Home Schepen Zware Kruisers USS Chicago (CA-29) – Amerikaanse zware kruiser WWII

USS Chicago (CA-29) – Amerikaanse zware kruiser WWII

USS Chicago (CA-29), zware Amerikaanse kruiser van de Northampton-klasse, actief in de Stille Oceaan tot haar zinken in 1943.
De USS Chicago (CA-29), een zware kruiser van de Amerikaanse marine, tijdens haar inzet in de Stille Oceaan in de Tweede Wereldoorlog.

De USS Chicago (CA-29) was een zware kruiser van de Amerikaanse marine, behorend tot de Northampton-klasse. Het schip werd in 1931 in dienst genomen en speelde een rol in meerdere gevechtsoperaties in de Stille Oceaan tijdens de Tweede Wereldoorlog. De Chicago nam deel aan de Slag in de Koraalzee, de Slag bij Savo en de Slag bij Rennell Island. Tijdens dit laatste gevecht werd het schip op 30 januari 1943 tot zinken gebracht door Japanse vliegtuigen. De kruiser werd gebouwd als onderdeel van de herbewapening van de Amerikaanse vloot in de jaren dertig en vertegenwoordigde een overgang tussen de zware kruisers van het interbellum en de meer geavanceerde schepen die later in de oorlog werden ingezet.

Ontwerp en constructie

De Chicago werd gebouwd op de Mare Island Naval Shipyard in Vallejo, Californië. De kiel werd gelegd op 10 september 1928 en het schip werd te water gelaten op 10 april 1930. De ingebruikname volgde op 9 maart 1931. Aanvankelijk werd het schip geclassificeerd als lichte kruiser (CL-29) vanwege de relatief dunne bepantsering, maar op 1 juli 1931 werd de classificatie gewijzigd in zware kruiser (CA-29) overeenkomstig het London Naval Treaty van 1930, dat schepen met 8-inch (203 mm) geschut in deze categorie plaatste.

De Chicago had een standaardwaterverplaatsing van 9.300 ton en een volle belading van ongeveer 12.000 ton. De totale lengte bedroeg 182,9 meter, de breedte 20,1 meter en de maximale diepgang 7 meter. De voortstuwing werd verzorgd door vier Parsons-reductiestoomturbines die via vier schroeven een vermogen van 107.000 pk leverden. De acht White-Forster ketels voorzagen het schip van stoom en maakten een maximumsnelheid van 32,7 knopen mogelijk. Het bereik bedroeg 10.000 zeemijlen bij een kruissnelheid van 15 knopen, waardoor de kruiser geschikt was voor lange operaties in de Stille Oceaan.

De bemanning bestond bij ingebruikname uit ongeveer 690 personen, waaronder 90 officieren. Tijdens de oorlog liep dit aantal op tot ruim 1.100, vooral door toevoeging van luchtafweerbemanning en onderhoudspersoneel.

Bewapening

De hoofdbewapening bestond uit negen 8-inch (203 mm)/55 kaliber kanonnen, verdeeld over drie drievoudige torens. Deze zware kanonnen vormden het primaire wapen tegen vijandelijke oppervlakteschepen.

Voor luchtafweer beschikte de Chicago oorspronkelijk over vier 5-inch (127 mm)/25 kaliber kanonnen. Naarmate de luchtoorlog in de Stille Oceaan intensiever werd, onderging het schip een aanzienlijke versterking van de luchtafweer. Tijdens de oorlog werd de bewapening uitgebreid met acht 5-inch luchtafweerkanonnen, zestien 1.1-inch (27,9 mm) automatische kanonnen en achtentwintig 20 mm Oerlikon-kanonnen.

Daarnaast had het schip zes 21-inch (533 mm) torpedobuizen voor gebruik tegen grotere oppervlakteschepen. Deze torpedo’s werden echter zelden ingezet vanwege de veranderende aard van maritieme gevechten, waarin luchtaanvallen en artillerieduels domineerden.

Bepantsering

De bepantsering van de Chicago was ontworpen volgens de verdragsbeperkingen van de jaren dertig en bood voornamelijk bescherming tegen artillerievuur en splinters. De gordel had een dikte van 76 tot 95 millimeter, terwijl het dek bepantserd was met platen van 25 tot 51 millimeter. De torentjes hadden een pantserdikte variërend van 19 tot 64 millimeter, en de barbettes waren beschermd met 38 millimeter staal. De commandotoren had pantser van 32 millimeter.

