925 – Polizeihauptmann
  • 20 april 1934 – Polizeimajor
  • 16 maart 1936 – Major (Wehrmacht)
  • 1 maart 1938 – Oberstleutnant
  • 1 maart 1942 – Oberst
  • 1 juni 1943 – Generalmajor
  • 1 januari 1944 – Generalleutnant
  • 1 december 1944 – General der Panzertruppe

Onderscheidingen

Walter Fries werd gedurende zijn militaire loopbaan onderscheiden met meerdere decoraties, waaronder:

  • IJzeren Kruis 1914, tweede en eerste klasse
  • Verwundetenabzeichen in zwart
  • IJzeren Kruis 1939, tweede en eerste klasse
  • Duits Kruis in goud (8 oktober 1942)
  • Ridderkruis van het IJzeren Kruis (14 december 1941)
  • Eikenloof bij het Ridderkruis (29 januari 1944)
  • Zwaarden bij het Ridderkruis (11 augustus 1944)

Deze onderscheidingen tonen aan dat zijn optreden in meerdere gevechtszones werd erkend binnen de militaire hiërarchie van het Duitse leger.

Conclusie

Walter Fries doorliep een lange loopbaan binnen het Duitse leger en de politie tussen 1912 en 1945. Hij was actief in twee wereldoorlogen en bekleedde diverse bevelsfuncties binnen de Wehrmacht, met name tijdens de veldtochten in Polen, Rusland en Italië. Zijn militaire beslissingen tijdens de gevechten bij Warschau leidden tot een juridische procedure, maar niet tot veroordeling. Na de oorlog leidde hij een teruggetrokken bestaan. Zijn leven weerspiegelt de carrières van veel Duitse officieren die zich moesten bewegen binnen de beperkingen en eisen van een autoritair regime in oorlogstijd.

Bronnen en meer informatie

  1. Bradley, Dermot; Hildebrand, Karl-Friedrich; Rövekamp, Markus (1996). Die Generale des Heeres 1921–1945. Osnabrück: Biblio Verlag. ISBN 3-7648-2488-3
  2. Scherzer, Veit (2007). Ritterkreuzträger 1939–1945: Die Inhaber des Eisernen Kreuzes nach den Unterlagen des Bundesarchivs. Jena: Scherzers Militaer-Verlag. ISBN 978-3-938845-17-2
  3. Fellgiebel, Walther-Peer (2000). Die Träger des Ritterkreuzes des Eisernen Kreuzes 1939–1945. Friedburg: Podzun-Pallas. ISBN 3-7909-0284-5
  4. Berger, Florian (1999). Mit Eichenlaub und Schwertern: Die hochdekorierten Soldaten des Zweiten Weltkriegs. Selbstverlag Florian Berger. ISBN 3-9501307-0-5
  5. Alman, Karl (2008). Panzer: Der dramatische Angriff der deutschen Panzerwaffe. Würzburg: Flechsig Verlag. ISBN 978-3-88189-638-2
  6. Bronnen voor historisch onderzoek 1800–1946