Home Schepen Pre-dreadnought battleship Slagschip SMS Schlesien: bouw en inzet 1906–1945

Slagschip SMS Schlesien: bouw en inzet 1906–1945

Het Duitse slagschip SMS Schlesien van de Deutschland-klasse, gezien vanaf opzij, met hoofdtorens en kenmerkende rompdetails.
SMS Schlesien, een Deutschland-klasse slagschip van de Duitse marine, weergegeven met hoofdgeschut en silhouet van de romp.

SMS Schlesien was een Duits pre-dreadnought slagschip van de Deutschland-klasse, gebouwd tussen 1904 en 1906. Het schip diende in beide wereldoorlogen, voerde trainingen uit, nam deel aan Jutland en werd in 1945 na een mijnexplosie bij Swinemünde door de bemanning tot zinken gebracht. Dit artikel beschrijft ontwerp, wapensystemen, operationele inzet en afloop.

Inleiding

SMS Schlesien was een van de vijf pre-dreadnoughts van de Deutschland-klasse die voor de Kaiserliche Marine werden gebouwd tijdens de vlootuitbreiding onder leiding van Alfred von Tirpitz. Het schip werd in 1908 in dienst gesteld en bleef tot 1945 operationeel in uiteenlopende rollen. De loopbaan omvatte oefeningen, vlootmanoeuvres, inzet tijdens de Eerste Wereldoorlog en een lange periode van trainings- en ondersteunende taken tijdens het interbellum en de Tweede Wereldoorlog. Uiteindelijk werd het schip in mei 1945 door de eigen bemanning in ondiep water buiten dienst gesteld nadat het een mijn had geraakt. Dit overzicht behandelt de technische kenmerken, moderniseringen en operationele geschiedenis van dit langdurig ingezette marineschip.

Ontwerp en constructie

De Deutschland-klasse werd ontwikkeld na de Tweede Vlootwet van 1900, waarbij Duitsland twintig nieuwe slagschepen wilde bouwen. Schlesien werd op 19 november 1904 gelegd bij Schichau in Danzig en op 28 mei 1906 te water gelaten. De afmetingen waren 127,6 meter lengte, 22,2 meter breedte en een diepgang van 8,21 meter. Het standaardwaterverplaatsing bedroeg ongeveer 13.200 ton.

Het aandrijfsysteem bestond uit drie drievoudige expansiemachines en twaalf kolengestookte waterpijpketels. De machines leverden bijna 19.000 ihp en gaven een topsnelheid van circa 18,5 knopen. De actieradius bij 10 knopen bedroeg ongeveer 4.770 zeemijl. De bouw volgde de traditionele indeling van pre-dreadnoughts: een gepantserde citadel, twee hoofdgeschutstorens en casematten voor de secundaire batterij. Tijdens de bouwperiode werd al duidelijk dat dreadnoughtontwerpen de oudere slagschepen overvleugelden, maar de Duitse marine voltooide de klasse om het vlootprogramma in balans te houden.

Bewapening

De hoofdbewapening bestond uit vier 28 cm SK L/40-kanonnen in twee tweelingtorens, één voor en één achter. Deze kanonnen vormden de zwaarste wapens van het schip en waren bedoeld voor gevechten op middellange afstand.

De secundaire batterij omvatte veertien 17 cm SK-kanonnen in casematten langs de romp. De luchtdoel- en torpedobootverdediging werd verzorgd door tweeëntwintig 8,8 cm SK-kanonnen. Daarnaast beschikte het schip over zes onderwater-torpedobuizen van 45 cm: één in de boeg, één in de achtersteven en vier in de flanken.

Bepantsering

De bepantsering was ontworpen volgens de normen van de pre-dreadnoughtperiode. De gordel rond het citadelgedeelte had een dikte van 240 mm. De dekbepantsering bedroeg ongeveer 40 mm. De hoofdtorens waren beschermd met platen van 280 mm. Deze bepantsering bood redelijke weerstand tegen projectielen van vergelijkbare schepen, maar was ontoereikend tegen moderne dreadnoughtbewapening.

Sensoren

Tijdens de vroege jaren beschikte Schlesien over geen radarapparatuur, zoals gebruikelijk voor schepen uit deze periode. In de Tweede Wereldoorlog werd het schip uitgerust met een FuMO-25 zeedoelzoekradar op de voormast en een FuMB-6-radardetectieset. Deze systemen waren bedoeld voor detectie van vijandelijke vliegtuigen en oppervlakteschepen bij beperkte zichtomstandigheden.