Deze bepantsering was voldoende tegen oudere slagschepen en lichte kruisers, maar bood weinig weerstand tegen moderne luchttorpedo’s en zware bommen, wat uiteindelijk een rol speelde bij het verlies van het schip in 1943.

Sensoren en dataverwerking

Vanaf 1940 was de USS Chicago uitgerust met de RCA CXAM-radar, een van de eerste operationele radarsystemen in de Amerikaanse vloot. Deze radar werd gebruikt voor vroegtijdige detectie van vliegtuigen en oppervlakteschepen. De installatie van dit systeem markeerde een belangrijke stap in de ontwikkeling van elektronische oorlogsvoering.

De CXAM-radar werkte op VHF-frequenties en kon doelen detecteren op afstanden tot ongeveer 100 kilometer, afhankelijk van hoogte en weersomstandigheden. De informatie van de radar werd visueel waargenomen op een oscilloscoopscherm, waarna officieren op de brug de gegevens interpreteerden. De Chicago beschikte niet over een volledig ontwikkeld Combat Information Center (CIC), dat pas later in de oorlog op nieuwere schepen werd geïntroduceerd. Hierdoor moest de informatie handmatig worden doorgegeven tussen de radarkamer en de brug, wat de reactietijd in gevechtssituaties verlengde.

Er was geen geïntegreerd systeem voor vuurleidingsgegevens, wat betekende dat de artillerie-officieren afhankelijk bleven van optische afstandsmeters en waarnemingen. De combinatie van radar- en optische methoden bood echter in 1941 en 1942 een redelijke mate van tactisch voordeel.

Naast radar beschikte het schip over akoestische hydrofoonsystemen, voornamelijk gebruikt voor onderzeebootdetectie in kustgebieden. Deze apparatuur was beperkt effectief in vergelijking met latere sonarinstallaties. De Chicago had geen volwaardig sonar- of ASW-systeem, omdat zware kruisers in die periode primair waren ontworpen voor oppervlaktegevechten.

Het ontbreken van een Combat Information Center beperkte de coördinatie tussen luchtafweer, artillerie en navigatie. Tegen 1943 was de Chicago op dit gebied technisch verouderd, wat gevolgen had voor haar operationele efficiëntie tijdens luchtaanvallen.

Modificaties

Tijdens haar diensttijd onderging de Chicago verschillende aanpassingen. In 1940 kreeg het schip de CXAM-radar en werden enkele communicatie- en vuurleidingssystemen gemoderniseerd. De luchtafweer werd versterkt door toevoeging van lichte automatische kanonnen.

Na schade bij de Slag bij Savo Island in augustus 1942 werd het schip tijdelijk gerepareerd in Sydney, waarna het naar San Francisco werd gestuurd voor volledige herstelwerkzaamheden. Tijdens deze periode werden extra luchtafweerinstallaties toegevoegd, evenals verbeterde vuurleidingssystemen. De modernisering verbeterde de overlevingskansen bij luchtaanvallen, maar veranderde niet het fundamentele gebrek aan een geïntegreerd informatiecentrum.

Status schip tijdens de oorlog

In het begin van de oorlog was de Chicago technisch up-to-date, maar na 1942 begon de constructie en elektronica achter te lopen op nieuwere schepen, zoals de Baltimore-klasse. Hoewel de radar en luchtafweer regelmatig werden bijgewerkt, bleef het schip kwetsbaar door beperkte bepantsering en het ontbreken van een volwaardig CIC.

De motoren en romp bleven in goede staat, en er werden geen structurele verouderingsproblemen gemeld. De onderhoudstoestand was adequaat, mede dankzij reparaties in Australië en de Verenigde Staten. Toch werd de Chicago in 1943 beschouwd als operationeel verouderd in vergelijking met moderne geallieerde kruisers.

Operationele geschiedenis

Interbellum

Na indienststelling in 1931 maakte de Chicago een proefvaart in de Stille Oceaan. Vervolgens werd het schip ingezet als vlaggenschip van de Scouting Force aan de oostkust van de Verenigde Staten. Tijdens oefeningen en internationale bezoeken werd ervaring opgedaan in tactieken en vlootmanoeuvres.

In oktober 1933 kwam het schip in aanvaring met de Britse vrachtvaarder Silver Palm bij Point Sur, Californië. Drie officieren kwamen om en de schade bedroeg circa 200.000 dollar. Na reparatie op Mare Island keerde het schip terug in dienst. In 1940 kreeg het schip de eerste generatie CXAM-radar, waarmee het tot de eerste Amerikaanse oorlogsschepen met radar behoorde.

Tweede Wereldoorlog

Bij de Japanse aanval op Pearl Harbor op 7 december 1941 bevond de Chicago zich op zee als onderdeel van Task Force 12. Het schip keerde op 12 december terug naar Pearl Harbor en werd vervolgens ingezet in de verdediging van de Stille Oceaan. In februari 1942 sloot het zich aan bij de ANZAC-vloot, later Task Force 44 genoemd, en patrouilleerde in de wateren rond Nieuw-Guinea en de Salomonseilanden.

Tijdens de Slag in de Koraalzee in mei 1942 ondersteunde de Chicago luchtoperaties en onderschepte Japanse troepen die richting Port Moresby voeren. Enkele dagen later werd het schip aangevallen door Japanse vliegtuigen maar wist verdere schade te voorkomen.

In de nacht van 31 mei op 1 juni 1942 raakte de Chicago betrokken bij een aanval door Japanse mini-onderzeeërs in Sydney Harbour. Het schip opende het vuur en wist te ontsnappen aan een torpedoaanval waarbij het nabijgelegen Australische schip HMAS Kuttabul werd vernietigd.

Tijdens de Slag bij Savo Island op 9 augustus 1942 werd de Chicago getroffen door een torpedo in de boeg. Ondanks zware schade bleef het schip drijven en werd het later naar Australië gesleept voor noodreparaties. De commandant, kapitein Howard D. Bode, kreeg kritiek vanwege zijn optreden tijdens de slag en pleegde later zelfmoord.

Na herstel in San Francisco keerde het schip begin 1943 terug naar de strijd. Op 29 januari werd de Chicago tijdens de Slag bij Rennell Island getroffen door Japanse torpedo’s. Het schip werd de volgende dag opnieuw aangevallen, kreeg vier voltreffers en zonk bij 11°25′ZB, 160°56′OL. Van de bemanning kwamen 62 mensen om, terwijl 1.049 overleefden.

De Japanse propaganda meldde dat meerdere Amerikaanse schepen waren gezonken, maar in werkelijkheid was de Chicago het enige grote verlies.

Conclusie

De USS Chicago (CA-29) vertegenwoordigde een generatie zware kruisers die ontworpen waren onder verdragsbeperkingen van de jaren dertig. Hoewel het schip modern was bij ingebruikname, maakte het gebrek aan een volwaardig Combat Information Center en beperkte bepantsering het kwetsbaar tegen luchtaanvallen. De introductie van radar bood tijdelijk voordeel, maar in 1943 voldeed de Chicago niet meer aan de eisen van moderne oorlogsvoering. De ondergang bij Rennell Island markeerde het einde van een schip dat een belangrijke rol had gespeeld in de eerste fase van de oorlog in de Stille Oceaan.

Bronnen en meer informatie

  1. Afbeelding: U.S. Navy, Public domain, via Wikimedia Commons
  2. Terzibashitsch, Stefan (1984). Cruisers of the US Navy 1922–1962. Annapolis, Maryland: Naval Institute Press. ISBN 0-87021-974-X.
  3. Silverstone, Paul H. (1965). US Warships of World War II. Annapolis, Maryland: Naval Institute Press. ISBN 0-87021-773-9.
  4. Wright, Christopher C. (2019). “Question 7/56: Concerning What Radar Systems Were Installed on U.S. Asiatic Fleet Ships in December 1941.” Warship International, LVI (3): 192–198. ISSN 0043-0374.
  5. Domagalski, John J. (2010). Lost at Guadalcanal: The Final Battles of the Astoria and Chicago as Described by Survivors and in Official Reports. McFarland. ISBN 978-0-7864-5897-4.
  6. Banfield, Thomas V. (1997). The USS Chicago (CA-29) in World War II. Oak Brook, IL: T.V. Banfield. OCLC 56366849.
  7. Bronnen voor historisch onderzoek 1800–1946.