Modificaties

In de jaren 1926–1927 werd Schlesien uitgebreid gemoderniseerd. De oorspronkelijke 28 cm-kanonnen werden herplaatst, de 17 cm-batterij werd vervangen door modernere 15 cm-kanonnen en de boegschouw werd aangepast. Tegelijkertijd werd een zware paalmast geplaatst en werden boilers omgebouwd, waarbij de voorste schoorsteen verviel en de overgebleven schoorsteen werd vergroot.

In 1935 werd het schip heringericht voor gebruik als opleidingsschip. Dit hield een reductie van de bemanning, meerdere nieuwe verblijven voor cadetten en vervangende luchtafweer in. Later, tijdens de Tweede Wereldoorlog, werd de luchtafweer verder versterkt met 10,5 cm-kanonnen, 40 mm-wapens en een reeks 20 mm-kanonnen in dubbele en vierlingopstellingen.

Status schip tijdens de oorlog

Schlesien werd bij het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog beschouwd als verouderd. Het schip behield echter waarde als onderdeel van de slaglinie totdat de dreadnoughtvloot volledig operationeel was. In de loop van de oorlog werd de inzet steeds beperkter vanwege de geringere snelheid, bewapening en bescherming.

Tijdens de Tweede Wereldoorlog was de operationele waarde beperkt door de ouderdom, het lage tempo en de kwetsbaarheid ten opzichte van moderne marineschepen en vliegtuigen. Het schip werd daarom vooral gebruikt voor ondersteunende taken, waaronder opleiding, escorte en ijsbrekerservice.

Operationele geschiedenis

Vroege dienst en vlootactiviteiten

Na de indienststelling in mei 1908 werd Schlesien toegewezen aan het I. Eskader van de Hochseeflotte. De eerste jaren werd het schip vooral gebruikt voor vlootmanoeuvres, trainingsvaarten en jaarlijkse oefenreeksen in de Noordzee en Baltische Zee. In 1910 verhuisde de vloot naar Wilhelmshaven, waar het schip deel bleef uitmaken van het reguliere oefenprogramma.

Eerste Wereldoorlog

Bij het uitbreken van de oorlog bewaakte Schlesien de Duitse Bocht. Later nam het schip deel aan de ondersteuning van de slagkruisers tijdens de kustaanvallen op Scarborough, Hartlepool en Whitby. Het schip nam vervolgens deel aan meerdere vlootsorties die zonder gevecht eindigden.

Slag bij Jutland (31 mei – 1 juni 1916)

Tijdens Jutland vormde Schlesien onderdeel van het II. Eskader in de achterhoede van de Duitse slaglinie. Door de lagere snelheid konden de pre-dreadnoughts de dreadnoughts niet bijhouden en kwamen zij in een tactisch kwetsbare positie. Later op de dag probeerden Schlesien en haar zusters de terugtrekkende Duitse slagkruisers te ondersteunen. Door slecht zicht was hun vuur weinig effectief. Een bijna-mislukte inslag veroorzaakte enige schade en slachtoffers. Tijdens de nachtelijke terugtocht werd het schip meermaals aangevallen door Britse torpedobootjagers, maar zonder treffers. De vloot keerde op 1 juni terug naar Wilhelmshaven.

Laatste oorlogsmaanden 1917–1918

Na Jutland werd het schip vooral ingezet als wacht- en doelenschip. In 1917 werd Schlesien uit actieve dienst genomen en omgebouwd tot opleidingsschip voor machinisten en rekruten. In 1918 volgde een nieuwe bouwfase waarbij het schip voorbereid werd op cadettenopleidingen in de Baltische Zee. Tijdens de Kieler Muiterij bleef het schip aanvankelijk onder Reichsflagge varen, maar werd op 10 november buiten dienst gesteld.

Interbellum

Volgens het Verdrag van Versailles mocht Duitsland acht oudere slagschepen behouden. Schlesien werd aanvankelijk in reserve geplaatst, maar tussen 1926 en 1927 gemoderniseerd en opnieuw in dienst gesteld. Het schip werd een vlaggenschip binnen de Noordzeestrijdkrachten en maakte diverse trainingsreizen naar de Atlantische Oceaan, de Middellandse Zee en Noord- en Zuid-Amerika. In 1935 volgde een verbouwing tot opleidingsschip voor toekomstige officieren. De daaropvolgende jaren werden meerdere oceaanreizen uitgevoerd.

Tweede Wereldoorlog

Bij het uitbreken van de oorlog werd Schlesien opnieuw als opleidingsschip ingezet. In september 1939 ondersteunde het schip beschietingen bij Hel en Jastarnia. Later fungeerde het als ijsbreker, escorteschip en ondersteuningsvaartuig tijdens Operation Weserübung, de inval in Noorwegen en Denemarken.

In 1941 en 1942 werd het schip opnieuw gebruikt als ijsbreker en mijnenveldbeveiliger in de Baltische Zee. Door brandstoftekorten waren slechts beperkte trainingsvaarten mogelijk. In 1943 en 1944 werd de luchtafweer sterk uitgebreid.

Laatste inzet 1945

In het voorjaar van 1945 werd Schlesien gebruikt voor artilleriesteun bij het Oostfront, met name rond Gotenhafen en Sopot. Het schip evacueerde meer dan duizend gewonden naar Swinemünde. Op 3 mei 1945 liep Schlesien op een Britse mijn bij Greifswalder Oie. Het beschadigde schip werd door de torpedobootjager Z39 naar Swinemünde gesleept. Daar werd het door de bemanning in ondiep water aan de grond gezet om kantelen te voorkomen en de luchtafweer te kunnen blijven gebruiken bij de verdediging van de stad.

Na de oorlog

Na de Duitse capitulatie begon een Oost-Duits bergingsbedrijf tussen 1949 en 1956 met de sloop van het wrak. Desondanks bleven delen van de romp nog tot in de jaren zeventig zichtbaar. Resten zijn later volledig verwijderd tijdens haven- en kustinrichtingsprojecten.

Conclusie

SMS Schlesien vertegenwoordigt de overgang van oudere pre-dreadnoughtontwerpen naar de moderne slagschipconcepten die rond 1906 ontstonden. Ondanks de snelle technologische veroudering kende het schip een lange en veelzijdige loopbaan, variërend van liniedienst en strijd bij Jutland tot opleidings- en ondersteunende taken in de Tweede Wereldoorlog. De combinatie van aanpassingen, herbestemmingen en langdurige inzet maakt het schip een representatief voorbeeld van de evolutie van Duitse maritieme middelen gedurende de eerste helft van de twintigste eeuw.

Bronnen en meer informatie

  1. Afbeelding: Bain News Service, New York, Public domain, via Wikimedia Commons
  2. Campbell, N.J.M. & Sieche, E. (1986). Germany. Conway’s All the World’s Fighting Ships 1906–1921. Conway Maritime Press. ISBN 978-0-85177-245-5.
  3. Dodson, A. (2016). The Kaiser’s Battlefleet: German Capital Ships 1871–1918. Seaforth Publishing. ISBN 978-1-84832-229-5.
  4. Edwards, B. (2001). Beware Raiders!: German Surface Raiders in the Second World War. Naval Institute Press. ISBN 978-1-55750-210-0.
  5. Garzke, W.H. & Dulin, R.O. (1985). Battleships: Axis and Neutral Battleships in World War II. Naval Institute Press. ISBN 978-0-87021-101-0.
  6. Grießmer, A. (1999). Die Linienschiffe der Kaiserlichen Marine. Bernard & Graefe. ISBN 978-3-7637-5985-9.
  7. Gröner, E. (1990). German Warships 1815–1945, Vol. I. Naval Institute Press. ISBN 978-0-87021-790-6.
  8. Herwig, H. (1998). Luxury Fleet: The Imperial German Navy 1888–1918. Humanity Books. ISBN 978-1-57392-286-9.
  9. Hildebrand, H.H.; Röhr, A.; Steinmetz, H.-O. (1993). Die Deutschen Kriegsschiffe (Vol. 2 & 7). Mundus Verlag. ISBN 978-3-7822-0287-9.
  10. London, C. (2000). Jutland 1916: Clash of the Dreadnoughts. Osprey Publishing. ISBN 978-1-85532-992-8.
  11. Lenton, H.T. (1975). German Warships of the Second World War. Arco Publishing. ISBN 978-0668040372.
  12. Slavick, J. (2003). The Cruise of the German Raider Atlantis. Naval Institute Press. ISBN 978-1-55750-537-8.
  13. Bronnen voor historisch onderzoek 1800–1946